Psalm 59:1-8
Het opschrift van deze psalm, vers 1, maakt ons inzonderheid bekend met de gelegenheid waarbij hij geschreven werd, het was toen Saul enigen van zijn lijfwacht zond om Davids huis te omsingelen in de nacht, ten einde hem te grijpen en te doden. Wij hebben het verhaal ervan in 1 Samuël 19:11. Het was toen zijn vijandelijkheden tegen David pas uitgebroken waren en deze even tevoren ternauwernood aan Sauls werpspies was ontkomen. Het kon niet anders of dit eerste uitbreken van Sauls boosaardigheid moest David ontroeren, beide smartelijk en schrikkelijk voor hem zijn, en toch bleef hij zijn gemeenschap met God onderhouden, en behield hij kalmte van gemoed zodat hij altijd instaat was om God te bidden en te loven. Zalig zij wier gemeenschap met de hemel niet geschaad of gestoord wordt door hun zorgen, of smarten, of angsten, of door de gejaagdheid, in- of uitwendig, van een toestand van beproeving
In deze verzen:
I. Bidt David om gered te worden uit de handen van zijn vijanden, en dat hun wrede aanslagen tegen hem verijdeld zullen worden, vers 2,3. Red mij van mijn vijanden, o mijn God! Gij zijt God, en kunt mij redden, mijn God, onder wiens bescherming ik mij gesteld heb, en Gij hebt mij beloofd een algenoegzame God te zijn, en daarom zult Gij mij in eer en trouw redden. Stel mij in een hoog vertrek buiten het bereik van de macht en boosaardigheid van hen, die tegen mij opstaan, en boven de vrees er voor. Laat mij veilig zijn, en mij veilig weten veilig en gerust, veilig en voldaan O red mij, behoud mij!" Hij roept als iemand, die op het punt is van om te komen, en alleen op God ziet om redding en uitkomst te verkrijgen Hij bidt, vers 5 :"Waak op, mij tegemoet, waak op, om mij te hulp te komen, neem kennis van mijn toestand, beschouw die met een oog van medelijden, en wend Uw macht aan voor mijn redding." Zo hebben de discipelen in de storm Christus opgewekt, zeggende: Meester, behoud ons, wij vergaan. En even vurig moeten wij dagelijks bidden om beschermd te worden tegen, en verlost te worden van onze geestelijke vijanden, de verzoekingen van Satan en het bederf van ons eigen hart, die krijg voeren tegen ons geestelijk leven.
II. Hij bidt om redding. Onze God staat ons toe, niet alleen om tot Hem te bidden, maar bij Hem te pleiten, Hem onze zaak ordelijk voor te stellen, en onze mond te vervullen met verdedigingen, niet om Hem te bewegen, maar om onszelf te bewegen. Dat doet David hier.
1. Hij voert het slechte karakter aan van zijn vijanden. Zij zijn werkers van de ongerechtigheid, en daarom niet alleen zijn vijanden maar ook Gods vijanden, zij zijn mannen des bloeds, en daarom niet alleen zijn vijanden, maar vijanden van geheel het mensdom. "Heere, laat de werkers van de ongerechtigheid niet overmogen tegen iemand, die een werker is van gerechtigheid, noch mannen des bloeds over een barmhartig man."
2 Hij voert hun boosaardigheid tegen hem aan, en het dreigend, nakend gevaar, waarin hij zich bevindt van ben, vers 4. "Hun boosaardigheid is groot, zij leggen het toe op mijne ziel, mijn leven, zij zijn listig en zeer behendig, zij liggen op de loer, zoeken naar een gelegenheid om mij kwaad te doen, zij zijn allen machtig, mannen van aanzien, die grote bezittingen hebben, invloed hebben aan het hof en in het land, zij zijn in verbond met elkaar, en hebben zich nu tegen mij vergaderd om samen te beraadslagen en samen handelend tegen mij op te treden. Zij zijn zeer vernuftig in het bedenken van plannen, en zeer ijverig om ze te volvoeren, vers 5. Zij lopen en bereiden zich in grote haast en met de uiterste woede, om mij kwaad te doen." Hij neemt inzonderheid nota van het woeste, ongevoelige gedrag van de boden, die Saul gezonden had om hem te grijpen, vers 7. Tegen de avond keren zij weer van de post, die hun overdag is aangewezen, om zich tot hun werk van de duisternis te begeven (hun nachtwerk, dat wel hun dagschande mag wezen) en dan maken zij getier als een hond, die een haas achtervolgt." Zo hebben Davids vijanden, toen zij kwamen om hem te grijpen, een roep tegen hem aangeheven als een rebel en verrader, een man, die niet langer moest leven. Met dit geroep liepen zij om de stad, om hem een slechte naam te bezorgen, hem in kwaad gerucht te doen komen, en zo mogelijk, het volk tegen hem op te zetten, of tenminste te voorkomen, dat zij in toorn tegen hen zouden ontsteken waarvoor zij wel reden hadden te vrezen, daar David de lieveling van het volk was. Zo hebben de vervolgers van onze Heere Jezus, die bij honden vergeleken worden, Psalm 22:17, Hem terneer geworpen met getier en geschreeuw, want anders hadden zij Hem niet kunnen grijpen, tenminste niet op het feest, want dan zou er een oproer zijn gekomen onder het volk. Zij storten overvloedig uit met hun mond de boosaardigheid, welke kookt in hun hart, vers 8. "Zwaarden zijn op hun lippen," smaadredenen die mij wonden, mijn hart breken van smart Psalm 42:11, en laster, die mijn goeden naam wondt. Voortdurend deden zij inblazingen, waardoor Sauls zwaard tegen hem getrokken en gewet werd, en de schuld daarvan wordt op de valse beschuldigers gelegd. Het zwaard zou misschien niet in Sauls hand geweest zijn, als het niet eerst op hun lippen was geweest.
3. Hij pleit op zijn eigen onschuld, niet voor God, hij is nooit achterlijk geweest om zich voor Hem schuldig te bekennen, maar ten opzichte van zijn vervolgers. Wat zij hem ten laste legden was ten enenmale onwaar, en hij had ook nooit iets gezegd of gedaan, waarmee hij zo'n behandeling van hen verdiend had, vers 4, zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o Heere! Gij weet het, Gij die alle dingen weet." En wederom, vers 5, zonder mijn misdaad. De onschuld van de Godvruchtigen zal hen niet beveiligen tegen de boosaardigheid van de goddelozen Zij, die oprecht zijn als duiven, zullen toch, om Christus wil, door alle mensen worden gehaat, alsof zij schadelijk waren als slangen, en dus ook even hatelijk Hoewel onze onschuld ons niet zal vrijwaren tegen moeilijkheden en beproevingen, zal zij er ons toch grotelijks onder ter vertroosting en steun zijn. Het getuigenis van ons geweten, dat wij ons goed gedragen hebben jegens hen, die zich slecht hebben gedragen jegens ons, zal ons in de dag des kwaads zeer tot blijdschap zijn. Als wij ons bewast zijn van onze onschuld, dan kunnen wij in ootmoedig vertrouwen ons beroepen op God, en Hem bidden om voor onze benadeelde zaak op te komen hetgeen Hij ter bestemder tijd doen zal.
4. Hij voert aan dat zijn vijanden loos en atheïstisch zijn, en zich in hun vijandschap tegen David steunden door minachting van God, want, zeggen zij wie hoort het? vers 13. God zelf niet, Psalm 10:11, 94:7. Het is niet vreemd dat diegenen geen acht geven op hetgeen zij zeggen, die zich wijs gemankt hebben dat God geen acht slaat op hetgeen zij zeggen.
III. Beroept hij zich voor zichzelf en zijn zaak op het rechtvaardig oordeel Gods, vers 6. "De Heere, de Rechter, zij rechter tussen mij en mijn vervolgers!" In dit beroep op God heeft hij het oog op Hem, de Heere van de heirscharen, die macht heeft om recht te oefenen, daar Hij alle schepselen, heirscharen van engelen, onder Zijn bevelen heeft. Hij beschouwt Hem ook als de God Israëls, van dit volk was Hij op bijzondere wijze Koning en Rechter, niet twijfelende, of Hij zou verschijnen ten behoeve van hen, die oprecht zijn, waarlijk Israëlieten zijn. Toen Sauls leger hem vervolgde, nam hij de toevlucht tot God als de Heere van de heerscharen, als diegenen hem mishandelden die vervreemd waren van het burgerschap van Israël nam hij de toevlucht tot God als de God Israëls. Hij begeert, dat wil zeggen: hij is er zeer zeker van, dat God zal opmaken om al deze heidenen te bezoeken, een vroegtijdig en nauwkeurig onderzoek in te stellen aangaande de geschillen en twisten, die er zijn onder de kinderen van de mensen, er zal een dag van de bezoeking zijn, Jesaja 10:3, en op die dag beroept zich David, met dit plechtige gebed: Wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela. Let hier op.
1. Indien David zich bewust was geweest dat hij een goddeloze overtreder was, dan zou hij niet verwacht hebben genade te vinden maar ten opzichte van zijn vijanden kon hij in gemoede verklaren dat hij volstrekt geen overtreder was, vers 4,5. "Zonder mijn overtreding en daarom zult Gij voor mij optreden." Tegenover God kon hij zeggen dat hij geen goddeloze overtreder was, want ofschoon hij overtreden had, was hij toch een berouwvol overtreder, die niet hardnekkig volhardde in het kwaad, dat hij gedaan had.
2. Hij wist dat zijn vijanden goddeloze overtreders waren, moedwillig, boosaardig en verhard in hun overtredingen beide tegen God en mensen, en daarom bidt hij om gerechtigheid tegen hen, gerechtigheid, zonder genade of goedertierenheid. Laat diegenen niet verwachten genade te zullen vinden, die nooit genade of barmhartigheid getoond hebben, want de zodanigen zijn goddeloze overtreders.