Psalm 140:1-8
Evenals in andere dingen was David hierin een type van Christus, dat hij heeft geleden voordat hij heeft geheerst, vernederd was voordat hij werd verhoogd, en dat, gelijk er velen waren, die hem liefhadden en waardeerden en hem zochten te eren, er ook velen waren die hem haatten en benijdden en hem kwaad zochten te doen, zoals blijkt uit deze verzen, waarin:
1. Hij een karakterschets geeft van zijn vijanden, en hen schildert in hun eigen kleuren als gevaarlijke mensen, voor wie hij alle reden had om bevreesd te zijn, hoewel hij geen reden had om te denken dat de rechtvaardige God hen zou steunen. Er was een, die hun aanvoerder schijnt geweest te zijn, die hij de kwade mens noemt, vers 2, en de man alles gewelds, vers 5, waarschijnlijk bedoelt hij Saul. De Chaldeense paraphrast noemt in vers 10 beide Doeg en Achitofel, maar tussen deze was een grote afstand van tijd. Mannen des gewelds zijn boze mensen. Maar behalve die waren er nog velen, die tegen David verbonden waren, en die hier voorgesteld worden als het ware zaad van de slang. Want:
a. Zij zijn zeer listig om kwaad te doen, zij hebben het in hun hart bedacht, vers 3, hebben met alle mogelijke list het plan beraamd. Zij hebben samengespannen om de voeten eens Godvruchtigen weg te stoten, vers 5 hem in zonde te doen vallen en in ellende te brengen, hem in het verderf te storten door zijn goede naam te belasteren, zijn belangen te schaden, hem het leven te benemen. Te dien einde hebben zij als geweldige jagers, een strik verborgen en koorden, en een net uitgespreid, vers 6, opdat hun plannen tegen hem, onontdekt blijvende, zoveel zekerder ten uitvoer gebracht zouden worden, en hij hun, eer hij het wist, in handen zou vallen. Grote vervolgers zijn dikwijls zeer behendige staatslieden geweest, waardoor zij dan nog geduchter werden, maar de Heere bewaart de eenvoudigen zonder al die kunstgrepen.
b. Zij zijn zeer boosaardig, zo vol van kwaadheid als Satan zelf. Zij scherpen hun tong als een slang, die zijn venijn instort met zijn tong, en er is in alles wat zij zeggen zoveel boosaardigheid, dat men zou denken dat er niets dan addervergif onder hun lippen is, vers 4. Met hun lasteringen en hun raadslagen bedoelden zij David ten verderve te brengen, doch in het geheim, zoals men door een slang of een adder in het gras gebeten wordt. Zij poogden ook hun boosaardigheid aan anderen mee te delen, en hen nog zeven maal meer kinderen van de hel te maken dan zij zelf waren. Een boosaardige tong maakt de mensen als de oude slang, en vergif onder hun lippen is een stellig teken van vergif in het hart.
c. Zij zijn saamverbonden, er zijn velen van hen, maar zij komen samen om tegen mij te oorlogen, vers 3. Zij die in niets anders samen overeen kunnen komen, komen overeen om een goed man te vervolgen. Herodes en Pilatus zullen zich hierin verenigen, en hierin gelijken zij op Satan, die niet tegen zichzelf verdeeld is, al de duivelen komen overeen in Beelzebul.
d. Zij zijn hovaardig, vers 6, vol van eigenwaan, zeker van wel te zullen slagen, en ook hierin gelijken zij op Satan, wiens heersende, hem verdervende zonde hoogmoed was. De hoogmoed van vervolgers kan, hoewel hij voor het ogenblik de verschrikking is van de vervolgden, hun toch tot bemoediging zijn, want hoe hoogmoediger zij zijn, hoe sneller zij rijpen voor het verderf. Hovaardigheid is voor de verbreking en hoogheid des geestes voor de val. 2. Hij bidt God hem voor hen te bewaren van door hen verzwolgen te worden. Heere red mij, bewaar mij, behoed mij, vers 2, 5. Laat het hun niet gelukken om mij van het leven te beroven, mij van mijn eer en goede naam mijn invloed, mijn vertroosting te beroven, en te beletten dat ik tot de troon kom. Bewaar er mij voor om te doen zoals zij doen, of zoals zij willen dat ik doen zal, en zich vleien dat ik doen zal. Hoe meer boosaardigheid aan de dag komt in onze vijanden tegen ons, hoe vuriger wij God moeten bidden ons onder Zijn bescherming te nemen. In Hem kunnen de gelovigen rekenen op veiligheid, en er met alle gerustheid en kalmte van genieten. Die God bewaart zijn veilig. Indien Hij voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn?
3. Hij triomfeert in God, en daardoor triomfeert hij in werkelijkheid over zijn vervolgers vers 7, 8. Toen zijn vijanden hun tong scherpten tegen hem, heeft hij toen de zijne tegen hen gescherpt? Neen, addervergif was onder hun lippen, maar genade was uitgestort op zijn lippen, getuige hetgeen hij hier tot de Heere zegt, want tot Hem zag hij op, tot Hem wendde hij zich, toen hij zich door de boosaardigheid van zijn vijanden in zo groot gevaar zag gebracht. En het is goed en gelukkig voor ons, dat wij een God hebben, tot wie wij ons kunnen wenden. Hij vertroostte zich:
a. Met zijn deel in God, "ik heb tot de Heere gezegd: Gij zijt mijn God, en zo Gij mijn God zijt, dan zijt Gij mijn schild en machtige beschermer." In moeilijke, gevaarvolle tijden, is het goed om aanspraak te maken op betrekking tot God, en Hem door het geloof aan te grijpen en ons aan Hem vast te houden.
b. In zijn toegang tot God. Het was zijn troost, dat hij niet alleen in verbond met God was opgenomen, maar ook in gemeenschap met Hem, dat hij vrijheid had om tot Hem te spreken en een antwoord van Hem kon verwachten, en met ootmoedig vertrouwen zeggen kon: Neem ter ore, o Heere, de stem mijner smekingen.
c. In de verzekerdheid, die hij had van hulp van God en van gelukzaligheid in Hem, Heere, Jehovah, Adonai als Jehovah bestaat Gij uit en door Uzelf zijt Gij algenoegzaam, een oneindig volmaakt wezen, als Adonai zijt Gij mijn steun en stut, mijn bestuurder en regeerder, en daarom de sterkte mijns heils, mijn sterke Verlosser, ja niet alleen mijn Verlosser, mijn Heiland, maar mijn heil, van wie en in wie mijn heil is, niet alleen een sterke Verlosser, maar de sterkte mijner verlossing, mijns heils, op wie de kracht en klem mijner hoop is gelegd -alles in alles is om mij gelukkig te maken, en mij voor mijn zaligheid te bewaren.
d. In de ervaring, die hij vroeger heeft gehad van Gods zorg over hem, Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage van de wapening. Gelijk hij bij Saul er op gepleit heeft, dat hij ten diepste van zijn land menigmaal zijn leven gewaagd heeft op de hoogten des velds zo pleit hij nu bij God, dat Hij hem in die diensten wonderbaarlijk heeft beschermd, hem van een betere helm voorzien heeft om zijn hoofd te beschutten, dan Goliaths helm was. "Heere, Gij hebt mij behoed ten dage des strijds met de Filistijnen, laat mij nu niet vallen door de verraderlijke kuiperijen van trouweloze Israëlieten." God is even machtig om Zijn volk voor geheim bedrog als voor openlijk geweld te bewaren, en de ervaringen, die wij van Zijn macht en zorg gehad hebben in gevaren van de ene soort, kunnen ons aanmoedigen om op Hem te vertrouwen in gevaren van een andere aard, want des Heeren rechterhand kan door niets verkort worden.