Prediker 8:9-13
In het begin van het hoofdstuk had Salomo ons er tegen gewaarschuwd om iets te doen te hebben met oproerige personen, in deze verzen bemoedigt hij ons met betrekking tot het kwaad van tirannieke en verdrukkende heersers over wie hij tevoren reeds had geklaagd Hoofdstuk 3:16, 4:
I. Hij had velen van zulke heersers gezien, vers 9. Bij de ernstige beschouwing, die hij gedaan had van de kinderen van de mensen en van hun toestand, had hij opgemerkt dat de een menigmaal heerst over de ander, hem ten kwade, dat is:
a. Ten kwade van de beheerste, velen verstaan het zo. Terwijl zij Gods dienaren moesten zijn ten goede van hun onderdanen, Romeinen 13:4, om recht te doen en de openbaren vrede te bewaren en de openbare orde te handhaven, gebruiken zij hun macht, hun ten kwade, om hun eigendom te roven, hun vrijheid aan te randen, en daden van onrechtvaardigheid te beschermen. Het is treurig gesteld met een volk als zij, die hun godsdienst en hun rechten behoren te beschermen, zich er op toeleggen om beide te vernietigen.
b. Ten kwade van de heersers, zo verstaan wij het, tot hun eigen kwaad, tot voeding van hun hoogmoed en hebzucht, het bevredigen van hun hartstocht, hun wraakzucht en aldus tot het vullen van de maat van hun zonden en het verhaasten en verzwaren van hun verderf. "Agens agendo repatitur". "Het kwaad, dat de mensen doen aan anderen, zal in het einde, tot hun eigen kwaad tot hen weerkeren."
2. Hij had opgemerkt dat zij bloeiden en voorspoed hadden in het misbruiken van hun macht, vers 10. Ik heb gezien de goddelozen, de goddeloze heersers die kwamen en gingen uit de plaats des Heiligen, in staatsie gingen, en in pracht en praal terugkwamen van de plaats van de rechtspleging (die de plaats van de Heilige genoemd wordt, omdat het gericht van God is, Deuteronomium 1:17, en omdat Hij oordeelt in het midden van de goden, Psalm 82:1, en bij hen is in de zaak van het gericht, 2 Kronieken 19:6. En zij bleven levenslang in hun ambt, en werden niet ter verantwoording geroepen wegens hun wanbeheer, maar stierven in eer, en werden met pracht en staatsie begraven, hun aanstelling was "durante vita" levenslang, en niet "quandiu se bene gesserint" zolang zij zich goed gedragen, en zij werden vergeten in die stad, in welke zij recht gedaan hadden, hun slechte praktijken werden niet herdacht tegen hen tot hun smaad en schande nadat zij waren heengegaan. Of liever: het duidt de ijdelheid aan van hun waardigheid en macht, want dat is zijn opmerking aan het einde van het vers: dit is ook ijdelheid. Zij zijn trots op hun rijkdom en macht en eer, omdat zij in de Slaafs zitten van de Heilige, maar dit alles:
a. Kan hun lichaam er niet tegen beveiligen om begraven te worden in het stof, ik zag dat zij in het graf werden gelegd, en hun pracht en praal, die hen daarheen vergezelden, zullen hen toch niet nadalen, Psalm 49:18.
b. Noch hun namen van in vergetelheid te worden begraven, want zij werden vergeten alsof zij er nooit geweest waren.
3. Hij had opgemerkt dat hun voorspoed hen verhardde in hun goddeloosheid, vers 11. Het is waar van alle zondaars, en inzonderheid van goddeloze heersers, dat zij, omdat niet haastig het oordeel over de boze daad geschiedt, denken dat het nooit geschieden zal, en zij daarom de wet kunnen trotseren, zodat hun hart vol is om kwaad te doen. Zij wagen het om zoveel te meer kwaad te doen, strekken hun boze plannen nog verder uit, en zijn er onbezorgd en onbevreesd in en bedrijven ongerechtigheid met opgeheven hand.
Merk op:
a. Door de rechtvaardige Rechter van hemel en aarde is het oordeel uitgesproken tegen boze werken en boze werkers, tegen de boze werken van vorsten en groten van de aarde, zowel als van geringere personen.
b. De volvoering van dat oordeel wordt soms lang uitgesteld, en de zondaar gaat voort, niet alleen ongestraft, maar voorspoedig.
c. Straffeloosheid verhardt de zondaars in hun goddeloosheid, en de lankmoedigheid Gods wordt schandelijk door velen misbruikt, die, inplaats van er door tot bekering gebracht te worden, er in hun onboetvaardigheid door worden bevestigd.
d. Hierin bedriegen de zondaren zichzelf want hoewel het oordeel niet haastig geschiedt, zal het toch eindelijk, en dat wel met te meer strengheid, volvoerd worden. De wraak komt langzaam, maar zij komt zeker, en intussen wordt de toorn vergaderd tegen de dag van de toorn.
4. Hij voorzag van al deze dingen zo'n einde, als voldoende is om ons van twisten met de goddelijke voorzienigheid er over terug te houden. Hij onderstelt dat een goddeloze heerser honderdmaal een onrechtvaardige daad doet, en dat zijn straf toch wordt uitgesteld en Gods lankmoedigheid over hem wordt verlengd ver boven hetgeen verwacht kon worden en de dagen van zijn macht worden vermenigvuldigd, zodat hij voortgaat met te verdrukken, maar hij geeft te kennen dat wij daarom niet ontmoedigd moeten worden.
A. Gods volk is voorzeker een gelukkig volk al worden zij ook verdekt, dien, die God vrezen, zal het wel gaan, ik zeg: hun allen, en alleen hun zal het wel gaan, die voor Zijn aangezicht vrezen. Het is de aard, de hoedanigheid van Gods volk, dat zij God vrezen hun hart is vervuld van ontzag voor Hem, zij zijn nauwgezet in het betrachten van hun plicht jegens Hem en dat wel omdat zij zien dat Zijn oog altijd op hen is, en weten dat het hun belang is om Hem welbehaaglijk te zijn. Als zij in de macht zijn van trotse verdrukkers, vrezen zij God meer dan zij hen vrezen. Zij twisten niet met Gods voorzienigheid, maar onderwerpen er zich aan. Het is het geluk van allen, die God vrezen, dat het ook in de zwaarste tijden wel met hen zal wezen, hun geluk in Gods gunst kan niet geschaad worden en hun gemeenschap met God niet worden onderbroken door hun moeilijkheden. Zij zijn in een goede toestand, want zij worden onder hun rampen en ellende in een goede gemoedsgesteldheid gehouden, en in het einde zullen zij een gezegende verlossing hebben uit, en een overvloedige beloning voor, hun benauwdheid. En daarom weet ik, weet ik door de belofte van God en de ervaring van al de heiligen, dat het hoe het ook met anderen moge wezen met hen wel zal wezen. Alles is wel, wat wei eindigt.
B. Goddelozen zijn voorzeker ongelukkig. Hoewel zij voor een tijd voorspoedig zijn en de overhand hebben, is toch voor hen even gewis de vloek, als de zegen voor de rechtvaardigen. Het zal de goddelozen niet goed gaan, zoals anderen denken dat het hun gaat, die naar de uitwendige schijn oordelen, en zoals zij zelf verwachten, dat het hun gaan zal, neen, wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, Jesaja 3:10, 11. Er zal met de goddelozen afgerekend worden voor al het kwaad, dat zij gedaan hebben, niets goeds zal hun overkomen. "Nihil potest ad malos pervenire quod prosit, imo nihil quod non nonceat" -Niets kan de goddelozen overkomen, dat hun goed doet, integendeel, er is geen gebeurtenis die hun geen kwaad doet. "Seneca." De dagen van de goddeloze zijn als een schaduw, niet slechts onzeker en afnemende, zoals de dagen zijn van alle mensen, maar geheel en volstrekt onnut. Er is in de dagen van een godvruchtige enige substantie, hij leeft op nuttige wijze, de dagen van een goddeloze zijn allen als een schaduw, ledig, nutteloos en waardeloos. Deze dagen zullen niet verlengd worden naar hij zich had voorgesteld, hij zal zijn dagen niet voor de helft volbrengen, Psalm 55:24. Hoewel zij worden verlengd, vers 12, boven hetgeen anderen verwachtten, zal toch zijn dag komen om te vellen. Hij zal het eeuwige leven niet hebben, en zo zal zijn lang leven op aarde van weinig waarde voor hem zijn. Gods grote twist met de goddelozen is, dat zij niet vrezen voor Zijn aangezicht, dat is op de bodem van hun goddeloosheid en snijdt hen af van alle zaligheid.