1 Samuël 24:10-16
Wij hebben hier Davids warme en aandoenlijke rede tot Saul, waarin hij tracht hem te overtuigen, dat hij een zeer groot oprecht deed met hem aldus te vervolgen, en hem daarom te bewegen om met hem verzoend te zijn.
1. Hij noemt hem vader, vers 12, want hij was niet alleen als koning de vader van zijn land, maar hij was ook in het bijzonder zijn schoonvader. Van een vader kan men medelijden verwachten en een gunstige mening. Het is voor een vorst even onnatuurlijk het verderf van een van zijn goede onderdanen te zoeken, als het voor een vader onnatuurlijk is om het verderf van zijn eigen kinderen te zoeken.
2. Hij legt de schuld van zijn woede tegen hem op zijn slechte raadslieden: Waarom hoort gij de woorden der mensen, vers 10.
Het is een bewijs van achting, die men aan gekroonde hoofden verschuldigd is als zij verkeerd handelen, om er de schuld van te geven aan de personen, die hen omringen, die hun of het verkeerde aangeraden hebben, of het hun afgeraden moesten hebben.
David had reden genoeg om te denken, dat Saul hem uit zuivere afgunst en boosaardigheid vervolgde, maar op betamelijke wijze onderstelt hij dat anderen er hem toe aangezet hebben, en hem hebben doen geloven dat hij zijn vijand is en zijn kwaad zoekt.
Satan, de grote beschuldiger van de broederen, heeft zijn agenten aan alle plaatsen, en inzonderheid aan het hof van die vorsten, die de personen aanmoedigen en hun gehoor verlenen, die het volk van God voorstellen als vijanden des keizers, kortingen en landschappen schade aanbrengende, opdat zij, aldus in berenhuiden gekleed zijnde, door de jagers vervolgd zouden worden.
3. Plechtig betuigt hij zijn eigen onschuld, dat het verre was van hem schade of kwaad tegen Saul te beramen.
Beken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad, noch overtreding is, vers 12. Geen misdaad kan mij ten laste worden gelegd, ik ben mij van geen schuld bewust, en zo gij in mijn hart kondet zien, gij zoudt zien dat ik oprecht ben in deze betuiging.
en ik tegen u niet gezondigd heb, ( hoe ik ook tegen God gezondigd heb), nochtans jaagt gij mijn ziel, dat is "mijn leven".
Misschien was het in deze tijd, dat David de zevende psalm gedicht heeft, over de woorden van Cush, de zoon van Jemini, dat is: Saul, zoals sommigen denken, waarin hij zich beroept op God, vers 4.
Indien er onrecht in mijn handen is, zo vervolge de vijand mijne ziel en achterhale ze, in een tussenzin betreffende de geschiedenis, verhaald in dit hoofdstuk, zeggende: "Ja ik heb die gered, die mij zonder oorzaak benauwde." 4. Hij geeft een onloochenbaar bewijs van de onwaarheid van het vermoeden, waarop Sauls boosaardigheid tegen hem berustte. David was beschuldigd Sauls kwaad te zoeken.
Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand, vers 12, laat die voor mij getuigen-en zij is een onwrikbare getuige-indien het waar was, waarvan ik beschuldigd ben, dan zou ik nu uw hoofd in mijn handen hebben en niet de slip van uw mantel, want ik zou dat even gemakkelijk hebben kunnen afsnijden als die. Ter versterking van dit bewijs toont hij hem:
a. Dat de leiding van Gods voorzienigheid hem er de gelegenheid toe heeft gegeven: dat de HEERE u heden in mijn hand gegeven heeft, waarin menigeen een wenk zou gezien hebben, dat het Gods wil was dat hij nu de beslissenden slag zou geven aan hem, die daar weerloos voor hem lag. Toen Saul slechts een klein voordeel had op David, riep hij: God heeft hem in mijn hand overgegeven, Hoofdstuk 23:7,
en besloot hij dat voordeel te gebruiken, maar David deed dit niet.
b. Dat zijn raadslieden en de personen, die bij hem waren, er hem ernstig toe gedrongen hebben. men zeide, dat ik u doden zou. Hij heeft Saul gelaakt wegens zijn horen naar de woorden van de mensen, en met recht, "want", zegt hij, "indien ik dit gedaan had, gij zoudt nu niet meer leven".
c. Dat hij het uit een goed beginsel geweigerd had, niet omdat zijn volgelingen in de nabijheid waren, die misschien zijn dood zouden gewroken hebben, neen, het was niet uit vrees voor hen, maar door de vreze Gods, dat hij er van teruggehouden werd. "Het is mijn heer en de gezalfde des Heeren, die ik behoor te beschermen en aan wie ik hulde en trouw verschuldigd ben, en daarom zei ik: geen haar van zijn hoofd zal ik krenken". Zo gelukkig kon hij zichzelf beheersen, dat aan zijn natuur niet toegelaten werd om tegen zijn beginselen te rebelleren, al was de verzoeking er toe ook nog zo sterk.
5. Hij verklaart vast besloten te zijn, nooit zijn eigen rechter te wezen, noch zichzelf te wreken. De Heere zal mij wreken aan u, dat is: "mij verlossen uit uw hand, maar, wat er ook geschiede: mijn hand zal niet tegen u zijn, vers 13, en weer in vers 14, Gelijk het spreekwoord der ouden zegt: "Van de goddelozen komt goddeloosheid voort, maar mijn hand zal niet tegen u zijn".
De wijsheid van de ouden wordt aan het nageslacht overgeleverd door hun spreekwoordelijke gezegden, velen van die ontvangen wij bij overlevering van onze vaderen, en in de samenleving zullen de mensen er zich voor hun raadgevingen op beroepen, en hoort men dikwijls: Zoals het spreekwoord zegt." Hier is er een, dat in Davids tijd in zwang was: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort, dat is:
a. De ongerechtigheid van de mensen zal hen ten laatste in het verderf storten. Aldus wordt het door sommigen verstaan. Wrevelige, onstuimige lieden zullen zich met hun eigen mes de hals afsnijden. Geef hun touw genoeg, en zij zullen zich verhangen. In deze zin komt het hier zeer gepast als een reden, waarom zijn hand niet tegen hem zal zijn.
b. Slechte mensen zullen slechte daden doen, naar van de mensen beginselen en neigingen zijn, zo zullen hun daden wezen: dit past in het verband. Indien David een slecht man ware geweest, zoals men hem heeft voorgesteld, dan zou hij die slechte daad gedaan hebben, maar hij durfde haar niet doen, om de vreze Gods.
Of aldus: Wèlk kwaad de mensen ons ook aandoen (waarover wij niet verwonderd moeten zijn wie onder doornen ligt, moet verwachten gekrabd te worden) toch moeten wij geen kwaad weerom doen, nooit schelden voor schelden vergelden, hoewel goddeloosheid van de goddeloze voortkomt, zo laat haar toch niet, bij wijze van weerwraak, van ons voortkomen. Ofschoon de hond blaft tegen het schaap, blaft het schaap toch niet tegen de hond. Zie Jesaja 32:6-8.
6. Hij poogt hem te doen inzien dat, gelijk het een slechte daad was, het ook een lage, minne daad was, om zo'n onaanzienlijk persoon, als David was, aldus na te jagen, vers 15.
Naar wien is de koning van Israël uitgegaan? Wien jaagt gij na? met al die ijver en al die macht? Naar een doden hond, naar een enige vlo!
Het is beneden zo groot een koning, om in het strijdperk te treden met iemand, die hem zo ongelijk is in macht, een van zijn eigen dienstknechten, die opgevoed werd als een arme schaapherder, en nu een balling is, evenmin instaat als gewillig om weerstand te bieden. Hem te overwinnen zal hem niet tot eer strekken, het te beproeven is zich te verkleinen.
Als Saul met zijn eigen roem te rade wil gaan, dan zal hij zo'n vijand minachten, (gesteld eens, dat hij wezenlijk zijn vijand was) en geen gevaar van hem duchten.
David was zo ver van naar hoge dingen te staan, dat hij in zijn eigen ogen als een dode hond was, Mefiboseth noemt zich aldus, 2 Samuël 9:8.
Deze nederige taal zou indruk gemaakt hebben op Saul, zo er nog een vonkje edelmoedigheid in hem was: "Satis est prostrasse leoni-het is de leeuw genoeg zijn prooi tenonder te hebben gebracht. "
Welke eer of roem zou het voor Saul wezen om een dode hond te vertreden? Welk genoegen kon het hem doen smaken om een enige vlo te jagen? Die (zoals sommigen hebben opgemerkt) als zij gezocht wordt, niet gemakkelijk wordt gevonden, indien zij gevonden wordt, niet gemakkelijk wordt gevangen, en, als zij gevangen wordt, toch slechts een armzalig iets is, inzonderheid voor een vorst.
"Aquila non captat muscas-de adelaar maakt geen jacht op vliegen."
David denkt dat Saul niet meer reden heeft hem te vrezen, dan een vlooienbeet te vrezen.
7. Wederom en nogmaals beroept hij zich op God als op de rechtvaardigen Rechter, vers 13 en 16. Doch de HEERE zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen en tussen u.
De gerechtigheid God is de toevlucht en troost voor de verdrukte onschuld. Doen de mensen ons onrecht, God zal ons recht doen, op zijn laatst in het oordeel van de groten dag. Aan Hem geeft David zijn zaak in handen, en aldus is hij tevreden en wacht zijn tijd af om voor Hem te verschijnen.