Psalm 25:8-14
Gods beloften zijn hier vermengd met Davids gebeden. Er waren vele gebeden in het eerste gedeelte van de psalm en vele in het laatste gedeelte, maar hier, in het midden van de psalm, denkt hij na over de beloften, en door een levend geloof laaft hij zich aan deze bron van vertroosting en wordt er door gesterkt, want de beloften van God zijn niet slechts de beste grond van gebed, ons zeggende waar wij om moeten bidden, en ons geloof en hoop in het gebed aanmoedigende, maar zij zijn ook een dadelijke verhoring van het gebed. Laat het gebed overeenkomstig de belofte wezen, dan zal de belofte als een antwoord op het gebed kunnen beschouwd worden, en wij moeten geloven dat het gebed verhoord is omdat de belofte vervuld zal worden. Maar in het midden van de beloften vinden wij een bede, die daar enigszins plotseling of onverwacht schijnt te komen en op vers 7 had moeten volgen. Het is de bede in vers 11, vergeef mijn ongerechtigheid. Maar gebeden om vergeving van zonden zijn nooit ongepast, wij mengen zonden in al onze daden en handelingen en daarom moeten wij gebeden mengen onder al onze Godsdienstige verrichtingen. Hij dringt op deze bede aan met een dubbele pleitgrond. De eerste is zeer natuurlijk: "Om Uws naam wil, Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want Gij hebt Uw naam bekend gemaakt als genadig en barmhartig, vergevende de ongerechtigheid, ter wille van Uw heerlijkheid en ter wille van Uw belofte, om Uws zelfs Wil," Jesaja 43:25. Maar de laatste is zeer verrassend verbazingwekkend: "vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot, en hoe groter zij is, hoe meer de Goddelijke barmhartigheid verheerlijkt zal worden in de vergeving ervan." Het is de heerlijkheid van een groot God, om grote zonden te vergeven, ongerechtigheid, overtreding en zonde te vergeven, Exodus 34, 7. "Zij is groot en daarom ben ik verloren, voor eeuwig verloren, indien de oneindige barmhartigheid niet tussenbeide treedt om haar te vergeven. Zij is groot, ik zie dat zij groot is." Hoe meer wij het snode inzien van onze zonden, hoe meer bevoegd wij zijn om genade van God te ontvangen. Als wij onze zonden belijden, moeten wij haar verzwaren.
Laat ons nu de grote en dierbare beloften in ogenschouw nemen, die wij in deze verzen hebben, en opmerken:
I. Aan wie deze beloften behoren, en wie er het voordeel van kunnen verwachten. Wij zijn allen zondaren, kunnen wij er dan enig voordeel van verwachten? Ja, vers 8. Hij zal de zondaars onderwijzen, of schoon zij zondaars zijn, want Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken, en te dien einde zondaars te onderwijzen, zondaars tot bekering te roepen.
Deze beloften zijn vast allen, die, hoewel zij zondaars waren en gedwaald hebben, thans toch Gods Woord bewaren. Zij zijn vast:
1. Allen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren, vers 10, die Zijn geboden nemen tot hun regel en Zijn beloften tot hun deel, die, God aangenomen hebbende om hun God te zijn, daarop leven en, zich aan Hem gegeven hebbende om Zijn volk te zijn, dienovereenkomstig leven. Hoewel zij door de zwakheid van het vlees soms het gebod overtreden zullen zij toch door een oprecht berouw, als zij ooit iets verkeerds doen, en een standvastig aankleven van God, door het geloof, als hun God, het verbond houden, en dat niet verbreken. 2. Allen, die Hem vrezen, vers 12, en opnieuw, vers 14, die ontzag hebben voor Zijn majesteit en Hem met eerbied aanbidden, zich onderwerpen aan Zijn gezag en Hem blijmoedig gehoorzamen, beducht zijn voor Zijn toorn, en vrezen Hem te beledigen.
II. Waar deze beloften op gegrond zijn, en wat ons aanmoedigt om er op te bouwen. Hier zijn twee dingen, die al de beloften bevestigen en bekrachtigen.
1. De volmaaktheden van Gods wezen. Wij schatten de belofte naar het karakter van hem, die haar doet, daarom kunnen wij rekenen op Gods beloften, want goed en recht is de Heere en daarom zal Hij Zijn woord nakomen. Hij is zo goed, dat Hij ons niet kan bedriegen, zo waar, dat Hij Zijn belofte niet kan verbreken Hij, die het beloofd heeft, is getrouw, die het ook doen zal. Hij was goed in het doen van de belofte en daarom zal Hij recht zijn in het vervullen ervan.
2. Alles wat Hij zegt en doet is in overeenstemming met de volmaaktheid van Zijn wezen vers 10. Alle paden des Heeren, dat is al Zijn beloften en alle beschikkingen van Zijn voorzienigheid zijn goedertierenheid en waarheid, Zij zijn zoals Hij zelf is: goed en recht. Alle handelingen van God met Zijn volk zijn overeenkomstig de goedertierenheid van Zijn bedoelingen en de waarheid van Zijn beloften, alles wat Hij doet vloeit voort uit liefde, verbondsliefde, en zij moeten er Zijn goedertierenheid in zien tentoongespreid, en Zijn woord vervuld. Welk een rijke vertroosting kan het wezen voor Godvruchtigen, te weten dat, welke beproevingen hen ook mogen treffen, alle paden des Heeren goedertierenheid en waarheid zijn, en aldus zullen zij ze bevinden, als zij aan het einde hunner reis zijn gekomen.
III. Waarin die beloften bestaan.
1. Dat God hen zal onderwijzen en hen zal leiden op de weg van hun plicht. Hierop wordt de meeste nadruk gelegd, omdat het een antwoord is op Davids gebeden, vers 4, 5, Maak mij Uwe wegen bekend en leid mij. Wij moeten onze gedachten het meest bepalen bij, en ons geloof oefenen ten opzichte van, de beloften, die het meest passen bij onze tegenwoordige toestand.
a. Hij zal zondaars onderwijzen in de weg, omdat zij zondaars zijn en dus onderwijs van node hebben. Als zij zichzelf als zondaars zien en onderwijs begeren, dan zal Hij hen de weg leren van verzoening met God, de weg tot een welgegronde vrede des gemoeds, en de weg naar het eeuwige leven. Door Zijn Evangelie maakt Hij die weg bekend aan allen, en door Zijn Geest opent Hij het verstand en leidt Hij boetvaardige zondaren die er naar vragen, op die weg. De duivel voert de mensen blindelings naar de hel, maar God verlicht de ogen van de mensen, stelt hun de dingen voor in het ware licht, en zo leidt Hij hen naar de hemel.
b. Hij zal de zachtmoedigen leiden, Hij zal de zachtmoedigen leren, hen, die nederig en gering zijn in hun eigen ogen, die zichzelf wantrouwen, die begeren onderwezen te worden en oprecht besloten zijn de Goddelijke leiding te volgen. Spreek, Heere, want Uw knecht hoort. Dezen zal Hij leiden in het recht, dat is: naar de regel van het geschreven Woord, Hij zal hen leiden in hetgeen practisch is en betrekking heeft op zonde en plicht, zodat zij een onergerlijk geweten kunnen bewaren, en Hij zal het op verstandige, oordeelkundige wijze doen (aldus sommigen) dat is: Hij zal hen leiden naar hun toestand het behoeft, Hij zal de zondaren onderwijzen met wijsheid, tederheid en mededogen en naar zij instaat zijn het te dragen. Hij zal hen Zijn weg leren. Alle Godvruchtige mensen maken Gods weg tot hun weg, en wensen dat hen die geleerd zal worden, en die dat wensen zullen op die weg ook geleid worden
c. Hij, die de Heere vreest, zal door Hem onderwezen worden in de weg, allen hij zal hebben te verkiezen, hetzij in de weg, die God zal verkiezen, of die de Godvruchtige zal verkiezen. Het komt op hetzelfde neer, want hij die de Heere vreest, verkiest de dingen, die Hem welbehaaglijk zijn. Als wij de rechten weg kiezen, dan zal Hij, die ons in onze keus bestuurde, onze gangen besturen. Als wij de weg wijselijk kiezen, zal God ons genade geven om er met wijsheid op te wandelen.
2. Dat God hen gerust zal maken, vers 13. Zijn ziel zal gerust wezen of zal vernachten in het goede. Wat hen betreft, die zich wijden aan de vreze Gods en zich overgeven om door God onderwezen te worden, het is hun eigen schuld als zij niet gerust zijn. De ziel, die door de genade Gods is geheiligd, en nog veel meer die vertroost is door de vrede Gods woont veilig en gerust. Zelfs als het lichaam ziek is en pijn lijdt, kan de ziel toch gerust zijn in God, tot Hem weerkeren en in Hem haar rust vinden. Er gebeurt veel, dat ons onrustig maakt, maar er is in het verbond van de genade genoeg om tegen dit alles op te wegen en ons gerust te doen zijn.
3. Dat Hij aan hen en de hunnen zoveel van deze wereld zal geven als goed voor hen is, zijn zaad zal de aarde beërven. Na de zorg voor onze ziel komt de zorg voor ons zaad en God heeft een zegen weggelegd voor het geslacht van de oprechten. Zij, die God vrezen, zullen de aarde beërven, zullen er van hebben wat voldoende voor hen is, en hun gebeden zullen, als zij heengegaan zijn van de aarde, een zegen doen komen over hun kinderen.
4. Dat God hen in de verborgenheid van Zijn gemeenschap zal toelaten, vers 14. De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen. Zij verstaan Zijn Woord, want zo iemand wil deszelfs wil doen, die zal weten van deze leer, dat zij uit God is, Johannes 7:17. Zij, die de waarheid ontvangen in liefde en de kracht ervan ervaren verstaan er het best de verborgenheid van. Zij kennen de betekenis van Zijn voorzienigheid, weten beter wat God met hen doet dan anderen het weten. "Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik doe" Genesis 18:17. Hij noemt hen niet dienstknechten, maar vrienden, zoals Hij Abraham genoemd heeft. Zij kennen door ervaring de zegeningen van het verbond en het genot van die gemeenschap, welke Godvruchtige zielen hebben met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. Deze eer hebben al Zijn heiligen.