2 Samuël 1:17-27
David had zijn klederen gescheurd, hij had geweeklaagd, en geweend en gevast om de dood van Saul, hij had gerechtigheid geoefend aan hem, die er zich schuldig aan had gemaakt, en nu zou men denken dat hij de schuld van eer aan zijn nagedachtenis ten volle had betaald, toch is dit nog niet alles, wij hebben hier ook een gedicht, dat hij bij deze gelegenheid geschreven heeft, want hij wist meesterlijk de pen te voeren zowel als het zwaard te hanteren. Door deze elegie bedoelde hij uiting te geven aan zijn eigen smart over deze grote ramp, en ook die smart teweeg te brengen bij anderen, die deze ramp ter harte moesten nemen. Door rouwklagen in dichtmaat te brengen, worden zij:
1. Aandoenlijker en maken zij meer indruk. Wat er in het hart van de dichter of zanger omgaat, wordt op verwonderlijke wijze meegedeeld aan de lezers of hoorders.
2. Duurzamer. Aldus werden zij niet slechts ver verspreid, maar bleven zij van geslacht tot geslacht. Diegenen kunnen nog kennis verkrijgen door gedichten, die geen geschiedenis willen lezen. Nu hebben wij hier:
I. De orders, die David gaf met deze elegie vers 18 :
Als hij gezegd had, dat men den kinderen van Juda (zijn eigen stam, wat anderen ook mochten doen) den boog zou leren, hetzij:
1. De boog, gebruikt in de krijg. Niet alsof de kinderen van Juda het gebruik van de boog niet kenden-lang tevoren werd hij reeds zo algemeen gebruikt in de krijg, dat met zwaard en boog alle krijgswapenen bedoeld werden, Genesis 48:22 -maar misschien hadden zij in de laatsten tijd meer gebruik gemaakt van slingers, zoals David toen hij Goliath gedood heeft, omdat zij goedkoper waren, en David wilde hen nu het ongerief daarvan doen zien (want het waren de boogschutters van de Filistijnen, die zo dicht aanhielden op Saul, 1 Samuël 31:3) hen weer doen terugkeren tot het algemeen gebruik van de boog, dat zij zich zouden oefenen in het hanteren van dat wapen, teneinde instaat te zijn de dood van hun vorst op de Filistijnen te wreken, en hen met hun eigen wapen te overtreffen.
Het was jammer dat zij, die zo'n goed hoofd en een goed hart hadden als de kinderen van Juda, niet goed gewapend waren. David toonde hiermede zijn gezag over en zorg voor de heirscharen Israëls en legde er zich op toe om de dwalingen en vergissingen van de vorige regering te herstellen.
Maar wij bevinden dat de troepen, die nu tot David kwamen te Ziklag, met bogen gewapend waren, 1 Kronieken 12:2. Daarom:
2. Verstaan sommigen het of van het een of ander muziekinstrument, de boog genaamd, waarop hij wilde dat deze treurzangen gezongen zouden worden, of wel van de elegie zelf, hij had gezegd dat men de kinderen van Juda "kashet", de boog zou leren dat is: dit lied, dat aldus genoemd werd om de wille van Jonathans boog, wiens verrichtingen er mee hier bezongen worden. Mozes gebood Israël om zijn lied te leren, Deuteronomium 31:19, en zo gebood David hun om het zijne te leren. Waarschijnlijk beval hij de Levieten hen te onderwijzen. Het is geschreven in het boek van Jashar, of des oprechten, waar het bewaard werd, en vandaar overgeschreven werd in deze geschiedenis. Dat boek was waarschijnlijk een verzameling van staatsgedichten, wat gezegd wordt in dat boek geschreven te zijn, Jozua 10:13, is ook dichterlijk, een fragment van een historisch gedicht.
Zelfs liederen zouden vergeten worden en verloren gaan, indien zij niet in geschrifte werden gebracht, de beste bewaarplaats van de kennis.
II. De elegie zelf. Het is geen Goddelijke hymne, noch werd zij geschreven onder Goddelijke ingeving om bij de openbaren eredienst te worden gebruikt, er wordt ook geen melding in gemaakt van God, maar het is een menselijk gedicht, en daarom werd het niet opgenomen in het boek van de psalmen, dat, van Goddelijke oorsprong ziende, bewaard is gebleven, maar in het boek van Jashar, of des oprechten, dat, slechts een verzameling zijnde van gewone dichtstukken, reeds lang verloren is.
Deze elegie doet David kennen:
1. Als een men van een voortreffelijken geest, en wel in vier opzichten.
A. Hij was zeer edelmoedig jegens Saul, zijn gezworen vijand. Saul was zijn schoonvader, zijn souverein en de gezalfde des Heeren, daarom heeft hij, hoewel hij hem zeer veel kwaad gedaan heeft, zijn wrok niet gekoeld aan zijn nagedachtenis, toen hij in zijn graf was, maar als een Godvruchtig man en een man van eer:
a. Verbergt hij zijn fouten, en hoewel het niet te voorkomen was, dat die in zijn geschiedenis gezien zullen worden, zal er toch geen melding van worden gemaakt in deze elegie.
De liefde leert ons in iedereen het beste te zien, en van hen, van wie wij geen goeds kunnen zeggen, niets te zeggen, inzonderheid als zij niet meer zijn.
"De mortuis nil nisi bonum, (zeg van de doden niets dan goeds)." Wij moeten ons de voldoening ontzeggen van persoonlijke aanmerkingen te maken op hen, die beledigend of boosaardig voor ons geweest zijn, en nog veel meer moeten wij ons er voor wachten om hun karakter te beschrijven naar hetgeen zij jegens ons misdaan kunnen hebben, alsof iedereen noodzakelijkerwijs een slecht mens moet zijn omdat hij ons kwaad gedaan heeft.
Laat hei verdorven deel van de nagedachtenis begraven worden met het verdorven deel van de mens, de aarde tot de aarde, het stof tot het stof, laat het gebrek verborgen worden, en een sluier worden geworpen over de mismaaktheid.
b. Hij bezingt hetgeen prijzenswaardig in hem was. Hij looft hem niet voor wat hij niet was: hij zegt niets van zijn Godsvrucht of van zijn trouw. De lof in lijkredenen, die in strijd is met de waarheid, strekt hun niet tot eer aan wie hij ten onrechte toegezwaaid wordt, maar wel zeer tot oneer aan hen, die deze lof zo verkeerdelijk toepassen. Maar tot eer van Saul kan hij zeggen: Ten eerste. Dat hij met olie gezalfd is geweest, vers 21, de heilige olie, die zijn verheffing tot en zijn bekwaammaking voor de regering te kennen geeft. Wat hij overigens ook moge geweest zijn, `de kroon van de zalfolie zijns Gods was op hem", zoals van de hogepriester gezegd wordt, Leviticus 21:12, en dieswege moest hij geëerd worden, want God, de bron en oorsprong van de eer, had hem geëerd.
Ten tweede. Dat hij een krijgsman was, een held vers 19 21, dat hij dikwijls heeft gezegevierd over de vijanden van Israël, en hen beroerde overal waar hij zich wendde. 1 Samuël 14:47.
Zijn ongeluk en val ten laatste moeten zijn vroegere diensten en voorspoed niet doen vergeten. Hoewel zijn zon ondergegaan is onder een wolk, was er toch een tijd dat zij helder aan de hemel heeft geschenen.
Ten derde. Dat hij in samenvoeging met Jonathan een man was van een aangenamer gemoedsaard, waardoor hij zich in de genegenheid des volks heeft aanbevolen, vers 23. Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden, zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen, Jonathan is dit altijd geweest, en Saul was het zolang als hij in eensgezindheid met hem samenwerkte. Neem hen tezamen, en in het vervolgen van de vijand, dan zijn er nooit mannen geweest stoutmoediger en dapperder dan zij, zij waren lichter of sneller dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen.
Merk op: zij die het vurigst en geweldigst waren in de strijd, waren niet minder aangenaam en lieflijk tehuis, even beminnelijk voor de onderdaan als geducht voor de vijand, er was een zeldzame vermenging in hen van zachtheid en scherpheid, waardoor iemands gemoedsaard zeer gelukkig wordt.
Het kan verstaan worden van de harmonie en genegenheid die meestentijds tussen Saul en Jonathan bestaan hadden, zij waren lieflijk en aangenaam voor elkaar.
Jonathan was een gehoorzame zoon, Saul een liefhebbende vader, en daarom waren zij elkaar dierbaar in hun leven, en in hun dood zijn zij niet gescheiden, maar hielden zij zich dicht bij elkaar in hun weerstand tegen de Filistijnen, en zijn zij tezamen gevallen voor dezelfde zaak.
Ten vierde. Dat hij zijn land verrijkt had met de buit van de overwonnen volken, en een fraaier klederdracht had ingevoerd.
Toen zij een koning hadden zoals de volken, moesten zij ook klederen hebben zoals de volken, en hierin was hij zeer bijzonder verplichtend geweest jegens zijn vrouwelijke onderdanen, vers 24 :Gij, dochteren Israëls, weent over Saul, die u kleedde met scharlaken, met weelde, die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding, dat haar een verlustiging was.
B. Hij was zeer dankbaar jegens Jonathan zijn gezworen vriend. Behalve de tranen, die hij over hem heeft geweend, en de lof, die hij hem in vereniging met Saul toegekend heeft, vermeldt hij hem nog met bijzondere onderscheiding, vers 25, Jonathan is verslagen op uw hoogten, vergeleken met vers 19, geeft dit te kennen dat hij hem bedoelde met het sieraad Israëls, dat, zegt hij hier, verslagen is op de hoogten. Hij betreurt Jonathan als zijn particulieren vriend, vers 26, mijn broeder Jonathan, niet zozeer om wat hij voor hem geweest zou zijn, indien hij in het leven ware gebleven, zeer dienstbaar ongetwijfeld voor zijn bevordering op de troon, en het middel om die langdurige worsteling te voorkomen, die hij, wegens gebrek aan hulp, met het huls van Saul gehad heeft-ware dit de enige reden geweest van zijn smart, zij zou zelfzuchtig zijn geweest-maar hij betreurde hem om hetgeen hij geweest is: "gij waart mij zeer lieflijk maar dat lieflijke is nu weg, en daarom ben ik benauwd om uwentwil".
Hij had reden te zeggen dat Jonathans liefde voor hem wonderlijk was, nooit voorzeker was het gezien dat iemand een persoon liefhad, die hij wist de kroon te zullen dragen, waarvan hij de erfgenaam was, en zo getrouw was aan zijn mededinger, dit ging huwelijksliefde en trouw zeer verre teboven. Zie hier:
a. Dat er in deze wereld niets kostelijker en heerlijker is dan een ware vriend, een vriend, die wijs en Godvruchtig is, die onze liefde met wederliefde beantwoordt, ons trouw is voor al onze ware belangen.
b. Dat niets smartelijker is dan het verlies van zo'n vriend, het is een scheiden van een deel van onszelf. Het is een kenmerk van de ijdelheid van deze wereld, dat wij in hetgeen ons het lieflijkst is, het smartelijkst worden getroffen. Hoe meer wij liefhebben, hoe dieper onze smart is.
C. Dat hem de eer Gods zeer ter harte ging, want die is het, waarop hij het oog heeft, als hij vreest dat de dochters van de onbesnedenen, die buiten Gods verbond zijn, triomferen over Israël en over de God Israëls, vers 20. Godvruchtige mensen worden diep en smartelijk getroffen door de smaad van hen, die God smaden.
D. Hij was zeer bezorgd voor het openbare welzijn. Het was het sieraad Israëls, dat verslagen was, vers 19, en de openbare eer was hierdoor verduisterd. De helden zijn gevallen, driemaal wordt deze klacht aangeheven, vers 19, 25, 27, en hierdoor is de kracht des volks verzwakt. David hoopte dat hij in Gods hand het middel zal zijn om die verliezen te herstellen, en toch betreurt hij ze.
2. David betoont zich hier als een man van een grote en schone verbeeldingskracht, zowel als een wijs en heilig man. De uitdrukkingen zijn allen voortreffelijk, en wel geschikt om op het gevoel te werken.
a. Zeer sierlijk is de wijze, waarop hij beslag wenst te leggen op de faam, vers 20. Verkondigt het niet te Gath. Het smartte hem in zijn ziel te denken, dat dit bekend zal gemaakt worden in de steden van de Filistijnen, en dat zij er Israël om zouden honen, en dit temeer bij de herinnering aan Israëls vroegere triomfen over hen toen er gezongen werd: Saul heeft zijn duizenden verslagen, dat nu op hem teruggeworpen zou worden.
b. De vloek, die hij uitspreekt over de bergen van Gilboa, het toneel van deze tragedie, noch dauw, noch regen moet zijn op u, noch velden der hefofferen, vers 21. Dit is een dichterlijke uitdrukking, zoals die van Job: "de dag verga waarin ik geboren ben". Niet alsof David wenste, dat enig deel van het land Israëls onvruchtbaar zou zijn, maar om zijn smart uit te drukken over de zaak spreekt hij als met toorn van de plaats. Merk op:
a. Hoe de vruchtbaarheid van de aarde afhankelijk is van de hemel. Het ergste wat hij aan de bergen van Gilboa kon toewensen was onvruchtbaarheid en nutteloosheid voor de mens, ongelukkig zijn zij, die onnut zijn, het was Christus' vloek over de vijgeboom: "uit u worde geen vrucht meer in van de eeuwigheid" en die vloek was van kracht, `de vijgeboom verdorde terstond", deze vloek over de bergen van Gilboa heeft geen uitwerking gehad, maar toen hij ze onvruchtbaar wenste, wenste hij dat er geen regen op zou zijn, en als de hemel koper is, dan zal de aarde spoedig ijzer zijn.
b. Hoe de vruchtbaarheid van de aarde daarom toegewijd moet zijn aan de hemel, hetgeen te kennen wordt gegeven doordat hij de vruchtbare velden velden van de hefofferen noemt. Die vruchten van hun land, welke aan God geofferd werden, waren er de kroon en heerlijkheid van, en daarom is het falen van de hefofferen het treurigst gevolg van het falen van het koren. Zie Joël 1:9.
Gebrek te hebben aan hetgeen, waarmee wij God zouden eren, is erger dan gebrek te hebben aan hetgeen, waarmee wij ons moeten voeden en onderhouden. Dit is de smaad, die David uitstort over de bergen van Gilboa, dat zij, gedrenkt zijnde met koninklijk bloed, hierdoor de dauw des hemels hebben verbeurd. In deze elegie had Saul een eervoller begrafenis dan die welke de mannen van Jabes in Gilead hem hebben gegeven.