Spreuken 14:13
Dit toont de ijdelheid aan van vleselijke vrolijkheid, en bewijst wat Salomo tot het lachen gezegd heeft, namelijk dat het onzinnig is, want:
1. Er schuilt droefheid onder. Als zondaren soms onder overtuiging van zonde zijn, of als hun een grote ramp of benauwdheid overkomt verbloemen zij hun smart onder een gedwongen vrolijkheid, tonen er een goed gelaat onder, omdat zij de schijn niet willen hebben van zich gewonnen te geven, zich te onderwerpen, zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft, ja meer, als de mensen werkelijk vrolijk zijn is er toch nog het een of andere bittere bijmengsel in hun vrolijkheid, een nevel, die er overheen komt, en die zij niet van hun hart kunnen verdrijven. Hun geweten zegt hun dat zij geen reden hebben tot vrolijkheid, Hosea 9:1, zij moeten er wel het ijdele van inzien. Geestelijke blijdschap heeft haar zetel in de ziel, de blijdschap van de geveinsde is slechte schijn. Zie Johannes 16:22, 2 Corinthiers 6:10.
2. Er is erger, dat daarna komt: het laatste van die blijdschap is droefheid, zij is spoedig voorbij, als het geluid van de doornen onder een pot, en als het geweten ontwaakt is, zal over alle zondige, onheilige vrolijkheid met bitterheid worden nagedacht, indien niet, dan zal de droefheid nog zoveel groter zijn, als God om alle deze dagen de zondaar zal doen komen voor het gericht. De droefheid van de heiligen zal eindigen in eeuwige blijdschap, Psalm 126:5, maar het lachen van de zotten zal eindigen in eindeloos wenen en weeklagen.