Deuteronomium 33:26-29
Dit zijn de laatste woorden van allen, die Mozes, de grote schrijver, de grote gezagvoerder, hetzij zelf geschreven heeft, of die van hem geschreven zijn, en zij zijn dus zeer merkwaardig, en ongetwijfeld zullen wij ze ook van groot nut bevinden. Mozes, de man Gods, die evenveel reden heeft gehad als ooit een bloot mens gehad heeft, om beide God en Israël te kennen, heeft met zijn laatste ademtocht de God Israëls en het Israël Gods groot gemaakt. Beiden zijn in zijn oog onvergelijkelijk, en wij zijn er zeker van dat in dit zijn oordeel zijn oog niet was verduisterd.
I. Geen God zoals de God Israëls. Geen van de goden van de heidenen was instaat om voor zijn aanbidders te doen wet JHWH deed voor de Zijnen, vers 26. Niemand is er gelijk God, o Jeschurun. Als wij verwachten dat God ons zal zegenen in ons wèl te doen, dan moeten wij Hem zegenen door wèl van Hem te spreken, en een van de plechtigste manieren van God te loven bestaat in te erkennen dat niemand Hem gelijk is.
1. Dit was de eer van Israël, ieder volk roemde op zijn God, maar geen volk had zo'n God om op te roemen als Israël.
2. Het was hun geluk en welzijn dat zij in verbond waren opgenomen met zo'n God. Van twee dingen neemt hij hier nota als bewijzen van de onbetwistbare uitnemendheid van de God van Jeschurun boven alle andere goden.
a. Zijn souvereine macht en heerschappij, Hij vaart op de hemel, en met de grootste statigheid en pracht op de bovenste wolken. Op de hemel te varen duidt Zijn grootheid en heerlijkheid aan, waarin Hij zich openbaart aan de bovenwereld, en het gebruik, dat Hij maakt van de invloeden des hemels en de voortbrengselen van de wolken om Zijn eigen doeleinden tot stand te brengen in deze lagere wereld. Hij bestuurt ze zoals een man zijn paard bestuurt. Als Hij iets te doen heeft voor Zijn volk dan vaart (of rijdt) Hij op de hemel om het te doen, want Hij doet het snel en krachtig, geen vijand kan Hem voor zijn of de voortgang stuiten van Hem, die op de hemel rijdt.
b. Zijn oneindige eeuwigheid, Hij is de eeuwige God, en Zijn armen zijn eeuwige armen, vers 27. De goden van de heidenen waren pas onlangs verzonnen en zullen weldra vergaan, maar de God van Jeschurun is eeuwig, Hij was vóór alle werelden, en zal zijn als er geen tijd en geen dagen meer zijn zullen. Zie Habakuk 1:12.
II. Er is geen volk gelijk het Israël Gods. Iedere stam gelukkig genoemd hebbende, noemt hij hen allen tezamen zeer gelukkig, zó gelukkig in alle opzichten, dat er geen volk was onder de zon dat hun gelijk was, vers 29. Welgelukzalig zijt gij, o Israël, een volk, welks God de Heere is, reeds daarom in waarheid gelukzalig, en niemand is u gelijk. Als Israël God eert als een God bij wie niemand te vergelijken is, dan zal Hij hun zoveel gunst verlenen, dat geen volk hun gelijk is, zij zullen de afgunst van al hun naburen zijn, en de vreugde van allen, die het goede voor hen wensen. Wie is u gelijk, o volk? Zie, gij zijt schoon, "Mijn vriendin, zegt Christus tot Zijn bruid. Waarop zij onmiddellijk antwoord": Zie, Gij zijt schoon, mijn liefste. Welk volk (neen, niet al de volken tezamen) is gelijk Uw volk Israël? 2 Samuël 7:23. Wat hier gezegd is van de kerk van Israël en de eer en voorrechten er van, kan gewis toegepast worden op de kerk van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven is. De Christelijke kerk is het Israël Gods, zoals de apostel haar noemt, Galaten 6:16, over hetwelk vrede zal wezen, en die verwaardigd is boven iedere gemeenschap van mensen in de wereld, zoals Israël dit geweest is.
1. Nooit was een volk zo wèl bevestigd en beschut vers 27. De eeuwige God zij u een woning) waarin gij veilig en gerust kuntleven, zoals een mens in zijn huis. Ieder Israëliet is ook inderdaad thuis in God, de ziel keert tot Hem weer en rust in Hem, als in haar rustplaats, Psalm 116:7, haar verberging, Psalm 32:7. En zij die Hem tot hun woning maken, zullen al de vertroostingen en weldaden hebben van een woning in Hem, Psalm 91:1. Mozes had het oog op God als de woning Israëls toen zij omdwaalden in de woestijn, Psalm 90:1. Heere, Gij zijt ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslacht. En nu zij zich gingen vestigen in Kanaän, moeten zij niet van woning veranderen, nog zullen zij de eeuwige God nodig hebben voor hun toevlucht en Hem hebben, zonder Hem zou Kanaän zelf een woestijn wezen en een land van duisternis.
2. Nooit was een volk zo wèl ondersteund en geholpen, van onderen zijn de eeuwige armen, dat is: de almachtige kracht van God wordt aangewend tot bescherming en vertroostingvan allen, die op Hem betrouwen, in hun grootste verlegenheid en benauwdheid en onder de zwaarste lasten.
a. De eeuwige armen zullen de belangen van de kerk ondersteunen in het algemeen, opdat zij niet vermindere of terneer worde geworpen, onder de kerk is die Rots van de eeuwen, waarop zij gebouwd is, en tegen welke de poorten van de hel nooit zullen overwinnen, Mattheus 16:18.
b. De geest het hart van particuliere gelovigen, zodat zij wel gedrukt maar nooit overweldigd zullen worden door enigerlei benauwdheid. Hoezeer de kinderen Gods te eniger tijd ook naar beneden gebracht worden, de eeuwige armen zijn onder hen, om hun hart voor bezwijken te behoeden, en hun geloof voor wankelen of falen, zelfs als zij bovenmate gedrukt worden. Het eeuwige verbond en de eeuwige vertroostingen, die er uit voortvloeien, zijn in waarheid eeuwige armen, waarmee de gelovigen wonderbaarlijk ondersteund werden, en goedsmoeds gehouden werden in de zwaarste tijden. Gods genade is hun genoeg, 2 Corinthiërs 12:9.
3. Nooit is een volk onder zo goede aanvoering ten strijde gegaan. Hij zal de vijand voor uw aangezicht verdrijven door Zijn almachtige kracht, die plaats voor u zal maken, en door een opdracht, waarin gij ondersteund en geholpen zult worden, Hij zal zeggen: "Verdelg hen". Zij gingen nu een land binnentrekken, dat in het volle bezit was van een sterk en geducht volk, en dat, er het eerst in gevestigd zijnde, zich als de rechtmatige eigenaar er van beschouwde, hoe zal nu Israël hun verdrijving kunnen rechtvaardigen, en hoe zullen zij haar ten uitvoer kunnen brengen?
a. God zal hun de opdracht geven om de Kanaänieten te verdelgen, en die opdracht zal hen rechtvaardigen tegenover de gehele wereld. Hij, die de oppermachtige Heere is van alle levens en van alle landen, liet de kinderen Israëls niet slechts toe bezit te nemen van het land Kanaän, en de bewoners van Kanaän over de kling te jagen, maar heeft het hun uitdrukkelijk geboden. Aldus gemachtigd zijnde hebben zij dit niet slechts wettig mogen doen zonder dat hun hierom door wie het ook zij enigerlei blaam hetzij van diefstal of van moord aangewreven kon worden, maar het ook in gehoorzaamheid aan God moeten doen. b. God zal hun de macht en de bekwaamheid geven om hen te verdelgen, ja eigenlijk zal Hij het zelf doen, Hij zal de vijand voor uw aangezicht uitdrijven, vers 27, want reeds de vrees of schrik Israëls zal hen op de vlucht doen gaan. God heeft de heidenen uit de bezitting verdreven om Zijn volk te planten, Psalm 44:3. Zo zijn de gelovigen meer de overwinnaars over hun geestelijke vijanden, door Christus, die hen heeft liefgehad. De overste Leidsman van onze zaligheid heeft de vijand van voor ons aangezicht verdreven, toen Hij de wereld heeft overwonnen en de overheden en de machten heeft uitgetogen aan het kruis, en tot ons komt het woord van bevel: "Verdelg hen, vervolg de overwinning, en gij zult de roof delen."
4. Nooit was een volk zo wel beveiligd en beschermd, vers 28. Israël dan zal zeker alleen wonen. Zij, die in God wonen, maken Zijn naam tot hun toevlucht, hun hoog vertrek. Zij wonen in de hoogten, de sterkten van de steenrotsen zullen hun hoog vertrek zijn, Jesaja 33:16. Zij zullen zeker, veilig, alleen wonen.
a. Ofschoon zij alleen wonen, geen verdrag of verbintenis met hun naburen hebben gesloten en geen reden hebben om hulp en bijstand van iemand hunner te verwachten, zullen zij toch zeker, dat is: veilig wonen, zij zullen wezenlijk veilig zijn, en zullen zich ook veilig geloven.
b. Omdat zij alleen wonen, zij zullen veilig wonen, zolang zij rein blijven, en onvermengd met de heidenen, een bijzonder en eigenaardig volk. Hun onderscheiding van andere volken heeft hen wel als een gesprenkelde vogel gemaakt, Jeremia 12:9, en hen blootgesteld aan de kwaadwilligheid van hen, die hen omringden maar in werkelijkheid was zij hun bewaring voor het kwaad, dat hun naburen hun toewensten, daar zij hen onder de bescherming Gods hield. Allen, die zich dicht bij God houden, zullen veilig bij Hem bewaard blijven. Er is beloofd dat in het koninkrijk van Christus, Israël zeker zal wonen, Jeremia 23:6.
5. Nooit was een volk zo wel verzorgd, Jakob's fontein, dat is het tegenwoordige geslacht van dat volk, dat als een fontein is voor alle stromen, die later er uit zullen ontstaan of er van afgeleid zullen worden, zal nu weldra in een goed land gevestigd zijn. jakobs oog (zoals het ook gelezen kan worden, want hetzelfde woord betekent zowel fontein als oog) is op een land van koren en most, dat is: waar zij nu gelegerd waren hadden zij Kanaän in hun oog, het lag vlak voor hen, aan de overzijde van de rivier, en weldra zullen zij het in hun handen en onder hun voeten hebben. Dit land, waar zij het oog op hadden, was gezegend beide met de vettigheid van de aarde en met de dauw des hemels, het was een land van koren en wijn, degelijke en nuttige voortbrengselen. Ook zal zijn hemel (alsof de hemel zeer bijzonder bestemd was om een zegen te zijn voor dat land) van dauw druipen, zonder welke, al was de grond nog zo goed, het koren en de wijn spoedig zouden falen. Ieder Israëliet heeft zijn oog, het oog des geloofs, op het betere land, het hemelse Kanaän, dat rijkelijk voorzien is van betere dingen dan koren en wijn.
6. Nooit was een volk zo goed geholpen, als zij in enigerlei verlegenheid of benauwdheid waren, reed God zelf op de hemel tot hun hulp, vers 26. En zij waren een volk, verlost door de Heere, vers 29. Als zij in gevaar waren van enigerlei kwaad of gebrek hadden aan enig goed, dan hadden zij een eeuwige God, tot wie zij zich konden wenden, en een almachtige kracht om op te steunen. Niets kon hen schaden, die door God werden geholpen, en het was niet mogelijk dat het volk zou omkomen, hetwelk verlost was door de Heere. Zij, die toegedaan worden tot het Israël des Evangelies zullen zalig, dat is verlost worden Handelingen 2:i7. 7. Nooit was een volk zo goed gewapend, God zelf was het schild hunner hulp, door wie zij gewapend waren ter verdediging en genoegzaam beschermd tegen alle aanvallers, en Hij was het zwaard hunner hoogheid, omdat Hij, door voor hen te strijden, hen voortreffelijk heeft gemaakt boven andere volken, of omdat Hij in alles wat Hij voor hen deed het oog had op Zijn heiligdom onder hen, dat de heerlijkheid van Jakob wordt genoemd, Psalm 47:5, Ezechiël 24:21. Zij, in wier hart de heerlijkheid van de heiligheid is hebben God zelf tot hun schild en zwaard, en worden beschermd door de gehele wapenrusting Gods, Zijn woord is hun zwaard, en het geloof in dit woord is hun schild, Efeziers 6:16, 17 6,.
8. Nooit was een volk zo wel verzekerd van de overwinning over hun vijanden. Zij zullen zich geveinsdelijk aan u onderwerpen, dat is: zij zullen gedwongen zijn zich aan u te onderwerpen, zeer tegen hun zin en wil, zodat het slechts een nagemaakte of geveinsde onderwerping zijn zal. Toch zal het doel worden bereikt, want gij zult op hun hals treden, zoals de LXX die zin overzetten, en wij zien dit geschied, Jozua 10:24. Gij zult op hun sterkten treden, al zijn die ook nog zo hoog, en hun paleizen en tempels vertreden, al zijn die ook nog zo heilig geacht. "lndien uw vijanden leugenaars tegen u worden bevonden (zo lezen sommigen de tekst) dan zult gij op hun hoogten treden, indien zij niet gehouden willen worden door de banden van verbonden of verdragen, dan zullen zij verbroken worden door de oorlog". Aldus zal de God des vredes Satan onder de voeten van alle gelovigen verpletteren, en Hij zal dit haust doen Romeinen 16:20. `
Neem nu dit alles tezamen, en gij zult zeggen: Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Driewerf zalig het volk, welks God de Heere is.