2 Koningen 4:8-17
Het geven van een zoon aan ouden van dagen die lang kinderloos waren, is vanouds een voorbeeld geweest van de Goddelijke macht en gunst, in het geval van Abraham, en Izak, en Manoach, en Elkana, hier vinden wij het als een wonder, gedaan door Elisa. Het werd gedaan ter beloning van de vriendelijke gastvrijheid, die een Godvruchtige vrouw hem had verleend, zoals de belofte van een zoon aan Abraham gegeven werd toen hij engelen onthaalde. Let hier op:
I. De vriendelijkheid van de Sunamietische vrouw voor Elisa. Het is slecht genoeg gesteld in Israël, maar toch niet zo slecht, of Gods profeet vindt nog vrienden, overal waar hij heengaat. Sunem was een stad in de stam van Issaschar, die aan de weg lag tussen Samaria en de berg Karmel, een weg, die Elisa dikwijls bereisde, zoals wij zien in Hoofdstuk 2:25. Daar woonde een aanzienlijke vrouw, die een goed huis hield en zeer gastvrij was, daar haar echtgenoot een goede bezitting had, en zijn hart op haar vertrouwde, op haar en op haar verstandig bestuur van zijn huishouding, Spreuken 31:31. Zo'n vermaarde man als Elisa kon daar niet onopgemerkt heen en weer voorbijgaan. Waarschijnlijk placht hij ergens in een afgelegen plaats van de stad zijn intrek te nemen, maar daar het eens ter kennis kwam van deze vrome vrouw, dat hij daar was, drong zij hem om bij haar in huis het middagmaal te gebruiken, waarin hij, nadat zij lang had aangehouden, toestemde, vers 9. Hij was bescheiden en wars van last of moeite te veroorzaken, nederig, en streefde niet naar omgang met hen, die tot de hoogste stand in de maatschappij behoren, zodat het niet zonder moeite was, dat hij er toe gebracht werd om met dat gezin bekend te worden, maar later heeft hij, als hij op zijn reizen daar doortrok, er altijd een bezoek gebracht. Zij was zó ingenomen met haar gast, en zó begerig naar zijn gezelschap, dat zij hem niet slechts welkom wil heten aan haar tafel, maar ook een logeerkamer voor hem gereed wil maken in haar huis, zodat hij er langer kan blijven, niet twijfelende of haar huls zou om zijnentwil gezegend worden, en allen die onder haar dak waren, gesticht worden door zijn onderricht en Godvruchtig voorbeeld. Het was een goed plan, maar zij wil het niet ten uitvoer brengen zonder er haar man mee bekend te maken, zij wil noch zijn geld uitgeven, noch vreemdelingen uitnodigen om in zijn huis te komen, zonder zijn toestemming te vragen en te verkrijgen, vers 9, 10. Zij zegt hem dat:
1. De vreemdeling, die zij wil uitnodigen een heilige man Gods is, die daarom goed zou doen aan hun gezin, en dat God de vriendelijkheid zou belonen, die hem bewezen werd, zij had gehoord, hoe goed de weduwe van Sarepta betaald was voor haar gastvrijheid, aan Elia bewezen.
2. Dat de vriendelijkheid, die zij hem wilde betonen, geen grote onkosten voor hen zou meebrengen. Zij zouden slechts een kleine kamer bouwen, want zij had misschien geen kamer over in haar huis, of geen, die stil en rustig genoeg was voor hem, die zoveel tijd doorbracht in overpeinzing en gebed, en niet gaarne door het rumoer van het gezin gestoord wilde worden. De meubelen zullen zeer eenvoudig wezen, geen kostbare tapijten, geen kanapé's, geen spiegels, maar een bed, een stoel, een tafel en een kandelaar, alles wat nodig was voor zijn gerief, niet alleen voor zijn rust, maar om te studeren, te lezen en te schrijven. Elisa scheen zeer ingenomen met deze gerieflijkheden, want hij ging naar binnen en legde er zich neer, vers 11, en, naar het scheen was zijn dienaar in dezelfde kamer, want hij was alles behalve op staatsie gesteld.
II. Elisa's dankbaarheid voor deze vriendelijkheid. Daar hem het rustige van zijn kamer zeer aangenaam was, en hij getroffen was door de vriendelijkheid van zijn onthaal, begon hij bij zichzelf te overleggen, op wat wijze hij haar zou kunnen belonen. Zij, die beleefdheid en vriendelijkheid ontvangen, behoren er naar te streven om ze ook wederkerig te bewijzen, het zou mannen Gods niet betamen ondankbaar te zijn.
1. Hij biedt haar aan zijn invloed voor haar aan te wenden in het hof van de koning, vers 13. Gij zijt zorgvuldig voor ons geweest met al deze zorgvuldigheid, aldus maakt hij de vriendelijkheid groot, die hij had ontvangen, zoals zij, die nederig zijn, plegen te doen, hoewel het voor de beurs van iemand, die zo rijk was, en voor het hart van iemand, die zo vrijgevig was, van geen betekenis was. Wat is er voor u te doen? Gelijk de milddadige milddadigheden beraadslaagt, zo beraadslaagt de dankbare dankbaarheid. "Is er iets om voor u te spreken tot de koning, of tot de krijgsoverste, voor een burgerlijk of militair ambt voor uw echtgenoot? Hebt gij enigerlei klacht in te dienen, enigerlei verzoek te doen, een proces, dat aanhangig is waarvoor gij de steun van de groten behoeft? Waarin kan ik u van dienst zijn?" Elisa scheen door de diensten, die hij onlangs bewezen had, zulk een invloed verkregen te hebben, dat hij, hoewel niet zelf bevorderd er door willende worden, instaat was, zijn vrienden bevordering te verschaffen, een Godvruchtige kan evenveel genoegen smaken in anderen te dienen, als zichzelf tot aanzien te brengen. Maar goede diensten van die aard heeft zij niet nodig, ik woon, zegt zij, in het midden van mijn volk, dat is: "Het is ons goed genoeg, zoals wij zijn, wij streven naar geen bevordering." Het is gelukkig om onder ons volk te wonen, die ons beminnen en achten, en aan wie wij instaat zijn goed te doen, en nog gelukkiger is het om daarmee tevreden te zijn, rustig te zijn en het besef te hebben dat het ons goed gaat. Waarom zouden zij, die gelukkig leven onder hun eigen volk begeren weelderig te leven in de paleizen van de koningen? Het zou velen goed zijn, als zij slechts wisten wanneer zij het goed hebben. Enige jaren later bevinden wij dat deze Sunamietische het nodig had, dat er voor haar tot de koning werd gesproken, hoewel zij het nu niet nodig had, Hoofdstuk 8:3,4. Zij, die onder hun eigen volk wonen, moeten niet denken dat hun berg zó vaststaat, dat hij niet bewogen kan worden, niet kan wankelen. Zij kunnen, evenals deze Godvruchtige vrouw, genoodzaakt worden, om onder vreemden te gaan wonen, onze blijvende stad is hierboven.
2. Hij heeft zijn invloed voor haar aangewend in het hof des hemels, dat veel beter was. Elisa raadpleegde zijn dienaar om haar enigerlei goed te doen, tot zo'n vrijheid heeft deze grote profeet zijn dienaar toegelaten. Gehazi zegt hem dat zij kinderloos is, een grote bezitting heeft, maar geen zoon om die hem na te laten, en ook geen hoop meer kon koesteren om ooit een zoon te hebben, haar man is oud. Indien Elisa deze gunst van God voor haar kan verkrijgen, dan zou hierdoor het enige verdriet, dat zij heeft, weggenomen worden. Dat zijn de meest welkome weldaden, die beantwoorden aan onze behoeften. Terstond zond hij om haar, zij stond nederig en eerbiedig In de deur, vers 15, overeenkomstig haar gewone bescheidenheid, en toen verzekerde hij haar, dat zij binnen een jaar een zoon zal voortbrengen, vers 16. Zij had deze profeet ontvangen in de naam van een profeet, en nu had zij niet eens het loon van een hoveling en er voor haar tot de koning werd gesproken, maar het loon van een profeet, een zeer bijzondere zegen, gegeven door profeten als verhoring van het gebed. De belofte was een verrassing voor haar, en zij vraagt om er toch niet nutteloos mee gevleid te worden: "Neen, mijn heer, gij zijt een man Gods, en daarom hoop ik, dat gij ernstig spreekt en niet met mij schertst, en niet tegen uw dienstmaagd liegt." De gebeurtenis binnen de bepaalde tijd bevestigde de waarheid van de belofte, zij baarde een zoon, omtrent de tijd van leven, die Elisa tot haar gesproken had, vers 17. God bouwde haar huis, ter beloning van haar vriendelijkheid, waarmee zij een kamer had gebouwd voor de profeet. Wij kunnen ons voorstellen welk een vreugde hierdoor in het gezin gekomen is. Zingt vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt.