Jesaja 2:6-9
Het binnenroepen van de heidenen ging gepaard met de verwerping van de Joden, het was hun val, en hun vermindering was de rijkdom van de heidenen, en hun verwerping was de verzoening van de wereld, Romeinen 11:15, en het schijnt dat deze verzen daar betrekking op hebben, en dat zij bestemd zijn om God erin te rechtvaardigen, maar toch waren zij waarschijnlijk oorspronkelijk bestemd tot overtuiging en opwekking van de mensen van de tijd, waarin de profeet heeft geleefd, daar het de gewoonte was van de profeten om van de dingen, die toen waren, in genade zowel als in oordeel, te spreken, als typen van de dingen, die hierna zijn zullen. Hier is:
I. Israëls oordeel. Dit wordt aangetoond in twee woorden, het eerste en het laatste van deze paragraaf, maar het zijn twee omzettende woorden en zij tonen aan:
1. Dat hun toestand treurig, zeer treurig was, vers 6. Gij hebt Uw volk verlaten. Rampzalig is de toestand van het volk, dat door God werd verlaten en groot moet voorzeker de terging wezen, indien Hij er toe komt om hen te verlaten, die Zijn eigen volk geweest zijn. Dat was de beklagenswaardige staat van de Joodse kerk nadat zij Christus hadden verworpen. (Migremus hinc-Laat ons van hier gaan). Uw huis wordt u woest gelaten, Mattheus 23:38. Telkens als er een zware ramp over de Joden kwam, kon de Heer gezegd worden hen verlaten te hebben, als Hij hun Zijn hulp en ondersteuning onthield, want anders zouden zij niet in de handen van hun vijanden zijn gevallen. Maar nooit verlaat God iemand, die niet eerst Hem verlaten heeft.
2. Dat hun toestand volstrekt wanhopig was vers 9. Daarom zult Gij het hun niet vergeven of zoals in de engelse overzetting en in de kanttekening is: daarom vergeef het hun niet, en dan is dit profetisch gebed een bedreiging, dat het hun niet vergeven zal worden en sommigen denken dat het ook aldus gelezen kan worden. Dit heeft geen betrekking op particuliere personen (velen hebben zich bekeerd en deze hebben vergeving ontvangen), maar op het volk in zijn geheel, waarover een onherroepelijk vonnis was uitgesproken, namelijk dat zij geheel afgesneden zullen worden, en hun kerk geheel en al ontmanteld, om nooit weer hersteld te worden.
II. Hoe Israël dit oordeel verdiend heeft, en de reden, waarop het gegrond is, in het algemeen: het is zonde, deze is het, en niets anders, die God er toe brengt, om Zijn volk te verlaten. De particuliere zonden, die hij specificeert, zijn dezulken, welke in die tijd onder hen heersten, en die hij vermeldt tot overtuiging van hen, voor wie hij toen predikte, veeleer dan die welke later bleken de mate van hun ongerechtigheid vol te hebben doen worden, namelijk hun kruisigen van Christus en hun vervolgen van Zijn volgelingen, want de zonden van iedere eeuw droegen bij tot het opmaken van de ontzettende rekening ten laatste. En er was een gedeeltelijke en tijdelijke verwerping van hen in de Babylonische gevangenschap, die met rasse schreden naderde, en die een type was van de eindverwoesting, die over hen komen zou door de Romeinen en die door de zonden, werken hier genoemd worden, over hen gebracht werd.
Hun zonden waren van zo'n aard, dat zij in lijnrechte tegenspraak waren met Gods vriendelijke en genaderijke bedoelingen met hen.
1. God heeft hen zich afgezonderd als een bijzonder volk, onderscheiden van en geëerd boven alle andere volken, Numeri 23:9, maar zij zijn vervuld van het oosten, vers 6, zij hebben vreemdelingen, die niet tot hun godsdienst waren bekeerd, genaturaliseerd, en hen aangemoedigd om zich onder hen te vestigen en zich met hen te vermengen, Hosea 7:8. Hun land was bevolkt met Syriërs en Chaldeën, Moabieten en Ammonieten, en andere Oosterse volken, en met hen hebben zij ook hun zeden en gewoonten onder zich toegelaten, en aan de kinderen van de vreemden toonden zit hun behagen, zij waren verzot op hen, gaven aan hun land de voorkeur boven hun eigen land, en zij dachten dat hoe meer zij zich in alles naar hen schikten hoe meer beschaafd en verfijnd zij zouden zijn, en aldus hebben zij hun kroon en hun verbond ontheiligd. Diegenen zijn in gevaar om zich van God te vervreemden, die behagen scheppen in het gezelschap van hen, welke vreemdelingen zijn voor God, want wij zullen spoedig de wegen leren van hen met wie wij zo gaarne omgaan.
2. God gaf hun Zijn orakelen, die zij konden raadplegen, niet alleen de Schriften en de zieners, maar ook de borstlap van het gericht, maar deze veronachtzaamden zij, en werden waarzeggers, zoals de Filistijnen, voerden hun kunsten van waarzeggerij in, en gaven gehoor aan hen die door de sterren, of de wolken, of de vrucht van de vogelen, of de ingewanden van dieren, of andere magische bijgelovigheden, pretendeerden verborgenheden te ontdekken, of toekomstige gebeurtenissen te voorspellen. De Filistijnen waren bekend als waarzeggers, I Samuël 6:2. Zij, die de profetie verachten, worden rechtvaardig overgegeven aan liegende waarzeggerij, en zij zullen gewis verlaten worden door God, die aldus Hem en hun weldadigheid verlaten voor valse ijdelheden.
3. God moedigde hen aan om op Hem te vertrouwen, en verzekerde hun dat Hij hun sterkte zou wezen, maar Zijn macht en belofte wantrouwende, stelden zij goud tot hun hoop, en voorzagen zich van paarden en wagens, en vertrouwden daarop voor hun veiligheid, vers 7. God had uitdrukkelijk verboden, zelfs aan hun koningen, om de paarden voor zich te vermenigvuldigen en grotelijks arm zilver en goud te vermenigvuldigen, omdat Hij wilde dat zij alleen op Hem zouden betrouwen, maar zij dachten niet dat zij door hun deel in God genoegzaam tegen hun naburen waren opgewassen, tenzij hun schatkist evengoed voorzien was van goud en zilver als de hunne en zij een even geduchte macht van paarden en wagens hadden als zij. Het is niet het hebben van goud en zilver, paarden en wagens, dat een terging was voor God, maar:
a. Een onverzadiglijke begeerte er naar te hebben, zodat er aan hun schatten geen einde is, geen einde aan hun wagens, geen grenzen gesteld aan de begeerte er naar. Diegenen zullen nooit genoeg hebben in God (die alleen algenoegzaam is) die nooit weten wanneer zij genoeg hebben van deze wereld, die, op zijn best genomen, toch ongenoegzaam is.
b. Het steunen en betrouwen erop, alsof wij zonder deze niet veilig en gelukkig konden zijn, en niet anders dan veilig en gelukkig konden zijn daarmee.
4. God zelf was hun God, het enige voorwerp hunner aanbidding, en Hij zelf heeft de regels van de godsverering voor hen vastgesteld, maar zij veronachtzaamden beide Hem en Zijn inzettingen, vers 8, hun land was vol afgoden, elke stad had haar goden, Jeremia 11:13, en naar de goedheid van hun land hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt, Hosea 10:1. Zij, die één God te weinig achten, zullen twee te veel vinden, en toch honderden nog niet genoeg. Zo stompzinnig waren zij, en zo ellendig verdwaasd, dat zij het werk van hun handen aanbaden, alsof dat een god voor hen kon wezen, hetwelk niet alleen een schepsel was, maar hun schepsel, dat zij zelf hadden uitgedacht, en hun eigen vingers hadden gemaakt. Het was een verzwaring van hun afgoderij, dat God hen verrijkt had met zilver en goud, en dat zij van dat zilver en goud afgoden maakten, en zo was het dat Jeshurun vet werd en achteruit sloeg, Hosea 2:7.
5. God had hen verhoogd, en hun eer aangedaan, zij hebben zich laaghartig verminderd en verkleind, vers 9. De gewone man bukt zich voor de afgoden, iets dat beneden de geringste is, in wie nog een vonkje van gezond verstand is overgebleven. Zonde is ook voor de armste en voor de geringste in stand een verkleining en verlaging. Het betaamt de gewone man om voor zijn meerdere te bukken, maar zeer weinig betaamt het hem om neer te knielen voor hetgeen van een boom gekomen is, Hoofdstuk 44:19. En het zijn ook niet alleen de ongeletterden, of zij, die weinig verstand hebben, die dat doen, maar zelfs de aanzienlijke man vernedert zich om afgoden te aanbidden, vergoodt mensen, die niet beter zijn dan hij zelf is, en heiligt stenen, die zoveel minder zijn dan hij is. Van afgodendienaars wordt gezegd, dat zij zich vernederen tot de hel toe, Hoofdstuk 57:9. Welk een schande is het, dat aanzienlijke mannen de dienst van de ware God beneden zich achten, en er zich niet toe willen bukken, maar zich wel willen vernederen om voor een afgod te buigen! Sommigen houden dit voor een bedreiging, dat de gewone man naar beneden gebracht, en de aanzienlijke man vernederd zal worden door de oordelen van God, als zij komen met een opdracht.