Psalm 111:1-5
Het opschrift van de psalm is Hallelujah, en de psalmist heeft het oog op zijn opschrift, (hetgeen ieder schrijver behoort te doen) en houdt zich aan zijn tekst.
1. Hij besluit om zelf God te loven, vers 1. De plichten, waartoe wij anderen oproepen, moeten wij zelf volbrengen, en daartoe moeten wij onszelf opwekken. Ja meer, wat anderen ook doen, of zij al of niet God willen loven, wij moeten besluiten dat wij en ons huis het doen zullen, wij en onze harten, want dat is hier het besluit van de psalmist: Ik zal de Heere loven van ganser harte. Mijn hart, mijn gehele hart toegewijd zijnde aan Zijn eer, zal het voor dit werk worden gebruikt en dat wel in de raad van de oprechten, de kabinetsraad, en in de vergadering van de Israëlieten. Wij moeten God loven in de eenzaamheid, in de binnenkamer, in de huiselijke kring, en in het openbaar, in de kleinere en grotere bijeenkomsten, en in de voorhoven van het huis des Heeren, maar altijd is dit het lieflijkst als wij het doen in samenstemming met de oprechten, die er van harte mee instemmen. De bijzondere bijeenkomsten tot Godsdienstige doeleinden moeten in stand worden gehouden, zowel als de openbare en meer gemengde vergaderingen.
2. Hij beveelt ons de werken des Heeren aan als een gepast onderwerp van onze overdenking als wij Hem loven de beschikkingen van Zijn voorzienigheid in de wereld, de kerk, en ten opzichte van particuliere personen.
A. Gods werken zijn zeer prachtig, groot gelijk Hij zelf is, er is niets in, dat gering of onbeduidend is, zij zijn de voortbrengselen van oneindige wijsheid en macht, en dit moeten wij reeds op de eerste aanblik ervan zeggen, eer wij er nog een nader onderzoek naar instellen, namelijk dat de werken des Heeren groot zijn, vers 2. Er is iets verbazingwekkende in, iets dat ons vervult van ontzag. Van al de werken des Heeren wordt gesproken als van één, vers 3. Het is Zijn doen, zo treffend is de schoonheid en de harmonie van Gods voorzienigheid, en zo bewonderenswaardig concentreren zich al haar beschikkingen in een plan, neem het alles tezamen, en het is wonderschoon en heerlijk, en zoals het Hem betaamt.
B. Zij zijn onderhoudend en leerrijk voor de weetgierigen. Zij worden gezocht van allen die er lust in hebben. Allen, die God waarlijk liefhebben, vinden behagen in Zijn werken, achten alles goed wat Hij doet, en nergens verwijlen zij in hun gedachten met meer genot bij dan bij de werken van God, hoe meer wij ze beschouwen, hoe aangenamer wij er door verrast worden. Zij, die behagen scheppen in de werken Gods, zullen zich niet vergenoegen met een vluchtige of oppervlakkige beschouwing ervan, maar zullen ze vlijtig onderzoeken en waarnemen. Bij het bestuderen zowel van de natuurlijke historie, als van de staatkundige geschiedenis moet dit ons doel zijn: de grootheid en heerlijkheid van Gods werken te ontdekken. Deze werken van God, die nederig en naarstig onderzocht worden, zullen gezocht worden, zij die zoeken, zullen vinden, (zo lezen het sommigen), zij worden gevonden van allen, die er lust in hebben of gevonden in al hun delen, bedoeling en belangen aldus Dr. Hammond, want de verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen, Psalm 25:14.
3. Zij zijn alle rechtvaardig en heilig, Zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid. Wat Hij ook doet, nooit heeft Hij onrecht gedaan aan Zijn schepselen, en nooit zal Hij het doen, en "derhalve zal wat God doet in eeuwigheid zijn," Prediker 3:14. 4. Zij zijn bewonderenswaardig en gedenkwaardig, geschikt om in gedachten te worden gehouden en om in de geschiedenis te worden vermeld. Veel van hetgeen wij doen is zo onbeduidend, dat het niet geschikt is om ervan te spreken, het allerbeste is om het maar te vergeten, maar van Gods werken moet nota worden genomen, en het verhaal ervan moet bewaard blijven, vers 4. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt, Hij heeft gedaan wat waardig is om herdacht te worden, en dat wel herdacht moet worden, en Hij heeft wegen en middelen verordineerd, om sommigen ervan in gedachtenis te houden, zoals de verlossing van Israël uit Egypte door het Pascha. Hij heeft zich door Zijn wonderwerken een gedachtenis gesticht zo lezen het sommigen. Door hetgeen God met Zijn heerlijke arm gedaan heeft, heeft Hij zich een eeuwige naam gemaakt. Zie Jesaja 63:12.
5. Zij zijn goed, daarin toont de Heere dat Hij genadig en barmhartig is. Evenals van de werken van de schepping, zo moeten wij ook van de werken van de voorzienigheid zeggen: Zij zijn alle niet alleen zeer groot, maar ook alle zeer goed. Dr. Hammond acht dat dit de naam is, die Hij zich door Zijn wonderwerken gemaakt heeft, dezelfde, die Hij voor Mozes heeft uitgeroepen: de Heere God is genadig en barmhartig, Exodus 34:6. Gods vergeven van de zonde is het meest wondervolle van al Zijn werken, en het moet tot Zijn ere in gedachtenis worden gehouden. Nog een ander voorbeeld van Zijn genade en mededogen is dat Hij dengenen, die Hem vrezen, spijze heeft gegeven, vers 5. Hij geeft hun hun dagelijks brood, het brood huns bescheiden deels, dat doet Hij ook voor anderen door de gewone voorzienigheid, maar aan hen, die Hem vrezen, geeft Hij het door het verbond en ingevolge van de belofte want er volgt op: Hij gedenkt in eeuwigheid aan Zijn verbond, zodat zij zelfs in gewone zegeningen verbondsliefde kunnen proeven en smaken. Sommigen achten dat dit ziet op het manna, waarmee God Zijn volk Israël in de woestijn gespijzigd heeft. Anderen menen dat het ziet op de roof van de Egyptenaren verkregen, toen zij met grote have uittrokken, overeenkomstig de belofte, Genesis 15:14. Toen God de koppen des leviathans verpletterd heeft, heeft Hij hem tot spijze gegeven aan Zijn volk, Psalm 74:14. "Hij heeft dengenen, die Hem vrezen buit gegeven", zo heeft het de kanttekening, Hij heeft hen niet slechts gevoed, maar verrijkt, hun hun vijanden tot een prooi gegeven.
6:Dat zijn onderpanden van hetgeen Hij overeenkomstig Zijn belofte doen zal. Hij gedenkt in eeuwigheid aan Zijn verbond, want nooit heeft Hij er een tittel van ter aarde laten vallen en dat zal Hij ook nooit. Hoewel Gods volk zijn zwakheden heeft en dikwijls Zijn geboden vergeet, zal Hij toch in eeuwigheid gedenken aan Zijn verbond,