Psalm 46:1-6
De psalmist leert ons hier door zijn eigen voorbeeld:
I. Te juichen in God en in Zijn betrekking tot ons, inzonderheid als wij nieuwe ervaringen hebben van Zijn verschijnen ten onze behoeve, vers 2 God is ons een toevlucht en sterkte, wij hebben Hem aldus bevonden, Hij heeft zich verbonden dit te zijn, en Hij zal het altijd wezen. Zijn wij vervolgd? God is onze toevlucht tot wie wij ons kunnen begeven, en in wie wij veilig kunnen zijn en ons veilig kunnen achten, en dat wel op goede gronden, Spreuken 18:10 Zijn wij gedrukt door moeilijkheden? Hebben wij zwaar werk te doen, met vijanden te worstelen? God is onze sterkte om ons te ondersteunen onder onze last, ons bekwaam en geschikt te maken voor al onze dienst en al ons lijden; Hij zal door Zijn genade kracht in ons leggen, en op Hem kunnen wij steunen. Zijn wij in benauwdheid? Hij is een hulp, om al datgene voor ons te doen wat wij nodig hebben, een dadelijke hulp, een hulp bevonden, zo is het in het oorspronkelijke, die wij aldus hebben bevonden een hulp, waarvan wij kunnen schrijven: Probatum est, zoals Christus een "beproefde steen" wordt genoemd, Jesaja 28:16 Of: een nabij zijnde hulp, een die wij nooit behoeven te zoeken, maar altijd in onze nabijheid hebben. Of, een genoegzame hulp, een hulp, geschikt voor iedere nood welke die ook zij. Hij is een dadelijke hulp, wij kunnen geen betere begeren, noch ooit dergelijke in enig schepsel vinden.
II. Te triomferen over de grootste gevaren, God is onze sterkte en onze hulp, een algenoegzame God voor ons. Daarom zullen wij niet vrezen. Zij, die met heiligen eerbied God vrezen, behoeven met geen ontzetting voor de macht van hel noch aarde bevreesd te zijn. Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn, om ons enigerlei kwaad te doen? Het is onze plicht, het is ons voorrecht, om aldus onbevreesd te zijn; het is een bewijs van een zuiver geweten, van een eerlijk hart, en van een levend geloof in God en Zijn voorzienigheid en belofte. Wij zullen niet vrezen al veranderde de aarde haar plaats, al zou al ons betrouwen in het schepsel falen, ja, al zou hetgeen ons behoorde te schragen dreigen ons te verzwelgen, zoals de aarde Korach verzwolgen heeft, voor wiens kinderen deze psalm geschreven werd, en sommigen denken door hen; maar zolang wij ons dicht bij God houden, en Hij voor ons is, zullen wij niet vrezen, want wij hebben geen reden om te vrezen.
Merk hier op:
1. Hoe dreigend het gevaar is. Wij zullen veronderstellen dat de aarde haar plaats veranderd heeft, dat zij in de zee geworpen is, je dat zelfs de bergen, de sterkste en meest vaste delen van de aarde, in de onpeilbare oceaan werden begraven, wij zullen veronderstellen dat de zee schuimt en bruist, dat haar schuimende golven met zoveel geweld tegen de kust aanlopen, dat de bergen er van daveren, vers 4 Hoewel koninkrijken en staten in verwarring en beroering zijn, verwikkeld zijn in oorlogen, en hun regeringen in een voortdurende staat van omwenteling verkeren; hoewel hun machten zich verenigen tegen de kerk en het volk van God, niets minder beogende dan hun verderf en bijna hun doel hebbende bereikt, zullen wij toch niet vrezen, wetende dat al deze beroeringen goed zullen eindigen voor de kerk. Zie Psalm 93:4 Als de aarde haar plaats verandert, dan hebben diegenen reden om te vrezen, die hun schatten op de aarde hebben en er hun hart op hebben gesteld, maar niet zij, die zich schatten opgelegd hebben in de hemel en verwachten kunnen dan het gelukkigst te zullen wezen, als de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Laat hen beroerd wezen door de beroering van de wateren, die hun vertrouwen op zo'n drijvend fundament stellen, maar niet hen, die gevoerd worden op een rots, die hoger is dan zij, en op die Rots vaste grond vinden.
2. Hoe wel gegrond de bescherming is tegen dit gevaar, in aanmerking genomen hoe wel bewaakt en beschut de kerk is en het belang, dat ons ter harte gaat. Het is voor geen particulier belang van onszelf, waarvoor wij in zorg zijn, neen, het is de stad Gods, het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste, het is de ark Gods. waarvoor ons hart siddert. Maar als wij nagaan wat God gewerkt en voorzien heeft voor het welzijn en de veiligheid van Zijn kerk, dan zullen wij reden hebben om ons hart gerust te stellen, het te verheffen boven de vrees voor kwade tijdingen. Hier is:
A. Blijdschap voor de kerk zelfs in de treurigste, zwaarste tijden, vers 5 Er is een rivier, welker beekjes haar zullen verblijden, zelfs als de wateren van de zee bruisen en haar bedreigen. Het is een toespeling op de wateren van Siloam, die "zachtkens gaan" langs Jeruzalem, Jesaja 8:6 Hoewel deze van geen grote diepte of breedte waren, werden zij in de tijd van Hizkia toch dienstbaar gemaakt aan de verdediging van Jeruzalem, Jesaja 22:10, 11. Maar dit moet geestelijk verstaan worden; het verbond van de genade is de rivier, Johannes 7:38, 39 en de beloften ervan zijn de beekjes, die de stad Gods verblijden. Gods Woord en inzettingen zijn rivieren en beekjes, waarmee God in bewolkte en donkere dagen Zijn heiligen verblijdt. God zelf is voor Zijn volk "een plaats van rivieren en van, wijde stromen," Jesaja 33:21 De stromen, die de stad Gods verblijden, zijn geen snelvlietende stromen, het zijn stille, kalme wateren zoals die van Siloam. De geestelijke vertroostingen, die in stille zachte fluisteringen tot de heiligen komen, kunnen tegen de luidste dreigementen van een toornige, boosaardige wereld opwegen.
B. Bevestiging voor de kerk, al zijn hemel en aarde bewogen, God is toch in het midden van haar, zij zal niet wankelen, vers 6 God heeft aan Zijn kerk Zijn bijzondere tegenwoordigheid verzekerd, haar ook verzekerd van Zijn zorg over haar. Zijn eer is er mee gemoeid, dat zij veilig is, Hij heeft Zijn tent in haar opgericht en heeft er de bescherming van op zich genomen, en daarom zal zij niet wankelen, dat is:
a. Niet vernietigd noch van haar plaats weggerukt worden, zoals dit met de aarde kan geschieden, vers 3 De kerk zal de aarde overleven en in een toestand van zaligheid zijn als zij, de aarde, in puin ligt. Zij is gebouwd op een rots, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.
b. Niet beroerd of ontrust worden door vrees voor de uitkomst. Zo God voor ons is, zo God met ons is, behoeven wij ook door de heftigste aanvallen tegen ons niet bewogen te worden.
C. Verlossing voor de kerk, hoewel de gevaren, die haar dreigen, zeer groot zijn; God zal haar helpen, wie kan haar dan schaden? Hij zal haar helpen onder haar moeilijkheden, zodat zij er niet onder bezwijkt, ja hoe meer zij verdrukt wordt, hoe meer zij zal vermeerderen. God zal haar uit haar benauwdheden helpen, en dat wel zeer spoedig, In het aanbreken des morgenstonds, zeer snel, want Hij is een dadelijke hulp, vers 2, en zeer tijdig, als de dingen tot het uiterste zijn gekomen en de hulp het meest welkom zal zijn. Particuliere gelovigen kunnen dit op zichzelf toepassen indien God in ons hart is, in ons midden is door Zijn Woord rijkelijk in ons woont, dan zullen wij bevestigd zijn, dan zullen wij geholpen worden. Zo laat ons dan vertrouwen en niet vrezen, alles is wel, alles zal een goed einde hebben.