Psalm 42:7-12
Wij hebben hier, evenals tevoren, beurtelings klachten en vertroostingen, zoals in de loop van de natuur dag en nacht.
I. Hij klaagt over de neerslachtigheid van zijn gemoed, maar vertroost zich met de gedachten aan God,
1. In zijn ontroering: zijn ziel was neergebogen, en hij gaat tot God en zegt het Hem. O mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij. Het is ons een grote steun dat wij, als wij om het een of ander in benauwdheid zijn, vrijheid van toegang hebben tot God, en vrijheid van spreken tot Hem, en de oorzaken onder gedruktheid voor Hem mogen blootleggen. David had tot zijn hart gesproken over zijn eigen bitterheid, en had nog geen verlichting gevonden, en daarom wendt hij zich tot God en legt leem de moeilijkheid voor. Als wij door bij onszelf te pleiten geen verlichting kunnen verkrijgen voor ons bezwaard gemoed, dan moeten wij zien wat wij doen kunnen door tot God te bidden en onze zaak aan Hem over te geven. Wij kunnen deze winden en golven niet tot bedaren brengen, maar wij weten wie het wel kan.
2. In zijn gebed: zijn ziel was opgeheven en de ziekte zeer pijnlijk vindende, nam hij daar de toevlucht toe als tot een krachtig geneesmiddel. "Mijn ziel is neer gedompeld; om nu te voorkomen dat zij wegzinkt, zal ik U gedenken, over U nadenken, U aanroepen en zien wat dat teweeg zal brengen om mijn God op te houden. Het middel om het gevoel oneer ellende te vergeten, is de God van onze weldadigheid te gedenken Het was een ongewoon geval, toen de psalmist "aan God dacht en beroerd werd," Psalm 77:4 Hij had dikwijls aan God gedacht en was vertroost, en daarom heeft hij nu ook dit middel te baat genomen. Hij was thans tot aan de uiterste grens van Kanaän gedreven om zich daar tegen de woede van zijn vervolgers te beschutten, soms naar het land rondom de Jordaan, werd hij daar ontdekt, dan naar de Hermon, of tot een heuvel, Mizar, of het klein gebergte genoemd. Maar,
a. Overal waar hij ging, nam hij zijn Godsdienst mede, in al die plaatsen gedacht hij aan God, hief hij zijn hart tot Hem op, bleef hij zijn verborgen gemeenschap met Hem onderhouden. Dit is de troost van de ballingen, van de zwervelingen, van de reizigers, van hen, die vreemdelingen zijn in een vreemd land, namelijk dat Undique ad caelos tantundem est vice Waar zij ook zijn, een weg open is naar de hemel.
b. Waar hij ook was, overal behield hij zijn genegenheid voor de voorhoven van Gods huis; van het land van de Jordaan, of van de top van de bergen placht hij lang en verlangend heen te zien naar de plaats van het heiligdom en wenste hij daar te zijn. Afstand noch tijd kon hem datgene doen vergeten, waar zijn hart zozeer aan gehecht was, er zo na aan lag.
II. Hij klaagt over de tekenen van Gods misnoegen tegen hem, meer vertroost zich met de hoop van het weerkeren van Zijn gunst te bestemder tijd.
1. Hij zag dat zijn beproevingen en benauwdheden voortkwamen uit Gods toorn en dat ontmoedigde hem, vers 8 "De afgrond roept tot de afgrond, de ene benauwdheid volgt de andere op de voet, alsof zij geroepen was om zich achter haar heen te spoeden; en uw watergoten geven het sein, luiden de alarmklok van de oorlog." Het kan bedoeld zijn van de verschrikkingen en slingeringen van zijn gemoed onder het besef van Gods toorn. De ene verschrikkelijke gedachte riep een andere op en baande er de weg voor, zoals dit gewoonlijk is met droefgeestige mensen; hij was overweldigd en overstelpt door een stortvloed van leed, zoals de oude wereld toen de vensters van de hemel geopend en de fonteinen van de grote afgrond opengebroken waren. Of het is een toespeling op een schip in zee in een hevigen storm, heen en weer geslingerd door de schuimende baren, Psalm 107:25 Welke golven en baren van beproeving er ooit ook over ons heengaan, wij moeten ze Gods baren en Zijn golven noemen, ten einde ons te verootmoedigen onder Zijn machtige hand en ons aan te moedigen om te hopen dat wij, hoewel bedreigd, toch niet verwoest zullen worden, want de golven en baren zijn onder een Goddelijken teugel; de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren. Laat Godvruchtige mensen het niet vreemd vinden als zij door vele en menigerlei beproevingen bezocht worden, God weet wat Hij doet en ook zij zullen het weldra te weten komen. Jona heeft in de buik van de walvis van deze woorden van David gebruik gemaakt, Jona 2:3; van hem was het letterlijk waar: al Uw haar en Uw golven zijn over mij heengegaan; want het boek van de psalmen is er op ingericht om ieders toestand te bereiken.
2. Hij verwachtte dat zijn verlossing van Gods gunst komen zou, vers 9 Maar de Heere zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden. De zaken staan slecht, maar zij zullen zo niet blijven. Na de storm zal er kalmte komen, en het vooruitzicht daarop ondersteunde hem toen de afgrond riep tot de afgrond.
Merk op:
A. Wat hij zich voorstelde van God: de Heere zal Zijn goedertierenheid gebieden. Hij beschouwt de gunst van God als de bron van alle goed, waarnaar hij uitzag; deze is leven, deze is beter dan het leven, en daarmee zal God hen vergaderen, van wie "Hij in een kort ogenblik Zijn aangezicht verborgen heeft," Jesaja 54:7, 8 Gods verlenen van Zijn gunst wordt Zijn gebieden ervan genoemd; dit geeft er het vrijwillige van te kennen wij kunnen niet wanen haar te verdienen, zij wordt geschonken door vrijmacht; Hij geeft als een koning. Het geeft ook het krachtdadige ervan te kennen-Hij spreekt Zijn goedertierenheid, en doet het ons horen: Hij spreekt en het is geschied. Hij "gebiedt verlossingen," Psalm 44:5, "gebiedt de zegen," Psalm 133:3, als gezaghebbende. Door Zijn goedertierenheid te gebieden, gebiedt Hij golven en baren stil te zijn, en zij zullen Hem gehoorzamen. Dat zal Hij doen des daags, want Gods goedertierenheid maakt het tot dag in de ziel, op welke tijd het ook zij. Des avonds kan wel het gewoon vernachten, maar des morgen is er gejuich.
B. Wat hij voor zich van God verwachtte. Indien God Zijn goedertierenheid voor hem gebiedt, dan zal hij haar tegemoet gaan, haar welkom heten met zijn liefde.
a. Hij zal zich verblijden in God; des nachts zal Zijn lied bij mij zijn. Voor de goedertierenheden, die wij des daags ontvangen, behoren wij des nachts dank te zeggen; als anderen slapen, moeten wij God loven. Zie Psalm 119:62 "Te middernacht sta ik op om U te loven." In stilte en eenzaamheid, als wij ons teruggetrokken hebben van het gewoel en geraas van de wereld moeten wij ons verlustigen met de gedachte aan Gods goedheid of in de nacht van de beproeving, "eer de dag aanbreekt, waarop Hij Zijn goedertierenheid gebiedt, zal ik lofliederen zingen in het vooruitzicht ervan." Zelfs in verdrukkingen kunnen de heiligen zich verblijden in de hoop van de heerlijkheid Gods, zingen en loven, Romeinen 5:2, 3 Het is Gods kroonrecht "lofzangen te geven in de nacht", Job 35:10
b. Hij zal God zoeken in voortdurende afhankelijkheid van Hem, mijn gebed zal tot de God mijns levens zijn. Onze gelovige verwachting van goedertierenheid moet onze gebeden er om niet doen ophouden maar ze verlevendigen. God is de God van ons leven, in wie wij leven en ons bewegen, de oorsprong en gever van alle goed en alle lieflijkheid, tot wie anders dan tot Hem moeten wij ons dus wenden door het gebed? En welk goed kunnen wij van Hem niet verwachten? Het zal leven brengen in ons gebed als wij op Hem zien als de God van ons leven, want dan is het aangaande ons leven en het leven van onze ziel, dat wij staan om verzoek te doen.
III. Hij klaagt over de onbeschaamdheid van zijn vijanden, maar vertroost zich in God als zijn vriend, vers 10-12
1. Zijn klacht is dat zijn vijanden hem verdrukten en hoonden, en dit maakte een diepe indruk op hem.
a. Zij verdrukten hem dermate, dat hij van dag tot dag en van plaats tot plaats in het zwart ging, vers 10. Hij barstte niet los in onbetamelijker hartstocht, hoewel hij meer dan ooit door iemand anders mishandeld was, maar in stilte heeft hij zijn smart uitgeweend en rouw bedreven. Deswege kunnen wij hem niet laken, het moet een man, die zijn land waarlijk liefheeft en er het goede voor zoekt wel smarten om zich vervolgd en hard behandeld te zien, alsof hij er de vijand van was. Maar David had hieruit toch niet mogen opmaken dat God hem had vergeten en verstouten ook mocht hij met Hem niet spreken alsof hij Hem onder het oog wilde brengen dat Hij hem evenveel onrecht deed door toe te laten, dat hij aldus vertreden werd als zij hem deden. die hem vertraden. Waarom ga ik in het zwart? en waarom vergeet Gij mij? Wij mogen klagen bij God, maar het is ons niet geoorloofd aldus over Hem te klagen.
b. Zij hoonden hem zo grievend, dat het als een doodssteek in zijn beenderen was, vers 11 Hij heeft tevoren gezegd waarin het smaden bestond, dat hem zo door het hart sneed, en hier herhaalt hij het: zij zeggen de gehele dag tot mij: Waar is uw God? Een smaad, die daarom zo grievend was, omdat er oneer mee aangedaan werd aan God, en bedoeld was om hem te ontmoedigen in zijn hopen op God, terwijl hij reeds genoeg te doen had om die enigermate levendig in hem te houden, daar zij maar al te zeer er onderhevig aan was om vanzelf te falen.
2. Zijn troost is dat God zijn steenrots is, vers 10 Een rots om op te bouwen, een rots om onder weg te schuilen, de Rots van de eeuwen, waarin eeuwige sterkte is, zal zijn Rots wezen zijn sterkte in de inwendige mens, beide voor dood en voor lijden. Tot Hem had hij toegang met vertrouwen; tot God zijn Rotssteen kon hij zeggen wat hij te zeggen had, en zeker wezen van een genadig gehoor. Daarom herhaalt hij wat hij gezegd heeft vers 6, en besluit er mede, vers 12 Wat buigt gij u neer, o mijn ziel? Zijn smarten en angsten schreeuwden, maakten getier, waren lastig; zij waren niet tot zwijgen gebracht, hoewel zij telkens en nogmaals waren beantwoord; maar hier komt nu eindelijk zijn geloof als overwinnaar te voorschijn en noodzaakt de vijanden het veld te ruimen En deze overwinning behaalt hij: a. Door te herhalen wat hij tevoren had gezegd; zich evenals tevoren bestraffende om zijn neerslachtigheid en onrust, en zich aanmoedigende om te bebouwen op de naam des Heren en te steunen op zijn God. Het kan van groot nut voor ons wezen om onze goede gedachten nog eens over te denken, en mochten wij er in het eerst ons doel niet mee hebben bereikt, misschien zullen wij het dan de tweede maal in elk geval: waar het hart in de woorden is, is het geen ijdele herhaling. Het is nodig om ons dezelfde zaak telkens en nogmaals op het hart te dekken, en dan is het nog weinig genoeg.
b. Door er een woord aan toe te voegen; daar hoopte hij God te loven voor de verlossingen van Zijn aangezicht; hier zegt hij: "ik zal Hem loven, als de verlossing van mijn aangezicht, van de wolk, die er nu over heen gespreid is; als God mij vriendelijk aanziet dan zal dat mijn uitzien aangenaam maken-het zal mij doen opzien, doen voorwaarts zien, en om hen zien met vermaak en genoegen." Hij voegt er bij: een man Gods " in betrekking tot mij, in verbond met mij, al wat Hij is, al wat Hij heeft is het mijn overeenkomstig de ware bedoeling en betekenis van de belofte." Deze gedachte stelde hem instaat om te triomferen over al zijn smart en al zijn vrees. Dat God met de heiligen is in de hemel en hun God is. is hetgeen alle tranen van hun ogen zal afwissen Openbaring 21:3, 4.