3. Het is zo lieflijk en verfrissend, gelijk de dauw van Hermon, dien berg in het Noord-Oosten van het land (
Deuteronomium 3:9), en die nederdaalt op de lagere bergen, die naar ene verkwikking uit die besneeuwde hoogten verlangen, op de bergen van Zion, evenzo liefelijk is het, dat broeders zamenwonen.
De eerste gelijkenis ontleent David niet aan het onmiddellijk zichtbare (want het is voor het minst twijfelachtig, of behalve Aäron nog met enen anderen hogepriester ene plechtige zalving heeft plaats gehad, daar Numeri 20:26, 28 alleen van Eleazars ontkleding, en niet van zijne zalving sprake is), maar uit de Schrift. Hij stelt zich den eerwaardigen priestervader voor, zoals hij eens door Mozes met de kostelijke zalf gezalfd werd. Bij de tweede gelijkenis gaat bij eveneens niet van ene onmiddellijke ervaring uit, (want de dauw, die op Zions bergen ligt, heeft natuurlijk wel een naderen oorsprong dan de verwijderde hoogte van den Hermon); maar hij beschouwt de zaak met een godsdienstig oog, en alsdan kan de vergelijking hem dienen, voor hetgeen hij in de gedachte heeft. Daarbij heeft hij zeker niet alleen met voorstellingen van zijne inbeeldingskracht te doen, maar met wezenlijke reëele waarheid.
Wat toch met Aäron eens geschied was, was geen bloot voorval uit een lang voorbijgegaan verleden, maar een om zijne zinnebeeldige betekenis, of zeggen wij liever zijn geestelijken zin, voor altijd vaststaand en ook voor het tegenwoordige Israël geldend factum, en wat de bergen van Zion van den dauw des hemels dronken, ontvingen zij uit de dampen van ene rivier, die zich met de wateren van de rivier van Hermon voedde. Beide beelden hebben daarin overeenkomst, dat zij iets noemen wat van boven afkomt en duidelijk van Goddelijken oorsprong is: de kostelijke balsem, "omdat die, zowel wat zijne wijze van toebereiding als zijn bijzonder gebruik aangaat, door God is verordend, en de dauw in het heilige land, omdat die met de wit vergulden, hoog in de wolken schitterende kroon van den groten Hermon, den koning der bergen, in verbintenis staat. Alzo is ook de hier geprezene gemeenschap van het volk van God niet van beneden, niet van deze wereld, niet van vlees en bloed, maar een werk der genade van boven. Alzo hebben beide beelden dit gemeen, dat het plaatselijk van elkaar verwijderde wordt zamengebracht: de olie op Aärons hoofd deelt zich verder haar voor haar mede en daalt zelfs in de kleding neer. Evenzo weet de dauw, die van de hoogte van Hermon op de rondom liggende bergen nedervalt, ook zijnen weg te vinden tot de verder afgelegene heuvelen van Zion. Zo brengen Israëls feesten, die te Jeruzalem gevierd worden, het gehele volk uit alle delen des lands op ene plaats van het heiligdom te zamen. Vervolgens heeft ook ieder van de beide beelden zijn bijzonder punt van vergelijking. De olie der hogepriesterlijke zalving is fijn en verbreidt verre zijn wonderbaren geur, wanneer de hogepriester zijn ambt waarneemt in het heiligdom, het verenigt in zich de edele bestanddelen voor Gods bedoelingen, aan welke het zich dienstbaar gemaakt heeft-het is een juist beeld van den Heiligen Geest, die de persoonlijke gaven van ieder heiligt en de verschillende individualiteiten tot ene eenheid zamenvoegt, die den meest weldadigen indruk maakt en een zoeten reuk voor God en mensen van zich geeft. Lieflijk is de dauw, die van den Hermon nederdaalt; zo fris en verkwikkend, zo krachtig en levenwekkend, zo onmiddellijk van boven geboren (Psalm 110:3) en als van den hemel zelven afstammende heeft men hem nergens als daar-en terwijl nu de gemeenschap der heiligen, zo als zij door de vereniging van het volk Gods in Zion tot stand komt, geestelijk hetzelfde aanbiedt, wat lichamelijk die dauw is, zo valt inderdaad de dauw van den Hermon op Zions bergen neer. Het is dan ook de wil en het raadsbesluit van God, dat alles, wat goed is, en de liefde in Zion zich moeten bevinden, zo als de andere helft van ons vers getuigt..
De ware vreugde heeft haar begin in God, en het wettig doel is, dat allen zuiver God vereren, en één van zin aanroepen..
Wat wij in Psalm 133 van den dauw van Hermon lezen, die op Zion nederdaalt, is mij thans duidelijk geworden. Hier aan den voet van den Hermon gezeten begrijp ik, hoe de waterdelen, die van zijne met bossen bedekte hoogten en uit de hoogste kloven, die het ganse jaar met sneeuw gevuld zijn, opstijgen, door de zonnestralen verdund, `s avonds als een sterke dauw op de lage bergen, die er rondom liggen, nedervallen. Men moet den Hermon met zijn schitterend witte, onder blauwen hemel blinkenden kroon gezien hebben, om het beeld goed te kunnen verstaan. Nergens in het land valt zulk een sterke dauw als in de landschappen nabij den Hermon..
De gave des Heiligen Geestes wordt vergeleken bij de zalfolie op des hogepriesters hoofd, omdat deze zalf op straffe des doods niet mocht worden nagemaakt. En daarom wee ook hem, die een valsen heiligen geest wil maken, en zijn eigen werk wil doen voorkomen, als ware het een werk van den Geest Gods! O, er zijn zo vele nagemaakte dingen, ook op geestelijk gebied. Dat wij ons er van onthouden en ons zelven gedurig biddende beproeven. Hoe velen hebben zich zelven aan het hoofd gesteld ook van geestelijke zaken, zonder er door God toe geroepen te zijn. Neen, men kan de geestelijke dingen maar zo niet voorschrijven en gebieden, zij moeten ons door de innigste behoeften onzer ziel worden aangegeven. Een kind van God wordt geboren, en al wat wordt geboren, en al wat waarlijk geestelijk is, wordt uit Hem ook geboren. Ook het tweede beeld geeft ons hetzelfde onderwijs. Wie kan den dauw namaken? Wel kan men water van een lieflijken geur bereiden, dat ons aangenaam verfrist, maar geen dauw. Deze moet van boven komen. Daarom hebben wij in den honderdtienden Psalm gezien, hoe het heir der gelovigen vergeleken wordt bij een leger, zo talrijk en zo schoon en zo gezegend als de dauwdroppels bij den dageraad. Welk een heerlijk gezicht niet waar? als men des zomers in den vroegen morgen die dauwdroppels aan al de bladeren en bloemen ziet trillen, tintelen, gekampeerd als een leger, dat het veld heinde en ver overdekt! Gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Zion. De werking des Heiligen Geestes is bij opvolging, is voorkomende en navolgende. Christus ontvangt den Heiligen Geest, doch Hij is uit den Heiligen Geest. Zo ook: wie gelooft, is uit God geboren. en op het geloof ontvangt men den Heiligen Geest. Op den laatsten (den Heiligen Geest) moet men wachten; op het eerste (het geloof) mag men niet wachten, maar is het woord van kracht: "Heden, zo gij Zijne stem hoort, verhardt uw hart niet." Daarom komt deze zaak in den vorm van een bevel: "Bekeert u, gelooft het Evangelie; staat op uit de doden!" Hier is enkel te gehoorzamen, en dit gehoorzamen is ook weer het werk des Heiligen Geestes, die ons van voren en van achteren bezet..
III. Vers 3b. Wat zij zo even van Zion gehoord heeft, dat op diens bergen zelfs de dauw van den ver verwijderden Hermon moet nederdalen, dat neemt het geheel der gemeente op en wijst aan, waarom het alzo is: daar heeft nu eenmaal de Heere het punt van verzameling en van uitgang van allen zegen voor de eeuwigheid gesteld.
Want de HEERE gebiedt aldaar, op Zion, waar de liefde heerst, den zegen en het leven tot in der eeuwigheid. Hij heeft ten opzichte van zegen en leven verordend, dat zij daar zamenstromen en van daar als uit de enige bron des heils zullen moeten geput worden, en dit heeft Hij onvertrekkelijk vastgesteld en voor alle tijden bepaald.
De zegen van broederlijke eendracht wast alleen op den grondslag van het rijk van God in `t midden der verdeelde wereld..
De liefde, welke de vrucht des Heiligen Geestes is, geeft ons reeds in het tijdelijke den schoonsten en rijksten zegen, maar in de eeuwigheid zal zij het enig element zijn, waarin ons harte leeft, want daar zullen geloof en hoop niet meer nodig zijn. Wie dus vreugde hebben wil, die hebbe lief, die hebbe den Heere lief, en in Hem al wat Hij met ons verbonden heeft. Liefde is vreugde. Wij, die geloven, zijn in Christus gezalfd met olie der vreugde, en die lief heeft, verspreidt vreugde. Och, wat zijn wij dwaas, dat wij ons eigen leven zo arm maken aan vreugde, door zo weinig liefde te betonen aan anderen. Mocht er dan ten minste van dit ogenblik af noch veel lieflijks uitgaan van ons leven; ja, mocht er ook nog dan, wanneer de reuk des doods uitgaat van ons lichaam, een reuk des levens uitgaan van onze ziel..
Ik bemin mijne broeders niet gelijk ik hen beminnen moest. Broederliefde is bij mij een heerlijk droombeeld, ene schone leer, maar gene werkelijkheid. Ik bemin ouders en vrienden, "doen niet ook de tollenaar alzo?" Ik wens het geluk der mensheid, maar de wens is zo flauw en algemeen, dat hij als een damp is voorbijgegaan, eer ik opsta tot handelen. Ik bewonder de zelfverloochening dier uitgelezene zielen, die het ongeluk ter genezing gaan opzoeken, ik prijs de Christenen, die gezondheid en goederen over hebben om arme zodat en te verlichten; bij bewondering blijft het; ik kan, of liever, ik wil hen niet navolgen. Ik ben soms minder dan lauw tegenover mijne broeders en wordt toornig, omdat zij niet voelen, spreken, handelen, gelijk ik zou hebben gewild. Hoe haastig ben ik in het opmerken van hun verkeerde handelingen tegen mij en hoe traag in het vergeten van deze; hoe spoedig mishaagt mij iemand en hoe ras wordt hij onverdraaglijk; als de wereld het wist, zelfs zij zou de oorzaken mijner ontevredenheid te gering vinden...
Heere! Gij kent mij, ik stel mij in oprechtheid voor U, Gij zijt mijn God; Heere! Gij zijt mijn Zaligmaker; ik weet, dat Gij tot degenen, die de kleinen der wereld hebben bezocht, geholpen, getroost, liefgehad, zult spreken: "komt", en tot degenen, die dit niet deden: "gaat henen in het helse vuur." Vergeving, Heere! stort Uwe liefde uit in mijn hart, geef mij de vreugde der zelfverzaking, der opoffering te leren smaken, doe het ijs mijns harten smelten, koudheid bezwaart mijn geweten en slechts uiterst moeilijk dringt Uwe Vaderliefde door tot mijn hart. Hetgeen ik vraag is meer belijdenis dan verlangen, en mij verootmoedigende, bid ik wederom: "Och, Heere! leer mij de broeders lief te hebben.