Psalm 38:13-23
In deze verzen:
I. Klaagt David over de macht en boosaardigheid van zijn vijanden, die niet alleen gebruik maakten van de gelegenheid, hun geboden door de zwakheid van zijn lichaam en de beroering van zijn geest, om over hem te juichen, maar ook om hem kwaad te doen. Hij heeft zeer veel tegen hen te zeggen, dat hij ootmoedig aanvoert als een reden, waarom God voor hem zal verschijnen, zoals Psalm 25:19 :"Aanzie mijn vijanden."
1. "Zij zijn zeer boosaardig en wreed, zij zoeken mijn kwaad; ja, meer, zij zoeken mijn ziel, dat is mijn leven," vers 13 Dat leven hetwelk zo kostbaar was in de ogen van God en van alle goede mensen, daar legden Zij het op toe alsof het verbeurd was, of een plaag was voor het algemeen. Zodanig is de vijandschap van het zaad van de slang tegen het zaad van de vrouw-het zou het hoofd willen wonden, ofschoon het niet verder dan tot aan de verzenen kan reiken. Het is het bloed van de heiligen, waarnaar gedorst wordt.
2. "Zij zijn zeer listig; zij leggen mij strikken, zij overdenken de gehele dag listen, en hierin zijn zij rusteloos onvermoeid, zij doen het de gehele dag- zij spreken verdervingen met elkaar, ieder van hen heeft iets voor te stellen, dat mij kwaad kan berokkenen. Kwaad dat op bedekte wijze en door bedrog gedaan wordt, kan met recht een strik worden genoemd.
3. Zij zijn zeer onbeschoft en beledigend; als mijn voet wankelt, als ik in moeilijkheid ben, als ik een vergissing bega, een verkeerd woord zeg, of een verkeerden stap doe, dan maken zij zich groot tegen mij, het doet hun genoegen, en zij vleien er zich mee dat het mijn invloed zal vernietigen, en dat ik, zo ik struikel, gewis zal vallen en omkomen."
4. "Zij zijn niet alleen onrechtvaardig, maar ook zeer ondankbaar; zij haten mij om valse oorzaken, nooit heb ik hun kwaad gedaan, ik was hun niet slecht gezind, gaf hun nooit aanleiding om toornig op mij te zijn, ja meer, zij vergelden mij kwaad voor goed, vers 2. Menige vriendelijkheid heb ik hun bewezen, waarvoor ik vriendelijkheid hunnerzijds had kunnen verwachten, "maar voor mijne liefde staan zij mij" "tegen," Psalm 109:4 Zulk een ingewortelde vijandschap is er in het hart van goddeloze mensen tegen goedheid om haars zelfs wil, dat zij haar haten, zelfs dan als zij er zelf door beweldadigd worden, zij haten het gebed, zelfs in hen, die in vrede met hen willen zijn, maar zeer boosaardig zijn zij, die door geen vriendelijkheid, geen goede dienst verzacht kunnen worden, maar er veeleer door worden verbitterd.
5. Zij zijn zeer goddeloos en duivelachtig; zij staan mij tegen bloot en alleen omdat ik het goede najaag. Zij haatten hem, niet slechts om zijn vriendelijkheid jegens hen, maar om zijn vroomheid en zijn gehoorzaamheid aan God; zij haatten hem, omdat zij God haatten en allen, die Zijn beeld dragen. Als wij kwaad lijden voor weldoen, dan moeten wij dat niet vreemd vinden, van de beginne af is dit zo geweest; Kaïn sloeg Abel dood, omdat zijn werken rechtvaardig waren; wij moeten het ook niet hard vinden, omdat het altijd zo zijn; want des te groter zal ons loon wezen.
6. Zij zijn velen en machtig; zij zijn levend, zij zijn sterk, worden vermenigvuldigd, vers 20 "Heere, hoe zijn mijn" "tegenpartijen vermenigvuldigd!" Psalm 3:2 De Godvruchtige David was zwak en moed, zijn hart hijgde en zijn kracht begaf hem, hij was treurig en bezwaard van geest en vervolgd door zijn vrienden, maar terzelfder tijd waren zijn vijanden sterk en levend, en hun aantal nam toe. Laat ons dus niet menen over van de mensen karakter te kunnen oordelen naar hun uitwendigen toestand; ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is. Het schijnt dat David in deze, evenals in andere klachten die hij doet over zijn vijanden, het oog heeft op Christus, wiens vervolgers waren zoals zij hier zijn beschreven, geheel ontbloot van alle eer en deugd. Niemand haat het Christendom of hij moet zich eerst ontdaan hebben van de eerste beginselen van de menselijkheid en haar heiligste banden hebben verscheurd.
II. Hij denkt met vertroosting aan zijn eigen vreedzaam en vroom gedrag onder al de beledigingen en smaad, die hem waren aangedaan. Dan alleen doen onze vijanden ons werkelijk kwaad als zij ons er toe brengen om te zondigen, Nehemia 6:13, als zij kunnen maken dat wij onze ziel niet bezitten, ons wegdrijven van God en onze plicht. Indien wij door Gods genade bekwaam worden gemaakt om dit kwaad te voorkomen, dan blussen wij hun vurige pijlen en worden bewaard voor kwaad, indien wij nog vasthouden aan onze oprechtheid en onze vrede, wie kan ons dan schaden? Dat heeft David hier gedaan.
1. Hij bleef in zijn humeur, verloor zijn kalmte niet door de minachting, die hem werd aangedaan, of het kwaad, dat tegen hem gezegd en gedaan werd, vers 14, vers 15 Ik daarentegen ben als een dove; ik hoor niet, ik nam geen notitie van de beledigingen, die zij mij aandeden, was er niet vertoornd om, werd er niet door in wanorde gebracht, en nog veel minder zin ik op wraak, of legde ik er mij op toe om hen van mijn kant te beledigen. Hoe minder notitie wij nemen van de onvriendelijkheid en de beledigingen, die ons worden aangedaan, hoe meer wij met onze eigen gemoedsrust te rade gaan. Doof zijnde, was hij ook stom, als een man in wiens mond geen tegenredenen zijn; hij was zo stil, alsof hij niets had te zeggen, uit vrees van anders in drift te geraken en zijn vijanden nog maar meer in woede tegen hem te ontsteken. Hij wilde niet alleen hen niet beschuldigen, maar niet eens zichzelf verdedigen, opdat zijn noodzakelijke zelfverdediging hem niet tot misdaad zou worden aangerekend. Ofschoon zij zijn leven zochten, en zijn stilzwijgen voor een bekentenis van schuld kon aangezien worden, was hij toch els een stomme, die zijn mond niet opendoet. Als onze vijanden het meest schreeuwen, dan doen wij over het algemeen het voorzichtigst als wij zwijgen of weinig zeggen, opdat wij hetgeen kwaad is niet nog erger maken. David kon niet hopen zijn vijanden door zachtheid te winnen, of door zijn zacht antwoord hun grimmigheid af te keren, want zij waren mannen van zo'n laaghartig karakter, dat zij hem kwaad voor goed vergolden, en toch bleef hij zo zachtmoedig en nederig tegenover hen, ten einde zonde in zichzelf te voorkomen, en daar de troost van te hebben bij het herdenken ervan Hierin was David een type van Christus, die als een schaap was, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders en toen Hij gescholden werd niet wederschold, en beide zijn voorbeelden voor ons om geen schelden voor schelden te vergelden.
2. Hij hield zich door geloof en gebed dicht bij God en zo heeft hij zich ondersteund onder deze beledigingen, en zijn eigen toorn er over tot zwijgen gebracht.
a. Hij vertrouwde op God, vers 16 "Ik was als een man, die niet hoort, als een stomme, die zijn mond niet opendoet, want op U, Heere, hoop ik. Ik verlaat mij op U om mijn zaak te bepleiten, mijn onschuld aan het licht te brengen, en hen op de een of andere wijze tot zwijgen en schande te brengen." Zijn liefhebbers en vrienden, die hem hadden moeten erkennen en bijstaan, en als getuigen voor hem hadden moeten optrekken, onttrokken zich aan hem, vers 12 Maar God is een vriend die ons nooit verlaat, ons nooit begeeft als wij op Hem hopen. "Ik was als een man, die niet hoort, want Gij zult horen." Wat behoef ik te horen als God hoort? Hij zorgt "voor u," 1 Petrus 5:7. En wat behoeft gij te zorgen als God zorgt? en wat antwoorden (zo lezen het sommigen)" en daarom zal ik niets zeggen." Het is een goede reden, waarom wij smaad en laster met stilzwijgen en geduld moeten dragen, dat God getuige is van al het onrecht, dat ons wordt aangedaan, en te bestemder tijd zal Hij als getuige voor ons optreden en tegen hen, die ons onrecht doen. Zo laat ons dan stil zijn, want dan kunnen wij verwachten dat God ten onze gunste zal verschijnen, want dit is een bewijs dat wij op Hem vertrouwen; maar als wijzelf voor ons willen handelen, dan nemen wij God het werk uit de handen en verbeuren het voordeel, dat Hij voor ons optreedt Toen onze Heere Jezus leed, heeft Hij niet gedreigd omdat Hij het "overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt," 1 Petrus 2-23; en wij zullen er niets bij verliezen, indien wij dit doen. Gij, "Heere, zult voor mij antwoorden".
b. Want ik zei: Hoor mij vers 17 De woorden: "Hoor mij" zijn ingelast. "Ik zei dit," zoals in vers 16, "op U hoop ik, want Gij zult horen, opdat zij zich niet over mij verblijden, dat was mij tot troost, toen ik vreesde dat zij mij zouden overstelpen." Het is als de mensen vals en onvriendelijk zijn ons tot grote steun dat wij een God hebben, tot wie wij heen kunnen gaan, en allen wij getrouw voor ons zullen bevinden.
III. Hij betreurt hier zijn eigen dwaasheden en zwakheden.
1. Hij was zich zeer bewust van de werkingen van het bederf in hem, dat hij nu bereid is om te murmureren tegen de voorzienigheid Gods en in drift te geraken over de beledigingen, die de mensen hem aandeden, ik ben tot hinken gereed, vers 18 Dit zal het best verklaard worden door een gelijksoortige opmerking, die de psalmist in een dergelijk geval gemaakt heeft. "Mijn voeten waren bijna uitgeweken," toen ik de voorspoed van de goddelozen zag, Psalm 73:2 Zo ook hier: ik was tot hinken gereed, gereed om te zeggen: "ik heb tevergeefs mijn hart gezuiverd en mijn handen in onschuld gewassen." Zijn smart hield aan, "terwijl ik de gehele dag geplaagd ben," Psalm 73:13, 14, en zij was gedurig voor zijn ogen, hij kon het niet laten om er op te zien en dat maakte hem bijna gereed tot hinken tussen Godsdienstigheid en ongodsdienstigheid. De vrees daarvoor dreef hem uit tot zijn God. "Op U hoop ik, niet alleen dat Gij mijn zaak zult voorstaan, maar dat Gij mijn vallen in zonde zult voorkomen." Godvruchtige mensen waren doordat zij hun leed gedurig voor ogen hadden tot hinken gereed, maar door zich God geduriglijk voor te stellen, zijn zij staande gebleven.
2. Hij gedenkt tegen zichzelf zijn vorige overtredingen, erkennende dat hij door deze zijn moeilijkheden over zich had gebracht en de Goddelijke bescherming had verbeurd. Hoewel hij zich kon rechtvaardigen) zal hij zich toch voor God oordelen en veroordelen, vers 19 "Ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, en bedek haar niet, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde, en beschouw haar niet als gering of onbeduidend," en dit droeg er toe bij om hem stil te maken onder de bestraffingen van de Voorzienigheid en de smaad van de mensen. Als wij waarlijk berouw hebben van de zonde, dan zal dit ons geduldig maken onder beproeving, en inzonderheid onder onrechtvaardige berisping en afkeuring. In berouw en bekering worden twee dingen geëist:
a. Belijdenis van zonde: "ik zal mijn ongerechtigheid bekendmaken; ik zal mij niet slechts in het algemeen als zondaar erkennen, maar ik zal een bijzondere bekentenis afleggen van het verkeerde, dat ik gedaan heb." Wij moeten vrijwillig en volledig onze zonden aan God bekendmaken met de verzwarende omstandigheden ervan, ten einde God eer te geven, en voor ons de beschaamdheid des aangezichts te nemen.
b. Droefheid over de zonde: ik ben er bekommerd om. Zonde brengt smart teweeg, iedere echte boetvaardige treurt over de oneer, die hij God heeft aangedaan, en het onrecht, dat hij aan zichzelf gepleegd heeft. "Ik zal in zorg, of vrees zijn over mijn zonde," zo lezen het sommigen, "in vrees, dat zij verderf over mij zal brengen; in zorg om er vergiffenis voor te verkrijgen "
IV. Hij besluit met een zeer vurig gebed tot God om Zijn genadige nabijheid en tijdige, krachtige hulp in zijn benauwdheid, vers Z2, 23. verlaat mij niet, o Heere, mijn God! hoewel mijn vrienden mij verlaten, en ik verdien door U verlaten te worden. Wees niet verre van mij, gelijk mijn ongelovig hart gereed is te vrezen." Niets gaat een Godvruchtige onder beproeving meer ter harte dan in vrees te verkeren dat God in Zijn toorn hem verlaten zal en daarom komt dan ook niets met meer gevoel uit zijn hart dan dit gebed: Heere, mijn God, wees niet verre van mij, haast u tot mijn hulp, want ik ben op het punt van om te komen, in gevaar van verloren te gaan, indien mij niet spoedig hulp wordt verleend." God staat ons toe, niet alleen om Hem aan te roepen als wij in benauwdheid zijn, maar Hem te haasten, blijven pleiten: "Gij zijt mijn God, wie ik dien, en op wie ik vertrouw om mij door te helpen, en mijn heil, die alleen machtig zijt om mij te verlossen, die U door Uw belofte verbonden hebt om mij te verlossen, en van wie alleen ik verlossing verwacht." Is iemand in lijden, in beproeving? Dat hij aldus bidde, dat hij aldus pleite, aldus hope terwijl hij deze psalm zingt.