Psalm 35:1-10
In deze verzen zien wij:
I. Hoe David zijn zaak voorstelt aan God, de rusteloze woede en boosaardigheid voorstelt van zijn vervolgers, hij was Gods dienstknecht bepaaldelijk door Hem aangesteld om te zijn wat hij was; hij volgde Zijn leiding en streefde naar Zijn eer in de weg van zich plicht, had, zoals Paulus zegt, met alle goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag; en toch waren er, die met hem twistten, die alles deden wat zij konden om zijn verhoging tegen te staan, en allen invloed die zij hadden, tegen hem gebruikten; zij streden tegen hem, vers 1; ondermijnden hem niet slechts in het verborgene, maar kwamen openlijk uit voor hun tegenstaan van hem, en legden het er op toe om hem alle mogelijke kwaad te doen. Zij vervolgden hem met onvermoeide vijandschap, zochten zijn ziel, vers 4 dat is: zijn leven; met niets minder kon hun bloeddorstig gemoed zich tevreden stellen; zij legden het er op toe om zijn geest te ontrusten, hem in wanorde te brengen. Het was geen plotseling opgekomen hartstocht, die zij tegen hem koesterden maar ingewortelde boosaardigheid; zij beraamden zijn nadeel; zij raadpleegden met elkaar, stelden hun vernuft tewerk, niet alleen om hem onheil te berokkenen, maar om wegen en middelen te bedenken om hem in het verderf te storten. Zij behandelden hem, die de grootste zegen was van zijn land, alsof hij er de vloek en de plaag van was, zij maakten jacht op hem als op een gevaarlijk roofdier; zij groeven een kuil voor hem en legden er een net in, teneinde hem in hun macht te krijgen, vers 7 Zij gaven zich zeer veel moeite om hem te vervolgen, want zij maakten een groeve voor hem, vers 7, en zeer geheimzinnig en listig waren zij in het beramen van hun plannen; de oude slang leerde hen arglistigheid; zij verborgen hun net voor David en zijn vrienden, maar tevergeefs, want zij konden het niet verbergen voor God. Eindelijk, hij vond dat hij niet tegen hen was opgewassen. Zijn vijand, Saul vooral, was hem te sterk, vers 10, want hij had het leger tot zijn dienst en onder zijn bevelen, matigde zich aan om voor zich alleen de macht te hebben om wetten te maken en recht te spreken, beschuldigde en veroordeelde wie hem goeddocht; hij voerde geen scepter, maar een werpspies, om naar ieder te werpen, die hem in de weg stond. Zodanig was de wijze van de koning, en allen, die hem omringden, waren genoodzaakt te doen wat hij hun gebood, of het recht of onrecht was. Des konings woord is wet, alles geschiedde met trotse aanmatiging; hij heeft akkers en wijngaarden tot zijn beschikking, kan wie hij wil bevorderen en verhogen, 1 Samuël 22:7 Maar David is arm en nooddruftig, heeft niets om er zich vrienden door te maken en daarom heeft hij ook niemand die voor hem opkomt, behalve enige mannen in berooider toestand, zoals wij zeggen, 1 Samuël 22:2, geen wonder dus dat Saul hem van het weinige, dat hij verkregen had, beroofde en zijn invloed teloor ging. Als de koningen van de aarde zich stellen tegen de Heere en Zijn Gezalfde, wie kan dan tegen hen strijden? Het is niets nieuws, dat de rechtvaardigste mensen en de rechtvaardigste zaak veel machtige en boosaardige vijanden hebben; met Christus zelf werd getwist en gestreden, er is strijd gevoerd tegen het heilig zaad; en wij moeten ons daarover niet verwonderen, het is de vrucht van de oude vijandschap tussen het zaad van de slang en het zaad van de vrouw.
II. Zijn beroep op God betreffende zijn oprechtheid en de rechtvaardigheid van zijn zaak. Indien een medeonderdaan hem had verongelijkt, hij zou een beroep hebben kunnen doen op zijn vorst, zoals Paulus zich op de keizer beroepen heeft, maar als zijn vorst hem onrecht deed, beriep hij zich op God, die vorst en rechter is van de koningen van de aarde. Pleit mijn rechtszaak, o Heere, vers 1 Een rechtvaardige zaak kan met de grootst mogelijke voldoening de rechtvaardige God voorgelegd worden, opdat Hij er uitspraak in doe, want Hij kent er de omstandigheden van, is volkomen onpartijdig, kent geen aanzien des persoons. God wist dat zij zonder oorzaak zijn vijanden waren en zonder oorzaak kuilen voor hem hadden gegraven, vers 7 Het zal, als de mensen ons onrecht doen, ons ter vertroosting wezen, indien ons geweten voor ons getuigt dat wij hun geen onrecht gedaan hebben. Zo was het met Paulus: "De Joden heb ik geen onrecht gedaan" Handelingen 25:10 Wij zijn geneigd onze verstoordheid wegens het kwaad, dat de mensen ons doen, te verontschuldigen met te zeggen dat wij er hun nooit reden voor gegeven hebben terwijl dit juist meer dan iets anders er ons rustig en kalm onder moest houden, omdat wij dan met volle zekerheid kunnen verwachten dat God onze twistzaak zal twisten.
III. Zijn gebed tot God, om in deze beproeving voor hem en aan hem te verschijnen.
1. Voor hem. Hij bidt dat God zal strijden tegen zijn vijanden, teneinde hun de macht te benomen om hem kwaad te doen en hun plannen tegen hem zal verijdelen, vers 1, dat Hij schild en rondas zal grijpen, want de Heere is een krijgsman, Exodus 15:3, en zal opstaan tot zijn hulp, vers 2, want hij; had weinigen, die konden opstaan voor hem, en al zou hij er ook nog zo velen gehad hebben, zij zouden hem, zonder God, tot niets nut zijn geweest. Hij bidt dat God hun weg toe zal sluiten, opdat zij hem niet zouden kunnen achterhalen als hij voor hen vluchtte. Dit gebed mogen wij bidden tegen onze vervolgers, dat God hen zal terughouden, hun weg zal versperren.
2. Aan hem. "Zeg tot mijne ziel: Ik ben uw heil, laat mij onder mijn uitwendige beproeving innerlijke vertroosting hebben, om mijn ziel te ondersteunen. Laat God mijn heil zijn, niet slechts mijn redder uit mijn tegenwoordige benauwdheid, maar mijn eeuwig heil; laat mij niet slechts de verlossing hebben, waarvan Hij de werker is, maar het heil dat bestaat in Zijn gunst. En laat mij het weten, laat mij er de troostrijke verzekering van hebben in mijn eigen gemoed." Indien God door Zijn Geest getuigt met onze geest dat Hij ons heil is, dan hebben wij genoeg, dan behoeven wij niets meer te begeren om ons gelukkig te maken en dit is een krachtige steun als de mensen ons vervolgen. Indien God onze vriend is, dan doet het er niet toe wie onze vijand is.
IV. Zijn uitzicht op de verwoesting van zijn vijanden, waar hij om bidt, niet in boosaardigheid of wraakzucht, wij hebben gezien hoe geduldig hij het vloeken van Simei : gedragen heeft: Laat hem vloeken, want de Heere toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; en wij kunnen niet veronderstellen dat hij die zo zachtmoedig was in zijn wandel, lucht zou geven aan drift of hartstocht in zijn gebeden; maar door de geest van de profetie voorzegt hij het rechtvaardig oordeel Gods, dat over hen zal komen wegens hun goddeloosheid en boosaardigheid, hun wreedheid en trouweloosheid en inzonderheid hun vijandschap tegen de raad Gods, de belangen van de Godsdienst, en de reformatie, waarvan zij wisten dat David, zo hij ooit de macht in handen had, het werktuig zou zijn. Zij schenen verhard te zijn in hun zonden, tot het getal te behoren van hen, die zondigen tot de dood en voor wie niet gebeden moet worden, Jeremia 7:16, 11:14; 14:11, 1 Johannes 5:1-6. - Wat Saul zelf betrof David wist waarschijnlijk dat God hem verworpen had en aan Samuël had verboden leed om hem te dragen, 1 Samuël 16:1. En deze voorzeggingen zien verder en duiden het oordeel aan over de vijanden van Christus en Zijn koninkrijk, zoals blijkt uit een vergelijking met Romeinen 11:9, 10. Hier bidt hij:
1. Tegen zijn vele vijanden, vers 4-6 Laaf hen beschaamd worden, enz. Of, zoals Dr. Hammond het leest: Zij zullen beschaamd worden, zij zullen achterwaarts gedreven worden. Dit kan opgevat worden als een gebed om hun bekering, want alle boetvaardigen worden beschaamd om hun zonde en ervan achterwaarts gedreven. Of, indien zij niet tot berouw en bekering worden gebracht, dat zij dan verslagen en teleurgesteld zullen worden in hun plannen tegen hem, en aldus te schande worden gemaakt. Maar al zouden zij ook tot op zekere hoogte de overhand hebben, dan voorziet hij dat dit toch op hun verderf zal uitlopen; zij zullen als kaf zijn voor de wind; zo onmachtig zullen de goddelozen zijn om te bestaan voor het oordeel Gods, en zo zeker zullen zij er door weggedreven worden, Psalm 1:4 "Hun weg zal duister en slibberig zijn" duisternis en slibberigheden, zo is het in de grondtekst. Zo is ook de weg van de zondaars, want zij wandelen in de duisternis en in voortdurend gevaar om in zonde te vallen, in de hel te vallen, en zo zal het ten laatste ook zijn, want "hunlieder voet zal wankelen," Deuteronomium 32:35 Maar dit is er nog het ergste niet van: zelfs kaf voor de wind kan nog tegengehouden worden en een plaats van de ruste vinden, en, hoewel de weg duister en slibberig is, is het toch mogelijk dat de mens er op staande blijft; maar hier wordt voorzegd dat de engel des Heren hen zal wegdrijven, vers 5, zodat zij geen rust zullen vinden; hen zal vervolgen vers 6, zodat zij bij geen mogelijkheid aan de kuil des verderfs kunnen ontkomen. Gelijk Gods engelen zich legeren rondom degenen, die Hem vrezen, zo legeren zij zich tegen hen die tegen Hem strijden. Zij zijn de dienaren van Zijn gerechtigheid, zowel als van Zijn barmhartigheid. Zij, die God tot hun vijand maken, maken ook al Gods heilige engelen tot hun vijanden.
2. Hij bidt tegen zijn ene, machtige vijand, vers 8 De verwoesting overkome hem. Het is waarschijnlijk dat hij Saul bedoelt, die strikken voor hem spande en het toelegde op zijn verderf. David deed de gelofte dat hij zijn hand niet aan hem leggen zal, hij wilde geen rechter zijn in zijn eigen zaak, maar terzelfder tijd voorzegt hij dat "de Heere hem zal slaan," 1 Samuël 26:10; en hier, dat het net, dat hij verborgen heeft, hemzelf zal vangen, en dat hij daarin zal vallen met verwoesting, hetgeen op treffende wijze vervuld werd in Saul, die een complot had beraamd om David "te vellen door de hand van de Filistijnen," 1 Samuël 18:25 Dat was het net, dat hij voor hem verborgen had, onder voorwendsel van hem eer aan te doen en in datzelfde net werd hij zelf gevangen want toen zijn dag om te vallen was gekomen, viel hij door de hand van de Filistijnen.
V. Zijn uitzicht op zijn eigen bevrijding, waaraan hij, zijn zaak aan God hebbende overgegeven, niet twijfelde, vers 9, 10
1. Hij hoopte er de vertroosting van te hebben; "mijn ziel zal zich verheugen, niet in mijne rust en veiligheid, maar in de Heere en in Zijn gunst, in Zijn belofte en in Zijn heil, overeenkomstig Zijn belofte." Blijdschap in God en Zijn heil is de enig ware, voldoening schenkende blijdschap. Zij, wier ziel bedroefd is in de Heere, die zaaien in tranen en droefheid hebben naar God, behoeven er niet aan te twijfelen dat te bestemder tijd hun ziel zich zal verheugen in de Heere, want blijdschap is voor hen gezaaid, en zij zullen ten laatste ingaan in de vreugde van hun Heere.
2. Hij beloofde dat God er dan de eer van zal ontvangen, vers 10. Al mijne beenderen zullen zeggen: Heere, wie is U gelijk?
a Hij zal God loven niet de gehele mens, met al wat binnen in hem is, en met al de kracht en de vermogens van zijn ziel, aangeduid door zijn beenderen, die binnen in het lichaam zijn en er de kracht van uitmaken.
b. Hij zal Hem loven als gadeloos, ongeëvenaard in volmaaktheid. Wij kunnen niet uitdrukken hoe groot en goed God is, en daarom moeten wij Hem loven als weergaloos. Heere, wie is U gelijk? Er is geen andere zodanige beschermer van de verdrukte onschuld, geen zodanige straffer van juichende tirannie. De formering van onze beenderen, zo wondervol, zo kunstig, Prediker 11:5, Psalm 139:16, het nut onzer beenderen en hun bewaring, en inzonderheid het leven dat bij de opstanding in de dorre beenderen geblazen zal worden en ze zal doen groeien als het tere gras, verplichten ieder been in ons lichaam om, indien het kon spreken, te zeggen: Heere, wie is U gelijk? en gewillig te zijn tot alle dienst en lijden voor Hem.