2 Samuël 4:1-8
I. Hier is zwakheid van Sauls huis, het werd al zwakker en zwakker.
1. Aangaande Isboseth, die de troon in bezit had: zijn handen werden slap, vers 1, al de kracht, die er ooit in geweest was, was ontleend aan Abners steun, maar nu deze dood was, was er in Isboseth geen moed meer. Hoewel Abner in drift en toorn zijn zijde had verlaten, hoopte hij toch door zijn bemiddeling tot goede voorwaarden met David te zullen komen, maar nu begeeft hem ook deze hoop en ziet hij zich verlaten door zijn vrienden, overgegeven aan de genade van zijn vijanden. Al de Israëlieten, die hem aanhingen, waren verschrikt, niet wetende wat te doen, of zij al of niet in hun onderhandelingen met David moesten voortgaan.
2. Wat Mefiboseth betreft, die door zijn vader Jonathan het eerste recht had op de troon, zijn voeten waren verlamd, en hij was onbekwaam tot enige dienst, vers 4. Hij was pas vijf jaar oud, toen zijn vader en grootvader gedood werden, en zijn voedster, horende van de zegepraal van de Filistijnen, vreesde dat zij terstond een bende zouden afzenden naar Sauls huis, om allen te doden, die er toe behoorden en het inzonderheid op haar jonge meester gemunt zouden hebben, die nu de naaste erfgenaam was van de kroon. Onder de invloed van deze vrees vlood zij met het kind in haar armen, hetzij om ergens in een verborgen plaats veiligheid te zoeken, waar men hem niet zou kunnen vinden, of ergens in een vreemde plaats, waar men hem niet zou kunnen bereiken, en meer haast makende dan goede voortgang viel zij met het kind, en door de val waren er enige beenderen gebroken of ontwricht, en niet goed weer gezet, zodat hij er levenslang kreupel van bleef, ongeschikt voor het hof zowel als voor het leger. Zie aan welke ongevallen kinderen blootstaan, waarvan de uitwerking levenslang door hen gevoeld wordt, zelfs de kinderen van prinsen en groten. Godvruchtige mannen, want zo een was Jonathan, kinderen, die wel verzorgd worden, en hun eigen voedsters hebben, ook zij zijn niet altijd veilig. Hoeveel reden hebben wij om God te danken voor de bewaring van ons leven en onze ledematen in al de gevaren van de zwakke en hulpeloze staat van de kindsheid, en Zijn goedheid te erkennen als Hij Zijn engelen van ons beveelt, dat zij ons bewaren in al onze wegen, ons in hun armen dragen, waaruit geen gevaar is van te zullen vallen, Psalm 91:12.
II. Er wordt ons hier betreffende de moord op Sauls zoon meegedeeld:
1. Wie de moordenaars waren, Baena en Rechab, vers 2, 3. Zij waren broeders, zoals Simeon en Levi, en deelgenoten in de ongerechtigheid. Zij waren Isboseths eigen dienaren, of waren het geweest, gebruikt in zijn dienst, zoveel te meer laag en verraderlijk was het in hen om hem leed toe te brengen. Zij waren Benjaminieten, dus van zijn eigen stam. Zij waren van de stad Beeroth. Om de een of andere reden, die wij nu niet kunnen verklaren, wordt hier zorg gedragen om ons te doen weten (in een tussenzin) dat die stad tot het lot van Benjamin behoorde (zo bevinden wij het in Jozua 18:25) maar dat de inwoners bij de een of andere gelegenheid, misschien wel bij de dood van Saul, naar Gitthaim gevloden waren, een andere stad, die niet ver afgelegen was in dezelfde stam, maar beter door de natuur versterkt, daar zij indien wij staat kunnen maken op de kaart van de heer Fuller, gelegen was tussen de twee rotsen, Bozes en Seneh. Daar waren de Beërothieten toen dit geschreven werd, en waarschijnlijk hebben zij er zich voor goed gevestigd, en zijn zij niet naar Beeroth teruggekeerd, hetgeen maakte dat Beeroth, dat een van de steden van de Gibeonieten was geweest, Jozua 9:17, vergeten werd, en Gitthaim lang daarna vermaard werd, zoals wij bevinden in Nehemia 11:33. 2. Hoe de moord gepleegd werd, vers 5-7. Zier hier:
a. Isboseths traagheid, des middags lag hij te bed. Het blijkt niet dat het op enige tijd van het jaar zo warm was in dat land, dat de inwoners genoodzaakt waren zich des middag terug te trekken, zoals ons gezegd wordt dat dit in Spanje in de zomer het geval is, maar Isboseth was een traag man, die van zijn gemak hield en een afkeer had van arbeiden, en toen hij in dit hachelijk tijdsgewricht zich aan het hoofd van zijn krijgsmacht had moeten bevinden, of aan het hoofd van zijn raadsvergaderingen, waar met David onderhandeld werd, lag hij op zijn bed te slapen, want zijn handen waren slap vers 1, en dat waren ook zijn hoofd en zijn hart. Als de moeilijkheden ons ootmoedigen, die ons veeleer moesten versterken en aansporen om alle krachten in te spannen, dan verraden wij zowel onze kroon als ons leven. Heb de slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt. De luie ziel is een gemakkelijke prooi voor de verderver.
b. Het verraad van Baena en Rechab. Zij kwamen in het huis onder voorwendsel van tarwe te halen om hun regiment te provianderen, en zo groot was de eenvoud dier tijden, dat des konings korenkamer en slaapkamer vlak bij elkaar lagen, hetgeen hun de gelegenheid gaf om toen zij tarwe haalden, hem te vermoorden op zijn bed. Wij weten niet wanneer en waar de dood ons zal overvallen, als wij nederliggen om te slapen, zijn wij er niet zeker van, of wij niet de slaap des doods zullen slapen eer wij ontwaken, en wij weten ook niet welke onverdachte hand ons de slag zal toebrengen. Isboseths eigen mannen, die zijn leven hadden moeten beschermen, ontnamen het hem.
3. De moordenaars juichen in hetgeen zij gedaan hebben. Alsof zij een glansrijke daad hadden verricht, en haar verricht te hebben voor David, niet alleen volstond om haar te rechtvaardigen, maar te heiligen, geven zij Isboseths hoofd aan David ten geschenke, vers 8. Zie, daar is het hoofd van Isboseth, van uw vijand, zij dachten dat niets hem welgevalliger kon zijn, ja, zij stellen zich voor als de werktuigen van Gods gerechtigheid, dienaren, die Zijn zwaard dragen, hoewel zij er niet toe aangesteld waren: de Here heeft mijnen heer de koning te deze dage wraak gegeven van Saul en van zijn zaad. Niet dat zij zich ook maar in het minst bekommerden om God of om Davids eer, zij beoogden niets anders dan fortuin te maken voor zichzelf (zoals wij zeggen) en bevordering te verkrijgen aan Davids hof, maar om zich aangenaam te maken bij David, wenden zij voor zorg te hebben voor zijn leven, overtuigd te zijn van zijn recht op de kroon, en een vurige begeerte te hebben om hem voor goed op de troon bevestigd te zien. Jehu wendde ijver voor de Here der heirscharen voor, toen eerzucht om zich en zijn geslacht te verheffen de drijfveer was van zijn handelingen.