1 Samuël 26:6-12
I. Hier is Davids stoutmoedig waagstuk om zich, alleen vergezeld door zijn bloedverwant Abisai, de zoon van Zeruja, des nachts naar Sauls leger te begeven. Hij stelde dit voor aan hem en nog een ander van zijn vertrouwelingen, vers 6, maar de ander weigerde, hetzij omdat de onderneming al te gevaarlijk was, of tenminste omdat hij liever wilde dat Abisai het zou doen dan hij zelf.
Of David nu hiertoe gedrongen was door zijn eigen kloekmoedigheid, of door een buitengewonen indruk in zijn hart of door het orakel, blijkt niet, maar evenals Gideon is hij door de bijzondere bescherming Gods de schildwachten voorbij gekomen zonder opgemerkt te worden.
II. Hoe hij het kamp vond. Saul lag te slapen in den wagenburg, en zijn spies stak in de aarde aan zijn hoofdeinde, gereed voor zijn hand, indien er alarm was in het leger, vers 7, en al de soldaten, zelfs zij, die op wacht moesten staan, waren in diepe slaap gedompeld, vers 12. Aldus waren hun ogen gesloten en hun handen gebonden, want er was een diepe slaap des HEEREN op hen gevallen.
Daar was iets buitengewoons in, dat zij allen tegelijk door die diepe slaap bevangen waren, zodat David en Abisai onder hen liepen en met elkaar spraken, en niemand zich bewoog. Slaap is, als God hem geeft aan Zijn beminden, hun tot rust en verkwikking, maar als het Hem behaagt kan Hij er Zijn vijanden door gevangen houden. "De stouthartigen zijn beroofd geworden, zij hebben hun slaap gesluimerd, en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden, van Uw schelden, o God van Jakob, "" Psalm 76:6, 7. Het was een diepe slaap des HEEREN, die over de krachten van de natuur gebiedt, en ze, naar het Hem behaagt, Zijn doeleinden doet dienen. Dien God wil verderven, bindt Hij door een "geest des diepen slaaps", Romeinen 11:8.
Hoe hulpeloos liggen Saul en zijn krijgslieden daar ter neer! Allen zo goed als ontwapend en geketend, en toch is hun niets gedaan, zij zijn slechts in slaap gewiegd. Hoe gemakkelijk kan God de sterksten verzwakken, de wijsten tot dwazen maken, de waakzaamsten doen overrompelen! Laat daarom al Zijn vrienden op Hem betrouwen, en Zijn vijanden voor Hem vrezen.
III. Abisai's verzoek aan David om een opdracht van hem om Saul te doden met de spies, die aan zijn hoofdeinde in de grond stak, wat hij, nu de gelegenheid er toe zo gunstig was, op zich nam om met een enkele slag te doen, vers 8.
Hij wilde David niet dringen om het zelf te doen, omdat hij het tevoren geweigerd had, toen hij er een zelfde gelegenheid voor heeft gehad, maar hij verzocht dringend, dat hij hem verlof zou geven om het te doen, pleitende dat hij zijn vijand was, niet slechts wreed en onverzoenlijk, maar vals en trouweloos, die zich door geen verstand wilde laten regeren, geen goedheid op zich wilde laten inwerken, en dat God hem in zijn hand besloten heeft en hem als het ware gebood het te doen. De laatste maal was het als het ware slechts toevallig geweest, toen Saul tegelijkertijd met hem in de spelonk ging, maar nu was er iets buitengewoons in, de diepe slaap, die op Saul en al zijn wachten gevallen was, was blijkbaar van de Heere, zodat het een bijzondere leiding was van Gods voorzienigheid, die hem deze gelegenheid gaf, en die hij dus niet moest laten voorbijgaan. IV. Davids edelmoedige weigering om aan Saul enig leed te laten geschieden, en daarin een vastberaden blijven bij zijn beginselen van trouw, vers 9. David gebood Abisai hem niet te verderven, hij wilde niet alleen het zelf niet doen, maar hij wilde ook niet toelaten dat een ander het deed. En hij heeft er twee redenen voor opgegeven.
1. Het zou een beledigen zijn van Gods ordonnantie. Saul was de gezalfde koning Israëls door uitdrukkelijke benoeming en aanstelling van de God Israëls, de door God verordineerde macht, hem te weerstaan, was dus "de verordening van God te weerstaan", Romeinen 13:2.
Niemand kan dit doen en onschuldig blijven, waar hij voor vreesde was schuld, en hij was meer bezorgd voor zijn onschuld dan voor zijn veiligheid.
2. Het zou een zondig vooruitlopen zijn van Gods voorzienigheid. In het geval van Nabal heeft God hem genoegzaam getoond, dat zo hij het aan Hem overlaat om recht te doen Hij het ter bestemder tijd ook doen zal.
Aangemoedigd dus door zijn ervaring in dat geval, besluit hij te wachten, totdat God hem recht zal doen op Saul, en wil hij volstrekt niet zichzelf wreken, vers 10.
De HEERE zal hem slaan, zoals Hij Nabal geslagen heeft, door een plotselingen slag, of hij zal in een strijd trekken dat hij omkome (zoals ook spoedig daarna gebeurd is), of zijn dag zal komen, dat hij een natuurlijke dood sterve, en David zal tevreden zijn om tot die tijd te wachten, liever de zich met geweld de weg banen tot de beloofde kroon.
Wèl was de verzoeking zeer sterk, maar als hij er aan toegeeft, zondigt hij tegen God, en daarom wederstaat hij de verzoeking met de grootst mogelijke vastberadenheid, vers 11 : De Heere late het verre van mij zijn, dat ik mijn hand legge aan den gezalfde des HEEREN!, neen, ik zal het nooit doen, noch toelaten dat een ander het doet." Zo kloekmoedig stelt hij dus de reinheid van zijn geweten boven zijn belang, en laat hij de uitkomst over aan God.
V. Het gebruik, dat hij van die gelegenheid heeft gemaakt tot verder bewijs van zijn oprechtheid. Hij en Abisai namen de spies en de waterfles mee van Sauls hoofdeinde, vers 12, en wat zeer vreemd was, niemand onder al die wachten heeft het bemerkt, als een arts hun het sterkste slaapmiddel had toegediend, zouden zij niet vaster in slaap kunnen geweest zijn. Sauls spies, die hij bij zich had tot zijn verdediging, en zijn waterfles, die hij bij zich had tot zijn verkwikking, werden hem ontnomen terwijl hij sliep. Aldus verliezen wij onze kracht en onze vertroosting, als wij niet waken, maar gerust zijn, en ons aan zorgeloosheid overgeven.