1 Samuël 23:14-18
I. Hier zien wij David zich verbergende. Hij bleef in de woestijn, op den berg, vers 14 in een woud, vers 15. Wij zien hier
1. Zijn uitnemende bescheidenheid, trouw aan zijn vorst, en zijn geduldig wachten op de leiding van zijn God. Hij ging zijn krijgsmacht niet aanvoeren tegen Saul, streed niet met hem in het veld, overviel hem niet door de een of andere krijgslist, om aldus zijn eigen twist en die van de priesters des HEEREN op hem te wreken, en een einde te maken aan zijn moeilijkheden en aan de rampen des lands onder zijn tirannieke regering. Neen, hij doet geen poging van die aard, hij blijft op Gods weg, wacht op Gods tijd en vergenoegt zich met zich te beveiligen in woud en wildernis hoewel het voor sommigen een smaad mocht schijnen van de kloekmoedigheid, om welke hij zo vermaard is geweest. Maar:
2. Wij moeten ook treuren om zijn hard lot dat een onschuldig man aldus verschrikt en beangstigd moet worden voor zijn leven, dat een man van eer aldus onteerd werd, een verdienstelijk man op die wijze voor zijn diensten werd beloond, en dat een man, die zich verlustigde in de dienst van God en van zijn land, aldus van beide buitengesloten is en zich verborgen moet houden. Wat zullen wij hiervan zeggen?
Laat het ons zoveel erger doen denken van deze wereld, die dikwijls haar beste mannen zo'n slechte behandeling aandoet, laat het zelfs grote en werkzame mannen verzoenen met een afgezonderd leven en bedwang, indien Gods voorzienigheid dit alzo over hen beschikt, dit tot hun lot maakt want het was Davids lot, en laat het ons doen verlangen naar dat koninkrijk, waar goedheid altijd in heerlijkheid, en heiligheid in eer zal zijn, en de rechtvaardigen zullen blinken gelijk de zon.
II. Saul hem najagende als zijn onverzoenlijke vijand. Hij zocht hem alle dagen, zo rusteloos was hij in zijn boosaardigheid, vers 14.
Niet minder zocht hij zijn ziel, dat is: zijn leven, zo wreed was zijn boosaardigheid, vers 15. Gelijk het in het begin was, zo was het nu, en zo zal het zijn: "Die naar het vlees geboren is, vervolgt degene, die naar de Geest geboren is", Galaten 4:29.
III. God hem behoedende als zijn machtige beschermer. God gaf hem niet over in zijn hand, zoals Saul hoopte, vers 7, en als God hem niet in zijn hand geeft, dan kan hij ook niet tegen hem overmogen, Johannes 19:11.
IV. Jonathan, hem troostende, als zijn getrouwe vriend. Ware vrienden zullen wel middelen vinden om tot elkaar te komen. Waarschijnlijk heeft David tijd en plaats bepaald voor deze samenkomst, en Jonathan kwam hoewel hij zich daardoor aan het ongenoegen van zijn vader blootstelde, en ware het ontdekt geworden, het zou hem het leven hebben kunnen kosten.
Ware vriendschap deinst niet terug voor gevaar, maar kan zich licht wagen, zal niet terugdeinzen om minzaamheid te betonen, maar kan zich gemakkelijk nederbuigen, het paleis verwisselen met een woud, ten einde een vriend van dienst te zijn. Reeds het zien van hem was al verkwikkend voor David, maar behalve dat, sprak hij nog woorden tot hem, die zeer bemoedigend waren. 1. Als een Godvruchtig vriend, wees hij hem op God, de bron van zijn vertrouwen en van zijn vertroosting. Hij versterkte zijn hand in God Hoewel David een krachtig gelovige was, had hij toch behoefte aan de hulp van zijn vrienden ter volmaking van hetgeen er aan zijn geloof ontbrak, en hierin verleende Jonathan hem bijstand, daar hij hem aan de belofte Gods herinnerde, aan de heilige olie, waarmee hij gezalfd was, aan Gods tegenwoordigheid met hem totnutoe, en aan de vele ervaringen, die hij had van Gods goedheid over hem. Aldus sterkte hij zijn handen voor handelen door zijn hart te bemoedigen, niet in het schepsel, maar in God. Jonathan was niet bij machte om iets voor hem te doen om hem te sterken, maar hij verzekerde hem dat God het doen zou.
2. Als een zelfverloochend vriend schept hij behagen in het vooruitzicht op Davids bevordering tot die eer en waardigheid, welke zijn eigen geboorterecht waren, vers 17.
Gij zult koning worden over Israël, en ik zal het voor mij bevordering genoeg achten om de tweede bij u te zijn, bij u, schoon onder u, en zal nooit uw mededinger willen zijn." Deze afstand van zijn rechten door Jonathan aan David zal hem een grote voldoening wezen, en zal zijn weg effener maken.
Dit, zegt hij hem, weet Saul zeer wel, daar Jonathan het hem soms heeft horen zeggen. Hieruit blijkt welk een goddeloos man Saul was, om een man te vervolgen, die God begunstigde, en welk een dwaas hij was om te denken datgene te kunnen verhinderen wat God bepaald had en wat voorzeker geschieden zal. Hoe kon hij tenietdoen wat God besloten had?
3. Als een standvastig vriend vernieuwde hij het verbond van vriendschap met hem. Die beide maakten, nu voor de derde maal, een verbond voor het aangezicht des HEEREN, Hem tot getuige er van aanroepende, vers 18.
Vrienden, die elkaar een ware liefde toedragen, scheppen er behagen in om elkaar telkens opnieuw de verzekering te geven van hun standvastige liefde en trouw. Wij moeten ons verbond met God dikwijls vernieuwen en daarin onze gemeenschap met Hem onderhouden.
David en Jonathan zijn nu van elkaar gescheiden, en wij bevinden niet dat zij elkaar ooit weer ontmoet hebben in deze wereld, want Jonathan zei wat hij wenste, niet wat hij grond had te verwachten, toen hij zich beloofde de tweede bij David te zullen zijn in zijn koninkrijk.