Psalm 35:17-28
In deze verzen
I. Beschrijft David evenals tevoren de grote onrechtvaardigheid, boosaardigheid en onbeschoftheid van zijn vervolgers, er op pleitende bij God als een reden, waarom Hij hem tegen hen zal beschermen en verschijnen zal tegen hen.
1. Zij waren zeer onrechtvaardig, ten onrechte waren zij zijn vijanden, want hij had hun geen kwaad gedaan, zij haatten hem zonder oorzaak; ja meer, zij haatten hem om hetgeen waarvoor zij hem veeleer hadden moeten liefhebben en eren. Dit wordt aangehaald met toepassing op Christus en wordt gezegd in Hem vervuld te zijn, Johannes 15:25. " Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat."
2. Zij waren zeer ruw; zij konden het niet van zich verkrijgen hem de gewone burgerlijke beleefdheid te bewijzen, zij spreken niet van vrede; als zij hem ontmoetten, waren zij niet welgemanierd genoeg om hem te groeten, zoals de broeders van Jozef, die "hem niet vredig konden toespreken," Genesis 37:4
3. Zij zijn zeer trots en minachtend, vers 21 Zij sperren hen mond wijd op tegen mij; zij juichten, klapten in de handen, toen zij zijn nood zagen, zij jouwden hem uit toen hij genoodzaakt was het hof te verlaten: "Ha, ha! dit is de dag, die wij verlangden te zien."
4. Zij waren zeer wreed en laag, want zij vertraden hem toen hij gevallen was, verheugden zich in zijn leed en "maakten zich groot tegen hem," vers 26, Turba Hemi sequitur fortunam, ut semper, et odit damnatos. Het Romeinse gepeupel, dat met iedere wending van de fortuin van mening verandert, zal altijd de gevallenen verafschuwen. Zo heeft ook het volk de schare, toen de oversten de Zoon David's hadden terneer geworpen, geroepen: Kruis hem; kruis hem!
5. Zij stelden zich tegen alle sobere, goede lieden, die David aankleefden, vers 20. Zij bedenken bedrieglijke zaken om de stillen in het land te verstrikken en te verderven. Het is de aard van de Godvruchtigen, dat zij de stillen in het land zijn, dat zij leven in gehoorzame onderworpenheid aan regering en regeerders in de Heere, en dat zij, zoveel in hen is, vrede houden met alle mensen al worden zij ook nog zo verkeerd voorgesteld als vijanden van de keizer en schadelijk voor koningen en landschappen. "Ik ben vreedzaam," Psalm 120:7 Hoewel het volk van God een stil en rustig volk is, zij leggen er zich op toe om dit te zijn, was het toch het gewone doen van hun vijanden om bedrieglijke zaken tegen hen te bedenken. Van alle helse kunstgrepen van boosaardigheid en leugen wordt gebruik gemaakt om hen hatelijk en verachtelijk te maken; hun woorden en daden worden verkeerd uitgelegd, zelfs hetgeen zij verafschuwen wordt hun toegeschreven; wetten worden gemaakt om hen te verstrikken, Daniël 6:4 en verder.; en dat alles om hen te verderven en uit te roeien. Zij, die David haatten, verachtten hem in hun ogen, evenals Haman, om aan David alleen de hand te leggen, maar wilden al de Godvruchtigen in het land met hen ten val brengen.
II. Hij doet een beroep op God tegen hen op God, van wie de wraak is, hij beroept zich op Zijn kennis, vers 22 Heere, Gij hebt het gezien. Zij hadden hem valselijk beschuldigd maar God, die alle dingen weet, weet dat hij hen niet valselijk heeft beschuldigd, hen niet erger had voorgesteld dan zij wezenlijk waren. Zij hadden zeer in het geheim hun plan tegen hem beraamd, vers 15 "Ik merkte het niet dan lang daarna, toen zij er zich op beroemden, maar Uw oog was op hen in hun geheime beraadslagingen en Gij zijt getuige van alles wat zij tegen mij gezegd en gedaan hebben tegen mij en tegen Uw volk." Hij doet een beroep op Gods gerechtigheid: Ontwaak, word wakker tot mijn recht tot mijn twistzaak, en laat haar voor Uw rechterstoel worden gehoord en onderzocht, vers 23 Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, Heere, mijn God, vers 24 spreek naar Uw gerechtigheid Uw oordeel uit over dit beroep, naar de gerechtigheid van Uw wezen en Uw regering." Zie dit verklaard door Salomo, 1 Koningen 8:31, 32 Als er een beroep op U wordt gedaan, hoor Gij dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende de ongerechtige en rechtvaardigende de gerechtige.
III. Hij bidt ernstig tot God om genadig te verschijnen voor hem en zijn vrienden, tegen zijn en hun vijanden, zodat door Zijn voorzienigheid die worsteling uitlope tot eer en vertroosting van David en tot schuldigverklaring en beschaming van zijn vervolgers.
1. Hij bidt dat God handelend voor hem zal optreden, en niet als een toeschouwer zal blijven staan, vers 17 "Heere, hoelang zult Gij toezien? Hoelang zult Gij de goddeloosheid van de goddelozen oogluikend toelaten? Red mijn ziel van het verderf, dat zij tegen mij beramen, mijn eenzame, mijn enige, van de jonge leeuwen. Mijn ziel is mijn enige, zoveel te grotere schande zou het dus in mij zijn indien ik haar veronachtzaamde, en zoveel groter zou het verlies zijn indien ik haar verloor, zij is mijn enige en daarom behoort zij mijn lieveling te zijn, behoort zij bijzonder beschermd en verzorgd te worden. Het is mijn ziel, die in gevaar is; Heere, red haar, zij behoort in zeer bijzondere zin aan de Vader van de geesten, doe dus Uw recht op haar gelden, zij is de Uwe, red haar! Heere, zwijg niet, alsof Gij instemde met hetgeen tegen mij gedaan wordt. Heere, wees niet verre van mij vers 22, alsof ik een vreemde was, om wie Gij U niet bekommert, laat mij niet, zoals de verhevenen, de hoogmoedige, van verre gekend worden."
2. Hij bidt dat zijn vijanden geen oorzaak zullen hebben, om zich te verblijden, vers 19 Laat hen zich niet over mij verblijden; en wederom in vers 24, niet zozeer omdat het hem een vernedering zou zijn om door de verworpelingen te worden vertreden, maar omdat het Gode tot oneer zou zijn, en de smaad van zijn betrouwen op God. Het zou het hart van zijn vijanden verharden in hun goddeloosheid en hen bevestigen in hun vijandschap tegen hem, en het zou een grote ontmoediging zijn van al de vrome Joden, die de rechtvaardige zaak waren toegedaan. Hij bidt dat hij nooit in zo'n nabij een gevaar zou zijn, dat zij in hun hart konden zeggen: Ha, ha! zo wilden wij het hebben, vers 25, en nog minder dat hij tot zo'n uiterste gebracht zou worden, dat zij konden zeggen Wij hebben hem verslonden, want dan zullen ze een smaad werpen op God zelf. Maar dat zij integendeel beschaamd en tezamen schaamrood zullen worden, vers 26, zoals tevoren, vers 4, hij begeert dat zijn onschuld zo aan het licht mocht gebracht worden, dat zij zich moeten schamen over de laster, waarmee zij hem hadden overladen, en dat zijn invloed zo bevestigd mocht worden, dat zij beschaamd zullen worden om hun boze plannen tegen hem en hun verwachting van zijn verderf, dat zij of tot die beschaming zullen gebracht worden, die een stap zou zijn tot hun verbetering, of dat datgene hun deel zou zijn, dat hun eeuwige rampzaligheid zal uitmaken.
3. Hij bidt dat zijn vrienden reden zullen hebben om zich te verblijden en Gode eer te geven, vers 27. In weerwil van de kunstgrepen die aangewend werden om David te bekladden, hem hatelijk te maken en de mensen banger voor te maken om hem te erkennen, waren er toch sommigen, die zijn rechtvaardige zaak voorstonden, wisten dat hem onrecht was aangedaan en hem genegenheid toedroegen. Voor deze bidt hij:
a. Dat zij zich met hem zullen verblijden. Het is voor allen, die goed zijn een groot genoegen een eerlijk man en een eerlijke zaak de overhand te zien hebben. Zij die de belangen van Gods volk van harte zijn toegedaan, lotgemeen met hen willen wezen zelfs als zij aangevallen en terneder geworpen worden, als zij worden vertreden, zullen te bestemder tijd juichen van vreugde en verblijd zijn, want de rechtvaardige zaak zal ten slotte een overwinnende zaak zijn.
b. Dat zij zich met hem zullen verenigen in zijn lofzeggingen: laat hen geduriglijk zeggen: groot gemaakt zij de Heere door ons en door anderen, die lust heeft tot de vrede van Zijn knecht. De grote God heeft lust tot de voorspoed van de godvruchtigen, niet slechts van zijn gezin, de kerk in het algemeen, maar van iedere afzonderlijke dienstknecht in zijn gezin; Hij heeft een welbehagen in de voorspoed beide van hun tijdelijke zaken en van hun eeuwige belangen, en Hij heeft geen welgevallen aan hun leed, want Hij bedroeft hen niet gaarne, niet van harte, en daarom behoren ook wij een welgevallen te hebben aan hun voorspoed, en hem niet te benijden. Als God in Zijn voorzienigheid Zijn welwillendheid toont voor de voorspoed van Zijn knechten en het welbehagen, dat Hij er in heeft, dan moeten wij dit denkbaar erkennen tot Zijn lof, en zeggen: Groot gemaakt zij de Heere.
Eindelijk. De zegen, die hij hoopte te verkrijgen op het gebed, belooft hij te zullen gebruiken met dankzegging. "Ik zal U loven als de werker van mijn verlossing, vers 18, en mijn tong zal vermelden Uw gerechtigheid, de gerechtigheid van Uw oordelen en de billijkheid van al Uw beschikkingen," en dat wel:
1. In het openbaar, als een, die er een welgevallen aan heeft om zijn verplichtingen jegens God te erkennen, zo ver was het van hem er zich voor te schamen, dat hij het doen zal in de grote gemeente, onder veel volk, opdat God er door worde geëerd, en velen er door gesticht zullen worden.
2. Geduriglijk, hij zal Gods lof vermelden iedere dag (zo kan het gelezen worden) en de gehele dag, want het is een onderwerp dat nooit uitgeput zal wezen, ja zelfs niet door de eindeloze lof van heiligen en engelen.