Jeremia 20:7-13
Pashurs vonnis was, dat hij een schrik zou zijn voor zichzelf, Jeremia daarentegen, is daar verre vandaan, zelfs in dit uur van beproeving, en toch valt niet te ontkennen, dat hij hier, door de zwakheid des vleses, zonderling beroerd is in zichzelf. Goede mensen zijn op zijn best toch maar mensen. God let niet ten uiterste op wat er verkeerd is in hun handelen en spreken, en daarom moeten wij het ook niet doen, maar het beste er van hopen. Uit deze verzen blijkt, dat bij gelegenheid van de grote schande en het onrecht, dat Pashur Jeremia aandeed, in zijn borst een strijd werd gevoerd tussen zijn betere en zijn slechtere gevoelens. Zijn gesprek met zichzelf en met zijn God, was bij deze gelegenheid enigszins verward, laat ons trachten er wat orde in te brengen.
I. Hier is een droeve voorstelling van het onrecht, hem aangedaan en de beledigingen, hem toegevoegd, en deze voorstelling was zonder twijfel in overeenstemming met de waarheid en verdient geen blaam, maar werd zeer terecht en zeer te pas gegeven aan Hem, die hem gezonden had en hem zonder twijfel niet zou verloochenen. Hij klaagt,
1. Dat hij bespot en uitgelachen werd, zij maakten een grap van alles wat hij zei en deed, en dat kan niet anders dan een groot verdriet zijn voor een oprecht gemoed, vers 7,8 Ik ben tot een belachen, een ieder bespot mij. Zij hielden hem voor de gek, en maakten zichzelf en elkaar vrolijk over hem, alsof hij een nar was, die nergens toe deugde dan om hen te vermaken. Dat was hij voortdurend: Ik ben de gehele dag tot een belachen. Dat was hij voor iedereen: Een ieder bespot mij, de grootsten vergeten zover hun eigen ernst, en de kleinsten vergeten zover de mijne. Zo werd onze Heere Jezus aan het kruis, beschimpt door beide, de priesters en het volk, en de schimp van ieder van hen bracht zijn bijzondere verzwaring mee. En wat was het, dat Hem aldus blootstelde aan schande en verachting? Het was niets anders dan de trouwe en ijverige vervulling van zijn ambtsplicht, vers 8. Zij konden niets vinden om hem te bespotten dan zijn prediking, het was het woord des Heeren, dat tot smaad was geworden. Waarom zij hem hadden moeten eren en achten, dat hem het woord des Heeren was toevertrouwd om hun over te brengen, dat was juist hetgeen waarom zij hem smaadden en beschimpten. Nimmer hield hij een preek, of zij vonden er iets in om hem te bespotten en uit te scheiden, hoewel hij zich zo dicht mogelijk bij zijn opdracht hield. Het is treurig te moeten denken, dat, schoon de goddelijke openbaring een van de grootste zegeningen en eerbewijzen is, die ooit aan de wereld geschonken zijn, men er de ijverigste predikers en gelovigen mee gehoond en gesmaad heeft. Om twee dingen belachten zij hem:
a. Om zijn manier van prediken. "Sinds ik spreek, roep ik uit." Hij was altijd een levendig, dierbaar prediker geweest, en sinds hij in Gods naam begon te spreken, sprak hij altijd als een ernstig man, hij riep luide en spaarde niet, hij spaarde noch zichzelf, noch hen, tot wie hij predikte, en dit was genoeg om te lachen voor die alle ernst haatten. Het is heel gewoon, dat zij, die zelf door de dingen Gods niet getroffen worden er tegenzin in hebben, hen te bespotten, die er zeer door getroffen worden. Levendige predikers zijn de verachting van zorgeloze, ongelovige hoorders.
b. Om de inhoud van zijn prediking: "Ik roep geweld en verstoring". Hij verweet hun het geweld en de verstoring, waaraan zij schuldig waren tegenover elkaar, en hij profeteerde het geweld en de verstoring, die over hen gebracht zouden worden als de straf voor die zonde, om het eerste bespotten zij hem als te consciëntieus, om het laatste als al te lichtgelovig, beide was tergend voor hen, en daarom besloten zij hem te vernietigen. Dat was al erg genoeg, toch heeft hij nog meer te klagen.
2. Dat men tegen hem samenspande om zijn ondergang te bewerkstelligen, hij werd niet alleen belachelijk gemaakt als een zwak man maar gesmaad en voorgesteld als een slecht man, die gevaarlijk was voor de regering. Daarover beklaagt hij zich, dat is zijn grief vers 10. Uitgelachen te worden, al treft het iemand in zijn eergevoel, is toch niet iets, waar men niet eveneens om lachen kan, want, zoals te recht opgemerkt is, het is geen schande om uitgelachen te worden, maar wel het te verdienen. Maar er waren er, die een ernstiger rol speelden en met meer overleg.
a. Zij spraken kwaad van hem achter zijn rug, als hij geen gelegenheid had zich te zuiveren, en waren ijverig in het verspreiden van onware berichten, hem betreffende: "Ik heb gehoord, uit de tweede hand, de naspraak van velen Magormissabib (van velen als Magor-missabib, lezen sommigen) van velen zoals Pashur, en die daarom zijn vonnis kunnen verwachten". Of het was de inhoud van hun laster, zij stelden Jeremia voor als een man, die "aan alle kanten vrees en nijd verspreidde in het gemoed des volks, en hen aldus onrustig maakte onder de regering, en tot oproer geneigd". Of hij bemerkte dat zij zo boosaardig tegen hem waren, dat hij wel bevreesd moest zijn "aan alle kanten, " waar hij ook was, had hij reden om spionnen te vrezen, zodat zij hem bijna een "Magormissabib" maakten. Deze woorden worden letterlijk gevonden in Psalm 31:14, "Want ik hoorde de naspraak van velen, vreze is van rondomme." Jeremia verkiest, in zijn beklag, gebruik te maken van dezelfde woorden, die David voor hem gebruikt had, opdat het hem mocht troosten, te denken, dat andere goede mensen soortgelijke behandeling ondergaan hadden voor hem en om ons te leren gebruik te maken van de psalmen van David, op ons zelf toegepast, als er gelegenheid toe is. Wat zij ook te zeggen hebben, wij kunnen daar uit onze woorden nemen. Zie hoe Jeremia's vijanden de zaak aanpakken: "Geeft ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven." Zij besluiten een blaam op hem te werpen en dit is hun manier van doen: Laat er iets zeer slechts van hem gezegd worden, dat hem in een ongunstig daglicht brengen kan bij de regering, en hoe vals het ook is, wij zullen het steunen, en verspreiden en er bijvoegen. (Want de smaad van goede mensen verliest niets onder `t rondgaan.) Wie wel in staat is, iets gelofelijks te verzinnen, of beweren kan hem enigszins te kennen, moet het uitstrooien, en wij zullen allen het van hem overnemen, en overal brengen, waar wij komen. Gij moet het zeggen, en wij zullen het bezweren, begin gij en wij zullen volgen. En zo zijn zij even schuldig, die het valse bericht hl de wereld brengen, en die het verspreiden. De heler is zo goed als de steler.
b. Zij vleiden hem in zijn gezicht, opdat zij iets van hem mochten horen, waarop zij een aanklacht konden gronden, zoals de spionnen, die tot Christus kwamen, veinzende oprechte lieden te zijn, Lukas 20:20, 11:53, 54. Zijn goede kennissen, waarmee hij ronduit sprak en in wie hij vertrouwen stelde, "nemen acht op mijn hinking", letten op wat hij zei, waaraan zij een ergerlijke uitlegging konden geven, door de betekenis er van ten kwade te verdraaien, en brachten het zo over aan zijn vijanden. Zijn zaak stond er slecht voor, als hij verraden werd door hen, die hij voor zijn vrienden hield. Zij zeiden onder elkaar: Als wij hem vriendelijk aanspreken, en onze kennis aan hem opdringen, zal hij misschien verleid worden te bekennen dat hij met de vijand in verbond staat en bezoldigd wordt door de koning van Babylon, of wij zullen hem zien te verlokken, om woorden te spreken die als verraad kunnen uitgelegd worden, en "dan zullen wij hem overmogen, en onze wrake van hem nemen, dat hij ons onze fouten gezegd en ons met Gods oordelen gedreigd heeft". Noch de oprechtheid van de duiven, noch de voorzichtigheid van de slangen, noch beide tezamen, kunnen iemand beveiligen tegen onrechtvaardige kritiek en valse beschuldigingen.
II. Hier is het verhaal van de verzoeking waaraan hij blootstond in deze beproeving, "zijn voeten waren bijna uitgeweken, als die van de psalmist", Psalm 73:2. En dat is het, wat in beproeving het meest te vrezen is, dat zij ons tot zonde drijven zal, Nehemia 6:13.
1. Hij werd verzocht met God te twisten omdat Hij hem tot profeet had gemaakt. Hiermee begint hij, vers 7. Heere, Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden. Het is hetzelfde woord, dat gebruikt werd in Genesis 9:27, kanttekening: "God zal Jafet overreden". En Spreuken 25:15 :"Een overste wordt door lankmoedigheid overreed. En Hosea 2:13 :"Ik zal ze lokken." Dit komt het best overeen met wat volgt. Maar anderen lezen: "Heere! Gij hebt mij bedrogen en ik ben bedrogen geworden. Dat klinkt zeer hard. Gods knechten zijn altijd bereid geweest te erkennen, dat Hij een trouw Meester is en hen nooit bedrogen heeft, dit is daarom de taal van Jeremia's dwaasheid en verdorvenheid. Indien, toen God hem riep om profeet te zijn en hem zei, dat Hij hem zou stellen "over de koninkrijken en tot een vaste stad", Hoofdstuk 1, hij zichzelf gevleid had met de verwachting, dat hij de algemene achting genieten zou als een bode van de hemel, en veilig en rustig leven zou, en het kwam later anders uit, dan kon hij niet zeggen, dat God hem bedrogen had, maar dat hij zichzelf bedrogen had: want hij wist hoe de profeten voor hem vervolgd waren, en had geen reden een betere behandeling te verwachten. Ja, God had hem uitdrukkelijk gezegd, dat al de "vorsten, de priesters en het volk des lands tegen hem zouden strijden," Hoofdstuk 1:18, 19, wat hij vergeten was, anders zou hij niet aldus de blaam op God gelegd hebben. Zo voorspelde Christus Zijn discipelen de tegenstand, die zij zouden ontmoeten, "opdat gij niet geërgerd wordt," Johannes 6:1, 2."gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht, gij overreeddet mij met argumenten, ja, Gij overweldigde mij door de invloed van Uw Geest op mij". Jeremia was zeer afkerig om het ambt van profeet op zich te nemen, hij voerde minderjarigheid aan en ongeschiktheid voor die dienst, maar God wierp zijn redenering omver en zei hem," dat hij moest gaan," Hoofdstuk 7:6, 7. "En nu Heere, zegt hij, sinds Gij mij dit ambt hebt opgelegd, waarom staat Gij mij er niet in bij? Had ik het mij zelf opgelegd, dan zou ik billijk bespot zijn, maar waarom gebeurt het, terwijl Gij het mij toch opgelegd hebt?" Het was een zwakheid van Jeremia aldus te klagen, dat God hem een last op de schouders legde met hem te roepen om profeet te zijn, `t geen hij niet gedaan zou hebben, als hij gezien had op de duurzame eer, die hem daarmee gedaan werd, en die groot genoeg was om een tegenwicht te vormen tegen de ogenblikkelijke verachting, waaronder hij gebukt ging. Zolang wij zien, dat wij op de weg van God en van onze plicht zijn, is het zwakheid en dwaasheid, als wij moeilijkheden en tegenspoed ondervinden, te wensen, dat wij nooit een voet op die weg hadden gezet.
2. Hij was in verzoeking zijn werk te verlaten en het over te geven, ten dele omdat het hem zelf zoveel zwarigheid berokkende en ten dele, omdat zij, tot wie hij gezonden was, in plaats van gesticht en verbeterd te worden, uitzinnig waren en nog slechter werden, vers 9. "Dies zei ik: Omdat ik met het profeteren in des Heeren naam niets win voor Hem of mij zelf dan oneer en ongenade, zal ik Hem niet meer gedenken als mijn lastgever in alles wat ik zeg, en niet meer in Zijn naam spreken, sinds mijn vijanden alles doen, wat zij kunnen om mij tot zwijgen te brengen, zal ik mij zelf het zwijgen opleggen, en niet meer spreken, want ik kan evengoed tot stenen spreken als tot hen." Het is een sterke verzoeking voor arme predikanten om te besluiten maar niet meer te prediken, als zij zien, dat op hun prediking geen acht wordt geslagen en zij in `t geheel geen uitwerking heeft. Maar het volk moet vrezen zijn predikanten in deze verzoeking te brengen. Laat hun arbeid niet vergeefs voor ons zijn, opdat wij ze niet tergen, om te zeggen, dat zij geen moeite meer voor ons willen doen, en God tergen om te zeggen: zij mogen het niet meer doen. Toch mogen predikanten niet meer naar deze verzoeking luisteren, maar moeten ze voortgaan hun plicht te doen, ondanks alle ontmoediging, want dat is te meer dank waard, en "wordt Israël ook niet vergaderd, toch zullen zij verheerlijkt worden."
III. Desniettemin is hier een verslag van zijn trouwe volharding in zijn werken zijn blijmoedige afhankelijkheid van God.
1. Hij bevond, dat de genade van God in hem machtig was om hem bij zijn werk te houden ondanks de verzoeking, waarin hij was om het neer te leggen. "ik zei, in mijn haasten, ik zal niet meer in Zijn naam spreken, wat mij in `t hart gegeven is om te zeggen, dat zal ik smoren en voor mij houden". Maar ik bevond spoedig, dat "het in mijn hart werd als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen, dat inwendig gloeide en een uitweg zocht het was onmogelijk het te verstikken, ik was als iemand die hoge koorts heeft, onrustig en in voortdurende gewondenheid, terwijl ik zweeg van het goede, werd mijn hart heet in mijn binnenste mijn smart werd verzwaard, en ik moest spreken om mij zelf te verhitten", Psalm 39:3-4. Zie ook Job 32:20. "Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd", Psalm 32:3. Zie de kracht van de geest van de profetie in hen, die er door gedreven werden, en zo verteert hen zelfs een heilige ijver voor God, en doet hen zichzelf vergeten. "Ik heb geloofd, daarom sprak ik." Jeremia was het spoedig moede, het prediken na te laten, hij kon zichzelf niet inhouden, niets veroorzaakt getrouwe dienaren zoveel smart, als tot zwijgen gebracht te worden, en niets verschrikt hen zozeer als dat zij zichzelf het zwijgen opleggen. Hun overtuiging zal spoedig triumferen over verzoekingen van die aard, "want wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig," 1 Corinthiers 9:16, wat het mij ook kosten moge. En het is werkelijk een genade, als het woord van God zo machtig in ons is, dat het al onze gebreken overweldigt.
2. Hij was verzekerd van Gods tegenwoordigheid bij hem, die voldoende zou zijn alle aanslagen van zijn vijanden tegen hem te verijdelen, vers 11. "zij zeggen: wij zullen hem overmogen, de dag zal ons zijn, zonder twijfel. Maar ik ben zeker, dat zij niet zullen overmogen en niet voorspoedig zullen zijn. Ik kan veilig hen allen trotseren, "want de Heere is met mij is aan mijn zijde, om het voor mij tegen hen op te nemen", Romeinen 8:31, om mij te beschermen tegen al hun boze plannen. Hij is met mij om mij te ondersteunen en staande te houden onder de last, waaronder ik nu gebukt ga. Hij is met mij om het woord, dat ik predik, het doel te doen bereiken, dat Hij gesteld heeft schoon niet het doel, dat ik verlang. Hij is "met mij als een verschrikkelijk held, om hen te verschrikken, en te overweldigen." Zelfs de verschrikking van God is een wezenlijke troost voor Zijn knechten, die op Hem vertrouwen, want zij zal vallen op hen, die Zijn volk zoeken te verschrikken. Dat God een machtig God is, betekent, dat Hij een verschrikkelijk God is voor allen, die de wapens opnemen tegen Hem of tegen iemand, die, als Jeremia, van Hem een opdracht heeft. Hoe schrikkelijk zal de toorn Gods zijn over hen, die allen om hen heen denken vrees aan te jagen, en zelf voor niets bevreesd menen te zijn! De meest geduchte vijanden, die tegen ons over staan, schijnen verachtelijk, als wij de Heere voor ons zien als een "groten en vreselijke Heere," Nehemia 4:14. Jeremia spreekt nu met volle verzekerdheid: "Als de Heere met mij is, zullen mijn vervolgers struikelen, zodat als zij mij vervolgen, zij mij niet zullen inhalen, Psalm 27:2, en de zullen zij zeer beschaamd worden vanwege hun machteloze boosheid en vruchteloze pogingen". Ja, hun "eeuwige schande en beschaming zal niet vergeten worden, zij zullen die zelf niet vergeten, maar ze zal hun een onophoudelijke en blijvende kwelling zijn, zo vaak zij er aan denken, anderen zullen ze niet vergeten, maar op hen zal zij een onuitwisbare smet werpen." 3. Hij beroept zich tegenover hen op God, als een rechtvaardig Rechter, en smeekt een oordeel af over zijn twistzaak, vers 12. Hij ziet op God, als de God, die de rechtvaardige proeft, die kennis neemt van hen, en van iedere zaak, waar zij belang bij hebben. Hij oordeelt niet met partijdigheid ten gunste van hen, maar proeft ze, en als Hij bevindt, dat zij het recht op hun zijde hebben, en dat hun vervolgers hun onrecht doen en onbillijk zijn tegen hen, geeft Hij een vonnis ten gunste van hen. Hij, die de rechtvaardige proeft, proeft de onrechtvaardige ook, en Hij is zeer bevoegd voor beide, want "Hij ziet de nieren en het hart, Hij kent `s mensen gedachten en gevoelens, zijn bedoelingen en zijn plannen en kan daarom een onfeilbaar oordeel vellen over hun woorden en handelingen". En dit is de God, tot Wien de profeet zich richt, en op Wiens lof hij zich beroept: "U heb ik mijn twistzaak ontdekt". Niet, dat God zijn zaak niet volkomen kende zonder zijn mededelingen, en al wat er voor te zeggen was, maar de zaak die wij God opdragen, moeten wij voor Hem uiteen zetten. Hij kent ze, maar Hij wil ze van ons horen, en staat ons toe in bijzonderheden te treden, niet om Hem te treffen, maar om onszelf te verlichten. Het zal een verlichting voor ons gemoed zijn, als wij beladen en belast zijn, onze zaak voor God te ontvouwen en onze klachten voor Hem uit te storten.
b. Door Wien hij verwacht in `t gelijk gesteld te worden: "Laat mij Uw wraak van hen zien zo'n wraak, als U gepast voorkomt te nemen tot hun overtuiging en tot mijn onschuldig verklaring, de wraak, die Gij gewoon zijt te nemen op vervolgers". Welk onrecht ons ook gedaan is, wij moeten trachten onszelf te wreken, maar aan God overlaten het te doen Wien de wraak toekomt, en die gezegd heeft, Ik zal het vergelden."
4. Hij verheugt zich grotelijks en prijst God, in volkomen vertrouwen, dat God tot zijn verlossing verschijnen zal, vers 13. Zo vervuld is hij van de troost van Gods tegenwoordigheid bij hem, en de goddelijke bescherming, waaronder hij staat, en de goddelijke belofte, waarop hij zich verlaten kan, dat hij, in een vervoering van blijdschap, zichzelf en anderen aanspoort, Gode de heerlijkheid er van te geven: "Zingt de Heere, prijst de Heere." Hier is een grote verandering in hem merkbaar, sinds hij deze prediking begon, de wolken zijn weggedreven, zijn klachten verstomd en veranderd in dankzegging. Hij heeft nu een volkomen vertrouwen in die God, die hij wantrouwde, vers 7, hij spoort zichzelf aan, de naam te prijzen, die hij reeds besloot niet meer te gedenken. Het was de invloed van het levend geloof, die deze gelukkige verandering tot stand bracht, die zijn zuchten in zangen en zijn trillen in triomf deed verkeren. Het is gepast onze hoop op God te uiten door Hem te prijzen en God te prijzen door Hem te zingen. De inhoud van zijn prijzen is: "Hij heeft de ziel van de nooddruftigen uit de hand van de boosdoeners verlost" hij bedoelt in het bijzonder zichzelf, zijn eigen arme ziel. Hij heeft mij vroeger verlost, als ik in ellende was, en nu pas uit de hand van Pashur, en Hij zal voortgaan mij te verlossen, 2 Corinthiers 1:10. Hij zal mijn ziel verlossen van de zonde, waarin ik gevaar loop te vallen, als ik zo vervolgd word. "Hij heeft mij verlost uit de hand van de boosdoeners, zodat zij hun doel niet bereikt en hun zin niet gekregen hebben". Die getrouw zijn in wel te doen behoeven niet te vrezen voor hen, die wrevelig zijn in kwaad te doen, want zij hebben een God om op te vertrouwen, die onder Zijn bescherming heeft hen, die goed doen en de boosdoeners onder Zijn bedwang.