2 Samuël 9:1-8
I. Hier is Davids onderzoek naar het overblijfsel van het vervallen huis van Saul, vers 1. Dit was geruime tijd na zijn komst tot de troon, want aan Mefiboseth, die pas vijf jaren oud was toen Saul stierf, was nu reeds een zoon geboren, vers 12. David had zijn verplichtingen aan Jonathan al te lang vergeten, maar eindelijk worden zij hem nu voor de geest gebracht. Het is goed om soms eens bij onszelf na te gaan, of er geen beloften of verbintenissen zijn, die wij verzuimd hebben na te komen, en dan is het beter ze laat na te komen dan in het geheel niet. Het kort begrip, dat Paulus ons geeft van het leven van David, is: dat hij "in zijn tijd de wet Gods gediend heeft," Handelingen 13:36, dat is: dat hij een man was, die er zich op toelegde goed te doen, getuige dit geval, waarin wij kunnen opmerken:
1. Dat hij een gelegenheid zocht om goed te doen. Hij zou zijn geweten ten opzichte van de vervulling van zijn belofte aan Jonathan allicht tevreden hebben kunnen stellen, indien, zo iemand uit zijn geslacht zich om hulp of ondersteuning tot hem gewend had, hij bereid ware geweest die hulp of ondersteuning te verlenen. Maar hij doet meer, hij vraagt eerst aan de hem omringenden, vers 1, en toen hij iemand vond, die hem inlichting kon geven, vroeg hij hem in het bijzonder: Is er niet nog iemand van het huis Sauls, dat ik Gods weldadigheid aan hem doe? vers 3. Is er iemand, niet alleen aan wie ik recht kan doen, Numeri 5:8, maar aan wie ik weldadigheid kan doen? Godvruchtige mensen moeten gelegenheden zoeken om wel te doen. "Een milddadige beraadslaagt milddadigheden," Jesaja 32:8. Want de meest geschikte voorwerpen van onze weldadigheid en barmhartigheid zullen niet dikwijls gevonden worden, zonder dat er onderzoek naar gedaan wordt. Die het meest nooddruftig zijn, zijn niet degenen, die het luidst klagen.
2. Zij, naar wie hij een onderzoek instelde, waren de overblijvenden van het huis van Saul, aan wie hij weldadigheid wilde doen om Jonathans wil. Is er nog iemand, die overgebleven is van het huis van Saul. Saul had een zeer talrijk gezin, 1 Kronieken 8:33, groot genoeg om een land te bevolken, en toch nu zo verminderd, dat er niemand van verscheen, en het tot de vraag kwam: Is er nog iemand overgebleven? Zie hoe God in Zijn voorzienigheid volle gezinnen kan ontledigen, zie hoe dit door de zonde des mensen zal geschieden! Sauls huis was een huis des bloeds, geen wonder dat het aldus verminderd werd, Hoofdstuk 21:1. Maar hoewel God de ongerechtigheid van de vader bezocht aan de kinderen, wilde David dit niet doen. "Is er iemand overgebleven, aan wie ik weldadigheid kan bewijzen, niet om Sauls wil, maar om Jonathans wil?"
A. Saul was de gezworen vijand van David, en toch wilde David weldadigheid doen aan Sauls huis, en dat wel met geheel zijn hart, en hij was er ijverig in. Hij zegt niet: "Zijn er nog overgebleven van het huis van Saul, tegen wie ik een reden of een voorwendsel kan vinden, om hen uit de weg te ruimen, om te voorkomen dat zij mij of mijn opvolger last en moeite zullen veroorzaken?" Het was tegen Abimelechs zin, dat er nog iemand van het huis van Gideon was overgebleven, Richteren 9:5 en tegen Athalia's zin, dat er iemand van het koninklijk zaad was overgebleven, 2 Kronieken 22:10, 11, dat waren personen, die zich op onwettige wijze van de regering meester hadden gemaakt. David had zo snode steunselen niet nodig, hij verlangde weldadigheid te doen aan het huis van Saul, niet alleen omdat hij op God vertrouwde, en niet vreesde wat zij hem konden doen, maar omdat hij van een barmhartige aard was, en vergaf wat zij tegen hem misdaan hadden. Wij moeten de oprechtheid doen blijken van ons vergeven aan hen, die onrechtvaardig jegens ons geweest zijn, ons schade en leed hebben toegebracht, door bereid te zijn om, als wij er de gelegenheid toe hebben, beide aan henzelf en aan de hunnen vriendelijkheid te bewijzen. Wij moeten ons niet alleen niet op hen wreken maar hen liefhebben, en hun wel doen, Mattheus 5:44, en niet traag zijn om enigerlei dienst van liefde en welwillendheid te bewijzen aan hen, die ons menigmaal kwaad gedaan hebben, I Petrus 3:9, ja hen zegenen. Dit is het middel om het kwade te overwinnen en barmhartigheid te verkrijgen voor ons en de onzen, wanneer wij of zij het nodig hebben.
B. Jonathan was Davids gezworen vriend, en daarom wilde hij weldadigheid doen aan zijn huis. Dit leert ons:
a. Indachtig te zijn aan ons verbond. De weldadigheid, die wij beloofd hebben, moeten wij nauwgezet volbrengen, al zou er ook niet om worden gevraagd. God is getrouw jegens ons, laat ons niet ontrouw zijn aan elkaar.
b. Indachtig te zijn aan onze vriendschap, onze oude vriendschap. Weldadigheid aan onze vrienden, aan hen en de hunnen is een van de wetten van onze heilige Godsdienst. "Een man die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden," Spreuken 18:24. Indien God ons verhoogd heeft, terwijl onze vrienden en hun gezin naar beneden zijn gebracht, dan moeten wij onze vroegere bekendheid met hen toch niet vergeten, maar die veeleer beschouwen als ons zoveel betere gelegenheid gevende, om vriendelijk voor hen te zijn, onze vrienden hebben ons dan het meest nodig en wij zijn het best instaat hen te helpen. Al is er ook geen plechtig verbond van vriendschap dat ons verbindt tot deze standvastigheid van de liefde, zo is er toch een heilige wet van vriendschap, die niet minder verplichtend is, dat hem, die in ellende of nood is, medelijden betoond moet worden door zijn vriend, Job 6:14, een broeder wordt in de benauwdheid geboren. Vriendschap verplicht ons kennis te nemen van de gezinnen en familiebetrekkingen van hen, die wij liefhadden, die, toen zij ons verlieten, hun lichaam, hun naam en hun nakomelingen hebben achtergelaten, om er vriendelijkheid aan te bewijzen.
3. De weldadigheid, die hij hun beloofde te doen, hij noemt haar Gods weldadigheid, niet alleen grote weldadigheid, maar:
a. Weldadigheid ingevolge het verbond, dat er was tussen hem en Jonathan waarvan God getuige was. Zie 1 Samuël 20:42.
b. Weldadigheid naar het voorbeeld van God, want wij moeten barmhartig zijn gelijk Hij barmhartig is. Hij spaart hen, die in Zijn macht zijn, en dat moeten wij ook doen. Jonathans verzoek aan David was: "Doe mij de weldadigheid des Heren dat ik niet sterve," 1 Samuël 20:14, en doe haar ook aan mijn zaad. De weldadigheid Gods is in het een of ander opzicht een grotere weldadigheid, dan men gewoonlijk van mensen kan verwachten.
c. Het is een weldadigheid naar Godvruchtige wijze en met het oog op God, Zijn eer en Zijn gunst.
II. Er wordt hem bericht gegeven betreffende Mefiboseth, de zoon van Jonathan. Ziba was een oud dienaar van de familie van Saul, en kende er de toestand van. Hij wordt ontboden en ondervraagd, en hij -bericht de koning, dat Jonathans zoon in leven maar kreupel is, vers 3. Hoe hij kreupel geworden is, hebben wij tevoren gelezen, Hoofdstuk 4:4. Verder dat hij onbekend en in afzondering leeft, waarschijnlijk bij de bloedverwanten van zijn moeder, te Lodebar in Gilead aan de andere kant van de Jordaan, waar hij vergeten was als een dode, hetgeen hij echter te gemakkelijker kon dragen, omdat hij zich weinig kon herinneren van de grootheid en eer, waarvan hij gevallen was.
III. Hij wordt naar het hof gebracht. De koning zond (Ziba waarschijnlijk) om hem met bekwame spoed naar Jeruzalem te brengen, vers 5. Aldus heeft hij Machir ontheven van zijn last, en hem misschien beloond voor hetgeen hij voor Mefiboseth had gedaan. Deze Machir schijnt een zeer edelmoedig, ruimhartig man geweest te zijn, en Mefiboseth te hebben geherbergd, niet uit ongenegenheid voor David of zijn regering, maar uit medelijden met de verarmde zoon van een prins, want later zullen wij hem vriendelijk zien voor David zelf toen deze vluchtte voor Absalom, hij wordt, Hoofdstuk 17:27, genoemd onder hen, die de koning voorzagen van hetgeen hij nodig had te Mahanaim, hoewel hij, toen David Mefiboseth van hem liet halen, weinig gedacht heeft dat er een tijd zou komen wanneer hij zelf hem gaarne verplicht zal zijn, en misschien was Machir toen te eerder bereid om David te helpen, in vergelding voor zijn vriendelijkheid jegens Mefiboseth. Daarom moeten wij niet nalatig zijn in weldadigheid te bewijzen, want wij weten niet hoe wij zelf haar nodig kunnen hebben, Prediker 11:2, en "de zegenende ziel zal vet gemaakt worden," Spreuken 11:25.
1. Mefiboseth stelt zich aan David voor met de eerbied, die hij aan zijn hoedanigheid verschuldigd was. Zo kreupel als hij was, viel hij op zijn aangezicht en boog zich neer, vers 6. Die eer heeft David aan Mefiboseths vader, aan Jonathan, bewezen, toen hij de naaste aan de troon was, 1 Samuël 20:41, hij boog zich driemaal, en na de zaken zo volkomen het tegengestelde zijn van toen, wendt Mefiboseth zich op gelijke wijze tot hem. Zij, die in ondergeschikte betrekking eerbied betonen, zullen, als zij verhoogd worden, gelijke eerbied ontvangen.
2. David ontvangt hem met alle mogelijke vriendelijkheid.
a. Hij sprak tot hem alsof hij verrast was hem te zien, maar blijde was hem te ontmoeten. "Mefiboseth! Wel! is er zo'n man in leven?" Hij herinnerde zich de naam, want waarschijnlijk is Mefiboseth geboren in de tijd van Davids vertrouwelijke omgang met Jonathan.
b. Hij zei hem niet te vrezen. Vrees niet, vers 7. Waarschijnlijk is hij, toen hij David zag, enigszins bedremmeld geworden, daarom zegt David hem dat hij hem heeft laten halen, niet omdat hij enigerlei achterdocht jegens hem koesterde, of met enigerlei kwade bedoeling, maar om hem vriendelijkheid te betonen. Voorname personen moeten geen behagen scheppen in de schroomvalligheid waarmee hun minderen tot hen naderen (want de grote God doet dit niet) maar hen aanmoedigen.
c. Hij geeft hem, als schenking van de kroon, alle akkers van zijn vader Saul, dat is: zijns vaders erfgoed, dat verbeurd was door Isboseths rebellie, en bij zijn eigen inkomsten was gevoegd. Dit was een werkelijke gunst, meer dan hem een vriendelijk woord te geven. Ware vriendschap is edelmoedig.
d. Hoewel hij hem aldus een goede bezitting had gegeven, voldoende om hem te onderhouden, zal hij hem toch, om Jonathans wil (hij zag misschien enige gelijkenis met Jonathan in zijn gelaat) als een voortdurende gast aan zijn tafel ontvangen, waar hij niet slechts aangenaam gevoed zal worden maar ook gezelschap zal vinden, passende bij zijn geboorte en rang. Hoewel Mefiboseth kreupel en wanstaltig was, geen grote geschiktheid schijnt te hebben gehad voor zaken, zal David hem toch om der wille van zijn Godvruchtige vader, als een lid van zijn gezin beschouwen en behandelen.
3. Mefiboseth neemt deze vriendelijkheid aan met veel ootmoed en zelfvernedering. Hij behoorde niet tot hen, die elke gunst als een hun verschuldigd recht beschouwen, en alles te weinig achten wat hun vrienden voor hen doen, integendeel hij spreekt alsof hij verbaasd was over de schenking, die David hem deed, vers 8. Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond als ik ben? Hoe smaadt hij zichzelf! Hij is de zoon van een prins, en de kleinzoon van een koning maar er rust schuld en toorn op zijn geslacht en hijzelf is arm en kreupel, en daarom noemt hij zich voor David een dode hond. Het is goed om onder verootmoedigende omstandigheden een ootmoedig hart te hebben. Als God door de leidingen van Zijn voorzienigheid onze toestand omlaag brengt, en Gods genade er ons hart mee omlaag brengt, dan zullen wij gerust zijn. En zij, die zich aldus vernederen, zullen verhoogd worden. Hoe verheerlijkt hij Davids goedheid! Het zou gemakkelijk zijn geweest haar te verkleinen, indien hij neiging daartoe had gehad. Heeft David hem zijns vaders bezitting teruggegeven, hij gaf hem slechts het zijne. Ontving hij hem aan zijn tafel? Dat was staatkunde, want zo kon hij het oog op hem houden. tiaar Mefiboseth neemt alles wat David zei en deed vriendelijk op, en zichzelf acht hij minder dan de minste van zijn gunsten. Zie 1 Samuël 18:18.