1 Samuël 1:9-18
Elkana had Hanna zwaar bestraft om haar overmatige droefheid, en hier zien wij de goede uitwerking dier bestraffing.
I. Het bracht haar tot haar spijze. Zij at en dronk, vers 9. In haar droefheid heeft zij haar hart niet verhard, zij is ook niet weerstrevend geworden onder de bestraffing, maar toen zij bemerkte dat het haar echtgenoot verdriet deed, dat zij niet kwam om met hem te eten, heeft zij zo goed zij kon zichzelf opgewekt, en is aan tafel gekomen. Er behoort even grote zelfverloochening toe om onze hartstochten te bedwingen als om onze lusten in toom te houden.
II. Het bracht haar tot bidden. Het heeft haar doen nadenken. Doe ik wèl met treurig te zijn, niet toornig te wezen? Zou het niet beter zijn om, in plaats van die last aldus op mijn schouders te binden, er mij van te ontlasten door hem op de Heere te werpen in het gebed?" Elkana had gezegd: Ben ik u niet beter dan tien zonen? Hetgeen haar wellicht bij haarzelf heeft doen denken: "Of hij dit nu al of niet is, God is het, en daarom zal ik mij tot Hem wenden, voor Hem mijn klacht uitstorten, en zien welke vertroosting en verlichting Hij mij zal schenken." Indien zij ooit een plechtiger en vuriger gebed dan gewoonlijk voor deze zaak tot de troon der genade zal opzenden, dan is het nu de tijd hiervoor. Zij zijn te Silo, aan de deur van de tabernakel, waar God beloofd had Zijn volk te zullen ontmoeten, en dat het huis des gebeds was. Zij hadden nu kortelings hun dankoffers geofferd, om de gunst van God te verkrijgen en alle goed, en ten teken van hun gemeenschap met Hem, en de troost voor zich aannemende van Hem hierin welbehaaglijk te zijn geweest, hadden zij het offermaal genuttigd, en nu was het voegzaam om haar gebed op te zenden krachtens dat offer, want de dankoffers stelden Christus' middelaarschap voor evengoed als de zondoffers, want hierdoor werd niet alleen verzoening gedaan voor de zonde, maar er werd ook de verhoring van ons gebed door verkregen en een antwoord des vredes er op, in al onze smekingen moeten wij op dat offer het oog gericht houden.
Betreffende Hanna's gebed kunnen wij opmerken:
1. De warme en levende Godsvrucht, die er in was, welke blijkt in verschillende opzichten ter onzer besturing bij het bidden.
A. Zij wendde de tegenwoordige droefheid van haar hart aan ter opwekking van haar Godvruchtige gedachten in het bidden. Bitter bedroefd zijnde van ziel, zo bad zij, vers 10. Wij behoren dit goede gebruik te maken van onze beproevingen, dat zij ons opwekken in ons spreken tot God. Onze gezegende Heiland zelf, in zware strijd zijnde, bad Hij te ernstiger,.
B. Zij vermengde tranen met haar gebed. Het was geen droog bidden, zij weende zeer, als een ware Israelietische vrouw weende en smeekte zij, met het oog op de barmhartigheid van onze God, die de treurige en verslagen ziel kent, het gebed kwam uit haar hart, zoals de tranen uit haar ogen.
C. Zij was zeer nauwkeurig en toch ook zeer bescheiden in haar gebed. Zij bad om een kind, een mannelijk zaad, opdat het bevoegd zou zijn om in de tabernakel te dienen. God vergunt ons om in ons gebed niet slechts te vragen om het goede in het, algemeen, maar om in het bijzonder dat goede te vragen, wat wij het meest behoeven en begeren. Maar zij zegt niet, zoals Rachel: Geef mij kinderen!. Zij zal zeer dankbaar zijn voor één kind.
D. Zij deed een plechtige gelofte, of belofte, dat zij, zo God haar een zoon gaf, hem aan de Heere zal geven, vers 11. Door zijn geboorte zal hij een Leviet zijn, en dus toegewijd aan de dienst van God, maar door haar gelofte zal hij een nazireër zijn, en tot zelfs zijn kindsheid zal Gode gewijd zijn. Waarschijnlijk heeft zij Elkana tevoren met haar voornemen bekend gemaakt, en had zij er zijn toestemming en goedkeuring voor. Ouders hebben het recht om hun kinderen aan God te wijden als levende offeranden en geestelijke priesters, en hiermee wordt hun de verplichting opgelegd om God getrouwelijk te dienen al de dagen van hun leven. Het is zeer voegzaam om, als wij enigerlei zegen begeren, onze ziel te verbinden om, als God ons het begeerde goed geeft, het te wijden aan Zijn eer en blijmoedig te gebruiken in Zijn dienst. Niet dat wij er hierdoor aanspraak op kunnen maken de gave te verdienen, maar aldus worden wij bekwaam gemaakt haar te ontvangen en er de lieflijkheid van te smaken. In de hoop op zegen moeten wij plichtsbetrachting beloven.
E. Dit alles sprak zij zachtjes, zodat niemand haar kon horen. Haar lippen bewogen zich, maar haar stem werd niet gehoord, vers 13. Hiermee betuigde zij haar geloof in Gods kennis van het hart en zijn begeerten. Voor Hem zijn gedachten woorden. Hij is niet als de goden, tot welke men met luider stem moet roepen, . Het was ook een blijk van haar ootmoed en heilige beschaamdheid des aangezichts in haar naderen tot God, zij was niet een van degenen, die hun stem doen horen in de hoogte,. Het was een bidden in het verborgen, ofschoon het op een openbare plaats geschiedde, en niet zoals de Farizeën baden om van de mensen gezien te worden. Het is waar: het gebed is geen zaak, die wij ons behoeven te schamen, maar wij moeten alle schijn vermijden van praalvertoning. Laat ons wat er omgaat tussenGod en onze ziel voor onszelf houden.
2. De harde berisping, die zij er om ontving. Eli was nu hogepriester en richter in Israel, hij zat op een stoel in de tempel om het oog te hebben op hetgeen er geschiedde, vers 9. De tabernakel wordt hier de tempel genoemd, omdat hij nu gevestigd was aan een vaste plaats, en aan alle doeleinden van een tempel beantwoordde. Daar zat Eli om verzoeken te ontvangen en orders of aanwijzingen te geven, en nu zag hij, ergens in een hoek waarschijnlijk, Hanna in haar gebed, en misleid door het ongewone van haar doen, dacht hij dat zij dronken was, en in dat denkbeeld sprak hij tot haar, vers 14. Hoelang zult gij u dronken aanstellen ? dezelfde beschuldiging, die tegen Petrus en de andere apostelen gericht werd, toen de Heilige Geest hun gaf met vreemde talen te spreken,. Misschien was het in dien ontaarde tijd niets vreemds om een dronken vrouw aan de deur van de tabernakel te zien, want anders zou men denken dat de vuile lusten van Hofni en Pinehas daar niet zo gemakkelijk een prooi zouden gevonden hebben,. Eli hield Hanna voor een van dezen. Het is een der slechte gevolgen van het overvloedig worden der ongerechtigheid, het in zwang komen ervan, dat het dikwijls aanleiding geeft om de onschuldigen te verdenken. Als een krankheid epidemisch wordt, ligt iedereen onder de verdenking van erdoor besmet te zijn.
A. Dit nu was Eli's misslag-en het was een grote misslag-om zo streng een berisping te geven zonder nauwkeuriger waarneming of inlichtiing. Indien zijn eigen ogen reeds verdonkerd waren, dan zou hij iemand van de hem omringenden hebben moeten opdragen om inlichtingen in te winnen. Dronkaards zijn gewoonlijk luidruchtig en onstuimig, maar deze arme vrouw was stil en bedaard. Zijn fout was er te groter om dat hij een priester des Heeren was, die medelijden moest hebben met de onwetenden,. Weinig voegt het ons om haastig te zijn in ons berispen van anderen, en voortvarend te zijn in ons geloven dat mensen schuldig zijn aan slechtheid, terwijl het feit, waarop de bestraffing gegrond is, òf twijfelachtig en onbewezen is, òf voor een goede uitlegging vatbaar is. De liefde gebiedt ons het beste te hopen van allen, en verbiedt ons berispzuchtig te zijn. Paulus had zeer goede inlichtingen, toen hij toch nog maar ten dele geloofde, o, hopende dat het niet zo was. Inzonderheid moeten wij voorzichtig zijn in het beoordelen en bestraffen van het gebed van anderen, opdat wij niet datgene met de naam van geveinsdheid, dweperij of bijgelovigheid bestempelen, hetwelk in waarheid de vrucht is van oprechte ijver en welbehaaglijk is aan God.
B. Het was Hanna's beproeving, en het was een grote beproeving, die nog toegevoegd werd aan al het andere, edik in de wonden van haar ziel. Zij was door Elkana bestraft, omdat zij niet wilde eten en drinken, en nu door Eli gesmaad te worden, alsof zij te veel gegeten en gedronken had, was zeer hard. Het is niets nieuws, dat van hen die wèl doen slecht gedacht wordt, en wij moeten het niet vreemd achten, indien het te eniger tijd ons lot wordt.
3. Hanna's nederige verdediging van zichzelf tegen deze beschuldiging. Zij heeft er zich bewonderenswaardig onder gedragen, zij heeft de beschuldiging niet teruggeworpen op hem, hem de losbandigheid zijner zonen niet verweten, hem niet gezegd de hand in eigen boezem te steken, hem niet gezegd hoe weinig het iemand in zijn plaats voegde om een arme bedroefde smekelinge voor de troon der genade aldus met woorden te mishandelen. Als wij te eniger tijd onrechtvaardig bestraft worden dan is het ons nodig om een dubbele wacht te zetten voor onze lippen, opdat wij niet met een wederbeschuldiging komen, en bestraffing met bestraffing vergelden. Hanna dacht dat het genoeg was zichzelf te rechtvaardigen, en dat moeten ook wij denken, vers 15, 16.
a. In gerechtigheid jegens zichzelf, ontkent zij uitdrukkelijk de beschuldiging, spreekt tot hem met alle mogelijke eerbied, noemt hem mijn heer, geeft te kennen hoe gaarne zij zou willen dat hij een goede mening van haar heeft, en hoe het haar smart onder zijn afkeuring te liggen. "Neen, mijn heer, het is niet zoals gij vermoedt, ik heb noch wijn noch sterke drank gedronken, (ofschoon het wel voegzaam zou zijn om wijn te geven aan een, die zo bitterlijk bedroefd van ziel is als zij was,) en nog veel minder heb ik te veel gedronken, en daarom: acht toch uwe dienstmaagd niet voor een dochter Belials." Dronkaards zijn kinderen Belials, inzonderheid vrouwen, die dronkaards zijn, kinderen van de boze, kinderen der ongehoorzaamheid, kinderen die het juk niet willen dragen, (want anders zouden zij niet dronken zijn), zij, die zichzelf niet kunnen besturen, kunnen het niet dragen dat een ander hen bestuurt. Hanna erkent dat de misdaad inderdaad zeer groot zou geweest zijn, indien zij er zich schuldig aan had gemaakt, en hij zou haar dan met recht uit de voorhoven Gods hebben kunnen bannen-, maar zelfs de manier waarop zij sprak ter verdediging, volstond om te tonen dat zij niet dronken was.
b. In gerechtigheid jegens hem geeft zij een verklaring van haar wijze van doen, die aanleiding had gegeven tot de verdenking. Ik ben een vrouw bezwaard van geest, ternedergeslagen, ontroerd, en dat is de reden, waarom ik er niet uitzie als andere mensen, mijn ogen zijn rood, niet van wijn maar van wenen. En nu heb ik niet tot mijzelf gesproken, zoals dronkaards en dwazen doen, maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren, die de taal des harten hoort en verstaat, en dat wel uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet!' Zij was meer dan gewoon vurig geweest in haar gebed tot God, en dat, zegt zij hem, was de ware reden van de wanorde, waarin zij scheen te zijn. Als wij onrechtvaardiglijk berispt worden, moeten wij trachten niet slechts ons te zuiveren, maar ook onze broeders te overtuigen door hun een juiste verklaring te geven van hetgeen zij verkeerd hebben begrepen.
4. De vergoeding, die Eli deed voor zijn haastige, onvriendelijke berisping door haar vriendelijk en vaderlijk te zegenen, vers 17. Hij heeft het niet als een belediging genomen (zoals velen maar al te licht doen) dat hem aangetoond werd dat hij zich vergist had, en er van overtuigd te worden, en hij geraakte er ook niet uit zijn humeur om, integendeel, nu moedigde hij Hanna aan in haar gebed, even sterk als hij er haar tevoren in had willen hinderen. En door deze woorden: Ga heen in vrede, heeft hij niet slechts te kennen gegeven, dat hij overtuigd was van haar onschuld, maar als gezaghebbende, daar hij hogepriester was, zegende bij haar in de naam des Heeren. En hoewel bij niet wist om welke bijzondere, zegen zij gebeden had, voegt hij er toch zijn Amen aan toe, zo goed een mening had hij nu opgevat van haar wijsheid en Godsvrucht. De God Israels zal uw bede waarin die dan ook bestaan moge-geven, die gij van Hem gebeden hebt. Door onze zachtmoedige en nederige houding tegenover hen, die ons gesmaad hebben, omdat zij ons niet kenden, kunnen wij hen misschien tot onze vrienden maken, en hun berispingen in gebeden voor ons verkeren.
5. De grote voldoening des harten waarin Hanna nu heenging, vers 18. Zij verzocht om de voortduring van Eli's goede mening over haar, en toen ging zij haars weegs, en heeft gegeten van wat er over was van de dankoffers (waarvan niets tot aan de volgende morgen mocht overblijven) en haar aangezicht was haar zodanig niet meer, niet meer zoals het geweest is, tekenen gevende van innerlijke beroering, neen, zij zag er nu aangenaam en blijmoedig uit, en alles was wèl. Vanwaar kwam zo plotseling die gelukkige verandering? In het gebed had zij haar zaak Gode bevolen, haar aan Hem overgegeven, en nu was zij niet meer in onrust en droefheid er over. Zij had voor zichzelf gebeden, en Eli had voor haar gebeden, en zij geloofde dat God haar òf de zegen zou geven, waar zij om gebeden had, òf haar het gemis, er van op een andere wijze zou vergoeden. Voor een Godvruchtige ziel is het gebed een verlichting des harten, het zaad Jakobs heeft dit dikwijls aldus bevonden, daar zij weten dat God nooit tot hen zeggen zal: Zoekt Mij tevergeefs. Zie. Het gebed zal het gelaat verhelderen en vervrolijken, het behoort dit te doen.