Psalm 31:20-25
Wij hebben drie dingen in deze verzen:
I. David's gelovige erkenning van Gods goedheid jegens Zijn volk in het algemeen, vers 20, 21
1. God is goed jegens allen, maar op bijzondere wijze is Hij goed jegens Israël. Zijn goedheid jegens hen is wonderlijk en zal tot in eeuwigheid een onderwerp van bewondering zijn; O hoe groot is Uw goed! Hoe diep zijn er de raadslagen van, hoe rijk zijn er de schatten van, hoe vrij en uitgestrekt zijn er de mededelingen van! Diezelfde personen, welke door de mensen met lasteringen worden overladen overlaadt God met weldaden en eer. Zij, die deelhebben aan dit goed, worden beschreven als degenen, die God vrezen, op Hem betrouwen, ontzag hebben voor Zijn grootheid, en steunen op Zijn genade. Van dit goed wordt gezegd, dat het voor hen weggelegd is, en voor hen gewrocht is.
a. Er is goed voor hen weggelegd in de andere wereld, een erfenis "bewaard in de hemelen," 1 Petrus 1:4; en er is een goed gewrocht voor hen in deze wereld, een goed gewrocht in hen. Er is in het goed van God genoeg, beide om het deel, de erfenis, te zijn van al Zijn kinderen, als zij meerderjarig zijn geworden, en om in hun onderhoud en hun opvoeding te voorzien gedurende hun minderjarigheid. Er is genoeg in de bank, en genoeg in kas.
b. Dit goed is weggelegd in Zijn belofte voor allen, die God vrezen, aan wie de verzekering is gegeven dat hun geen goed zal ontbreken. Maar het is gewrocht in de werkelijke vervulling van de belofte voor hen, die op Hem vertrouwen, die in het geloof de belofte aangrijpen, en er zich de weldaad en de vertroosting van toe-eigenen. Indien hetgeen in de schatten van het eeuwig verbond voor ons is weggelegd, niet voor ons gewrocht wordt, dan is dit onze eigen schuld, want het is, omdat wij niet geloven. Maar gelijk zij, die op God vertrouwen, de vertroosting van Zijn goed hebben in hun hart, zo hebben zij er ook de eer van, het is voor hen gewrocht in tegenwoordigheid van de mensenkinderen. Gods goedheid jegens hen zet hun eer bij en neemt de versmaadheid van hen weg, want "allen die hen zien zullen zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat de Heere gezegend heeft," Jesaja 61:9
2. God behoudt mensen en beesten, maar op bijzondere wijze is Hij de beschermer van Zijn eigen volk. Vers 21, Gij verbergt hen. Gelijk Zijn goed voor hen weggelegd en verborgen is, zo zijn zij er voor verborgen en bewaard. De heiligen zijn Gods verborgenen. Zie hier:
a. Het gevaar, waarin zij zich bevinden, en dat ontstaat uit de hoogmoedigheden van de mens en de twist van de tongen. Hoogmoedige mensen beledigen hen en zouden hen willen vertreden, twistzieke mensen zoeken twist met hen, en als er twist van de tongen is, dan zullen de Godvruchtigen er dikwijls het ergst aan toe zijn. De hoogmoed van de mensen brengt hun vrijheid in gevaar, de twist van de tongen in boosaardige strijd brengt de waarheid in gevaar. Maar:
b. Zie de bescherming, waar zij zich onder bevinden: Gij verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht, Gij versteekt hen in een hut. Gods voorzienigheid zal hen veilig bewaren tegen de boosheid van hun vijanden. Hij heeft velerlei middelen om hen te beschutten; toen Baruch en Jeremia gezocht werden, "had de Heere hen verborgen," Jeremia 36:26. Gods genade zal hen veilig bewaren tegen het kwaad van de oordelen, die zijn uitgegaan, voor hen hebben zij geen prikkel ten dage van des Heren toorn zullen zij verborgen zijn, want er is geen toorn tegen hen. Zijn vertroostingen zullen hen gerusten goedsmoeds houden; Zijn heiligdom, waar zij gemeenschap met Hem oefenen, beschut hen tegen de vurige pijlen van verschrikking en verzoeking; en de woningen in Zijn huis hierboven zullen weldra en voor eeuwig hun schuilplaats zijn tegen alle gevaar en vrees.
II. David's dankerkentenis voor Gods goedheid jegens hem in het bijzonder, vers 22, 23 Gods goedheid jegens al de heiligen bewonderd hebbende, erkent hij hoe goed hij Hem had bevonden voor zichzelf.
1. Van buiten was strijd, maar God had wonderbaarlijk zijn leven bewaard; "Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, Hij heeft mij een bewijs gegeven van Zijn zorg over mij en Zijn gunst jegens mij ver boven hetgeen ik had kunnen verwachten." Alles in aanmerking genomen zijn Gods goedertierenheden jegens Zijn volk wonderlijk, maar in sommige voorbeelden ervan zelfs in deze wereld zijn zij bijzonder wonderlijk in hun ogen, zoals hier, toen God David's leven beschermde tegen het zwaard van Saul, in spelonken en wouden, even veilig als in een sterke stad. Te Kehila, deze sterke stad, heeft God hem grote goedertierenheid getoond, zo wel door hem tot het werktuig te maken om de inwoners te redden uit de hand van de Filistijnen als daarna om hem te redden van dezelfde mannen, die hem ondankbaar in de handen van Saul hadden willen overleveren, 1 Samuël 23:5, 12 Dit was inderdaad wonderlijke goedertierenheid, waarop hij met verwondering en dankbaarheid schrijft: Geloofd zij de Heere. Bijzondere bewaringen wekken op tot bijzondere dankzegging.
2. Van binnen was vrees; maar God was beter voor hem dan zijn vrees, vers 22 Hij bedenkt hier:
a. Aan zijn eigen dwaasheid om God te wantrouwen, die hij met schaamte belijdt. Hoewel hij uitdrukkelijke beloften had om op te bouwen, en grote ervaring had van Gods zorg over hem in menige benauwdheid had hij toch deze harde, achterdochtige gedachte van God en kon het niet laten om het Hem in Zijn aangezicht te zeggen: "ik ben afgesneden van voor Uw ogen. Gij hebt mij geheel verlaten en ik moet niet verwachten door U nog aangezien te worden, dat Gij nog acht op mij zult slaan. Een van deze dagen zal ik door de hand van Saul omkomen, en aldus afgesneden worden van voor Uw ogen, in het verderf worden gestort terwijl Gij het aanziet," 1 Samuël 27:1 Dit zei hij op zijn vlucht, zoals sommigen het lezen, hetgeen het moeilijke en het gevaar aanduidt van zijn toestand. Saul was achter hem, op het punt van hem te grijpen, hetgeen de verzoeking sterk maakte; in mijn haasten, zo lezen wij het; hetgeen de ontsteltenis en beroering van zijn geest aanduidt, hetgeen de verzoeking plotseling maakte, zodat zij hem aanviel toen hij niet op zijn hoede was. Het is iets zeer gewoons, dat wij verkeerd spreken als wij in haast spreken en zonder na te denken, maar van hetgeen wij verkeerd hebben gesproken in ons haasten, moeten wij berouw hebben als wij in rust zijn, inzonderheid van ons mistrouwend spreken van God.
b. Aan Gods wonderlijke goedertierenheid jegens hem in weerwil hiervan; zijn geloof had gefaald, maar niet Gods belofte, dan nog hoorde Gij de stem van mijn smekingen. Hij vermeldt zijn eigen ongeloof als een tegenhanger van Gods goedertierenheid, om deze zoveel sterker te doen uitkomen en haar zoveel te meer wonderbaar en doorluchtig te maken. Als wij aldus God gewantrouwd hebben, dan had Hij ons aan ons woord kunnen houden, en ons hebben kunnen doen gelijk als wij in Zijn oven gesproken hebben, zoals Hij aan Israël gedaan heeft, Numeri 14:28, onze vrees over ons kunnen doen komen Jesaja 66:4. Maar Hij heeft medelijden met ons gehad en heeft ons vergeven, en ons ongeloof heeft Zijn belofte en genade niet tenietgedaan, want Hij weet wat maaksel wij zijn.
III. Hoe hij hierop al de heiligen vermaant en bemoedigt, vers 24, 25.
1. Hij wil dat zij God liefhebben, vers 24 Hebt de Heere lief, gij al Zijn gunstgenoten. Zij, wier hart vervuld is van liefde tot God, kunnen niet anders dan begeren dat ook anderen Hem zullen liefhebben, want voor Zijn gunst behoeft men geen mededinger te vrezen. Het is de aard van de heiligen dat zij God liefhebben, en toch moeten zij nog opgewekt worden om Hem lief te hebben, Hem meer lief te hebben, Hem beter lief te hebben en bewijzen te geven van hun liefde. Wij moeten Hem liefhebben, niet alleen om Zijn goedheid, omdat Hij de gelovigen behoudt, maar om Zijn gerechtigheid, daar Hij overvloedig vergeldt degene, die hoogmoed bedrijft en degenen zou willen verderven, die Hij behoudt. Sommigen vatten dit op in een gunstige zin; Hij vergeldt overvloedig de hoge of de voortreffelijke in zijn doen, dat is: die stoutmoedig goed doen, wiens hart, evenals dat van Josafat, zich verheft in de wegen des Heren. Hij beloont hem, die wel doet, maar overvloedig beloont Hij hem, die op uitnemende wijze wel doet.
2. Hij wil dat ze op God hopen vers 25 Weest sterk, hebt goede moed, in welke moeilijkheden of gevaren gij u ook moogt bevinden; de God, op wie gij vertrouwt, zal door dat vertrouwen uw hart versterken. Zij, die op God hopen, hebben reden om goede moed te hebben, laat hun hart sterk zijn, want gelijk niets, dat wezenlijk kwaad is, hun kan overkomen, zo zal niets, dat wezenlijk goed voor hen is, hun worden onthouden.
Bij het zingen hiervan moeten wij onszelf en elkaar aanmoedigen en opwekken om voort te gaan en te volharden in onze Christelijke loopbaan, wat ons ook moge bedreigen, of wie er ons ook met misnoegde, toornige blikken om moge aanzien.