1 Samuël 23:1-6
Nu zien wij waarom de profeet Gad (op Goddelijke aanwijzing ongetwijfeld) David bevolen heeft naar het land van Juda te gaan, Hoofdstuk 22:5 ,
Het was opdat hij, daar Saul de openbare veiligheid veronachtzaamde, er zorg voor zou dragen, in weerwil van de slechte behandeling, die hem was aangedaan, want hij moest kwaad met goed vergelden, en hierin een type zijn van Hem, die niet maar Zijn leven gewaagd heeft, maar Zijn leven afgelegd heeft voor hen, die Zijn vijanden waren.
1. Er worden tijdingen gebracht aan David als de beschermer van de vrijheden zijns lands, dat de Filistijnen een aanval hebben gedaan op de stad Kehila, en het omliggende land geplunderd hebben, vers 1.
Waarschijnlijk zijn de Filistijnen, doordat beide God en David Saul hadden verlaten, aangemoedigd om deze inval te doen.
Als vorsten het volk van God en Zijn dienstknechten beginnen te vervolgen zo laat hen niets anders verwachten dan van alle zijden gekweld te worden. Het middel om rust te hebben voor een land is: Gods kerk er rust in te laten hebben. Als Saul strijdt tegen David, dan zullen de Filistijnen strijden tegen zijn land.
2. David is wel zeer bereidvaardig om hun te hulp te komen, maar wil toch dienaangaande de HEERE vragen. Hier is een voorbeeld:
a. Van Davids grootmoedigheid en zijn liefde voor het algemene welzijn. Hoewel hij het hoofd en de handen vol had van zijn eigen zaken, en werks genoeg had om met zijn kleine krijgsmacht voor zijn eigen veiligheid te zorgen, ging hem toch de veiligheid van zijn land ter harte, en kon hij niet stilzitten als dit verwoest werd ja, hoewel Saul, wiens plicht het was de grenzen van zijn land te bewaken, hem haatte en hem naar het leven stond, was hij toch bereid om hem en zijn belangen met al zijn macht tegen de gemenen vijand te dienen, en verafschuwde hij het denkbeeld om het algemene welzijn aan zijn eigen wraak op te offeren. Diegenen zijn zeer ongelijk aan David, die weigeren goed te doen, omdat hun verdiensten niet behoorlijk gewaardeerd werden.
b. Van Davids vroomheid en van zijn letten op Gods wil. Hij vroeg de HEERE door de profeet Gad, want uit vers 6 blijkt dat Abjathar niet met de efod tot hem gekomen is vóór hij te Kehila was. Zijn vraag is: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? Hij vraagt beide met betrekking tot zijn plicht, of hij Saul het werk uit de handen mag nemen, en zonder een opdracht van hem mag handelen, en betreffende de uitkomst, of hij zich kan wagen tegen zo'n macht als waarover de Filistijnen beschikten, met zulk een handvol mannen als die zijn schreden volgen, en met zo'n gevaarlijken vijand als Saul in de rug. Het is onze plicht en het zal, wat er ook moge gebeuren, onze rust en onze vertroosting zijn, God te erkennen in al onze wegen, en bij Hem raad en leiding te zoeken.
3. God gebood hem eenmaal en andermaal om tegen de Filistijnen op te trekken, en beloofde hem voorspoed. Ga heen, en gij zult de Filistijnen slaan, vers 2. Zijn mannen waren er tegen, vers 3. Niet zodra begon hij eigen krijgsvolk te hebben, of hij vond het moeilijk genoeg hen zonder tegenspreken te doen gehoorzamen. Zij wierpen tegen dat zij vijanden genoeg hadden onder hun eigen landslieden en het dus niet nodig was om ook de Filistijnen tot hun vijanden te maken.
De moed ontzonk hun al, als zij gevaar duchtten van Sauls bende van vervolgers, maar nog veel meer als zij tegenover de Filistijnse slagorden zouden staan. Om hen nu tevreden te stellen, heeft hij nogmaals de HEERE gevraagd: Toen vraagde David den HEERE nog verder, en nu ontving hij niet slechts een volkomen opdracht, die hem machtigde om zonder orders van Saul tegen de Filistijnen te gaan strijden:
Maak u op, trek af naar Kehila, maar ook de volle verzekering van te zullen overwinnen: want Ik geef de Filistijnen in uw hand.
Dit was genoeg om ook de grootste lafaard, die hij in zijn regiment had, met moed te bezielen.
4. Dienovereenkomstig trok hij op tegen de Filistijnen, versloeg hen, en verloste Kehila vers 5 , hij schijnt ook een uitval gedaan te hebben naar het land van de Filistijnen, want hij voerde hun vee weg, bij wijze van weerwraak wegens het onrecht, dat zij de mannen van Kehila hadden aangedaan door hun schuren te beroven.
Hier moet er nota van worden genomen, vers 6, dat het was toen David in Kehila verbleef, na het van de Filistijnen te hebben gezuiverd, dat Abjathar tot hem kwam met de efod in zijn hand, dat is: de efod van de hogepriesters, waarin de urim en tummim waren. Het was voor David een grote vertroosting in zijn ballingschap, toen hij niet kon opgaan naar Gods huis, dat hem sommige van de kostelijkste schatten van dat huis gebracht werden, namelijk de hogepriester met zijn borstlap van het gericht.