Jeremia 36:20-32
Wij zijn de rol nagegaan voor het volk en voor de vorsten, en hier zullen wij ze volgen voor de koning, en wij vinden,
I. Dat hij ze liet halen, nadat hij er kennis van gekregen had, en beval ze hem voor te lezen, vers 20, 21. Hij verlangde niet, dat Baruch komen zou en zelf voorlezen, die ze met meer verstand, met meer gezag en met meer gevoel kon lezen dan iemand anders, ook beval hij geen van zijn vorsten het te doen (hoewel het geen vernedering zou geweest zijn voor de grootste van hen), veel minder wilde hij zich verwaardigen ze zelf te lezen, maar Jehudi, een van zijn knapen, die juist dienst heeft, en die gezonden was om ze te halen, wordt verzocht voor te lezen, hoewel hij misschien nauwelijks begrijpen kon wat erin stond. Maar zij, die aldus Gods Woord verachten, zullen spoedig laten blijken, zoals deze koning deed, dat zij het ook haten, en er niet alleen lage, maar ook slechte gedachten van hebben.
II. Dat hij geen geduld had om ten einde toe naar het voorlezen te luisteren zoals de vorsten, maar toen hij drie of vier bladen had horen lezen, versneed hij ze met een schrijfmes in woede, en wierp ze in het vuur, stuk voor stuk, om zeker te zijn, dat alles verteerd werd, vers 22, 23. Dit was een zo vermetel, goddeloos stuk, als waaraan niemand zich ooit schuldig gemaakt had, en een alleronbeschaamdste belediging aan de God des hemels, wiens boodschap dit was.
1. Daarmee toonde hij geen berisping te kunnen horen, daar hij besloten was in de zonde te volharden, wilde hij in geen geval dulden, dat hem zijn fouten getoond werden.
2. Daarmee toonde hij zijn verontwaardiging jegens Baruch en Jeremia, hij zou hen in stukken gehouwen en verbrand hebben, als zij in zijn bereik geweest waren, toen hij in deze woede was.
3. Daarmee gaf hij uiting aan een hardnekkig besluit om immer gehoor te geven aan doel en strekking van de hem gegeven waarschuwingen, hij zal doen, wat hij wil, wat God door Zijn profeten daartegen zegt.
4. Zo hoopte hij dwaselijk de dreigingen te niet te doen, die tegen hem afgekondigd waren, alsof God het vonnis niet kon uitvoeren, omdat de rol, waar het vonnis in opgetekend stond, weg was.
5. Zo dacht hij op doelmatige wijze gezorgd te hebben, dat hetgeen in deze rol stond, niet verder verspreid werd, wat ook de zorg was van de overpriesters ten aanzien van het Evangelie, Handelingen 4:17. Zij hadden hem gezegd, hoe deze rol voorgelezen was aan het volk en aan de vorsten. Maar, zegt hij, ik wil een weg inslaan, die beletten zal, dat ze nog meer gelezen wordt. Zie, welk een vijandschap tegen God er is in het vleselijk hart, en verwonder u over het geduld van God, dat Hij onwaardige handelingen tegen Hem verdraagt.
III. Dat noch de koning zelf, noch een van zijn vorsten in de grond bewogen was door het woord: Zij verschrikten niet, vers 24, neen, zij niet, deze vorsten, die voor het woord beefden, toen zij het voor het eerst hoorden vers 16. Zo spoedig, zo licht, slijten goede indrukken af. Zij toonden enig ontzag, totdat zij zagen, hoe licht de koning het opnam, en toen schudden zij al dat ontzag van zich af. Zij scheurden hun klederen niet, zoals Josia, de eigen vader van deze Jojakim, deed, toen hem het boek van de wet werd voorgelezen, hoewel dat niet zo in bijzonderheden afdaalde als de inhoud van deze rol, noch zo onmiddellijk betrekking had op de tegenwoordigen stand van zaken.
IV. Dat drie van de vorsten nog zoveel verstand en wellevendheid hadden, dat zij pogingen deden om het verbranden van de rol te beletten, maar tevergeefs, vers 25. Als zij van `t begin af getoond hadden, zoals zij hadden moeten doen, dat zij door `t woord getroffen waren, dan zouden zij misschien de koning tot betere gedachten gebracht en hem overreed hebben, geduld te hebben en te verdragen, maar dikwijls maken zij, die het goede niet willen doen, dat zij moesten doen, het zich onmogelijk om het goede te doen, dat zij wel willen doen.
V. Dat Jojakim, toen hij Gods vonnis, waardoor hij veroordeeld werd, inderdaad verbrand had, en nu hij dacht het gewonnen te hebben, als `t ware bij manier van wraakneming, een volmacht tekende tot inhechtenisneming van Jeremia en Baruch, Gods dienaren, vers 26 :Maar de Heere had ze verborgen. De vorsten verzochten hun, zich te verbergen, vers 19, maar het was noch de zorg van de vorsten voor hen, noch die van hen zelf, die hen beveiligde, maar zij waren veilig onder de goddelijke bescherming. God vindt steeds een schuilplaats voor Zijn volk, al zijn hun vervolgers nog zo ijverig om hen in hun macht te krijgen, totdat hun uur gekomen is, en dan, zal Hij Zelf hun toevlucht zijn.
Vl. Dat Jeremia last en bevelen had, in een andere rol dezelfde woorden te schrijven, die geschreven waren in de rol, die Jojakim verbrand had, vers 27, 28. Hoewel de aanvallen van de hel tegen Gods Woord zeer vermetel zijn toch zal er geen tittel of jota van ter aarde vallen, ook zal het ongeloof des mensen het Woord Gods niet te niet doen. De vijanden mogen er in slagen menige Bijbel te verbranden, maar zij kunnen het Woord Gods niet vernietigen, ook kunnen zij het niet uitroeien noch de vervulling ervan onmogelijk maken. Hoewel de tafelen van de wet verbroken waren, werden zij vernieuwd, en zo verrees uit de as van de rol die verbrand was, weer een Phoenix. "Het Woord des Heeren blijft in eeuwigheid."
VII. Dat met de koning van Juda, al was hij dan een koning, op strenge wijze afgerekend werd door de Koning van de koningen, omdat hij het geschreven woord deze hoon had aangedaan. God merkte wat het was, dat Jojakim zozeer ergerde in de rol: Jojakim was toornig, omdat daarin geschreven was, zeggende: De koning van Babel zal zeker komen en dit land verderven, vers 29. En kwam niet de koning van Babel twee jaar voor dezen, en ging hij niet zeer ver met "het verderven van dit land?" Hij deed dat in zijn derde jaar, Daniël 1:1. Zie ook 2 Kronieken 36:6, 7. Zodat God en Zijn profeten daarom Zijn vijanden geworden waren, omdat zij hem de waarheid zeiden, de verwoesting, die komen zou, voorspelden, maar hem terzelfder tijd in de gelegenheid stelden om die te voorkomen. Maar, als dat het is, wat hij zo kwalijk neemt, dan moet hij weten
1. Dat de toorn van God over hem en zijn familie komen zal, in de eerste plaats door de hand van Nebukadrezar. Hij zal afgesneden worden, en in weinige weken zal zijn zoon onttroond worden, en zijn koninklijke kleding afleggen voor gevangeniskleren, zodat hij "geen hebben zal, die op Davids troon zitte, de roem van dat luistervolle huis zal verduisterd worden en in zijn persoon ondergaan, zijn dood lichaam zal onbegraven blijven, of, wat op hetzelfde neerkomt, met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden, dit is: in de eerste de beste sloot geworpen worden, het zal blootgesteld zijn aan "alle hitte en vorst," die zijn verrotting zullen veroorzaken, zodat het te spoediger walgelijk wordt. Niet, dat zijn lichaam (zegt Gataker) er iets van gewaar zou worden, of hij zelf, als hij overleden was, iets van wat zijn lichaam overkwam, maar, dat het lichaam van de koning in zo'n toestand een afzichtelijk schouwspel zou zijn, en een schrikkelijk gedenkteken van Gods hevige toorn en verontwaardiging tegen hem, voor allen, die het zouden zien. Zelfs zijn zaad en zijn knechten zullen boeten voor hun betrekking tot hem, vers 31, want zij zullen gestraft worden, niet om zijn ongerechtigheid, maar zoveel te eerder om hun eigene.
2. Dat al het kwaad, in die rol, tegen Juda en Jeruzalem gesproken, over hen gebracht zal worden. Al wordt de kopie verbrand, het origineel blijft in de goddelijken raad, en dat zal weer gekopieerd worden, op een andere wijze, namelijk in bloedige lettertekens. Er valt aan Gods oordelen niet te ontsnappen, door er tegen in te gaan. "Wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?"
VIII. Dat, toen de rol opnieuw geschreven werd, er nog vele dergelijke woorden toegedaan werden, vers 32, nog vele dreigingen van toorn en wraak, want, sinds zij met God, in tegenheid willen wandelen, zal Hij de oven zevenmaal heet maken. Evenals God onveranderlijk is en niemand Zijn wil kan buigen, zo heeft Hij ook meer pijlen in Zijn koker, en die met Gods plagen twisten, halen zich slechts grotere van dezelfde soort op de hals.