Psalm 28:1-5
In deze verzen is David zeer vurig in het gebed.
I. Hij bidt dat God hem genadiglijk zal hoven en verhoren, nu hij in zijn benauwdheid tot Hem roept, vers 1, 2 Let op zijn geloof in het gebed: Heere, mijn rotssteen, zijn geloof te kennen gevende in Gods macht, "Hij is een rotssteen", en zijn steunen op die macht; "Hij is men rotssteen, op wie ik mijne hoop bouw." Let op zijn vurigheid in het gebed: "Tot U roep ik, als een wie het ernst is, op het punt zijnde van weg te zinken tenzij Gij mij intijds te hulp komt." Merk ook op hoe verlangend hij is om een antwoord te verkrijgen: "Houd U niet als doof van mij af, alsof Gij toornig waart op mijn gebed," Psalm 80:5 Heere spreek tot mij, antwoord mij "goede woorden troostelijke woorden," Zacheria 1; 13, al wordt mij de zaak, waar ik om bid, niet gegeven, zo laat God toch vreugde en blijdschap tot mij spreken en het mij doen hoven. Heere, spreek voor mij, in antwoord op mijne gebeden, bepleit mijne zaak, gebied verlossing voor mij en wil aldus de stem van mijn smeking horen en verhoren." Hij pleit op twee dingen:
1. De treurige wanhoop, waarin hij zijn zou, indien God hem veronachtzaamde. "Indien Gij zwijgt, U als doof van mij af houdt, indien ik de tekenen niet heb van Uw gunst, dan ben ik als degenen, die in de kuil neerdalen een dode, een verloren man; indien God mijn vriend niet is, niet voor mij optreedt, dan zullen mijn hoop en mijn hulp vergaan." Niets kan zo smartelijk zijn voor een Godvruchtige ziel als het gemis van Gods gunst en het besef van Zijn misnoegen. Ik zal wezen als degenen, die ter helle neerdalen, aldus lezen sommigen de zin, immers, wat is de rampzaligheid van de verdoemden anders dan dit: dat God voor altijd voor hen zwijgt, doof is voor hun geroep. Diegenen zijn in zekere zin geschikt voor Gods gunst en kunnen haar verwachten, die aldus bevangen zijn van schrik en vrees voor Gods toorn, en voor wie Zijn misnoegen erger is dan de dood.
2. Zijn goede hoop dat God hem gunst zal bewijzen: ik hef mijn handen op naar de aanspraakplaats van Uw heiligheid, hetgeen niet slechts een ernstige begeerte, maar ook een ernstige verwachting aanduidt, om vandaar een antwoord van vrede te ontvangen. Het heilige van de heiligen binnen de voorhang wordt hier, evenals elders, de aanspraakplaats genoemd waar de ark met het verzoendeksel was, daar werd God gezegd te wonen tussen de cherubs, en vandaar sprak Hij tot Zijn volk, Numeri 7:89 Dat was een type van Christus, en het is naar Hem dat wij onze ogen en handen moeten opheffen, want door Hem komt alle goed van God tot ons. Het was ook een tegenbeeld van de hemel, Hebreeën 9:24; en van God als onze Vader in de hemel wordt ons geleerd een antwoord te verwachten op onze gebeden. De Schriften worden de woorden Gods genoemd, en die moeten wij in onze gebeden en verwachtingen voor ogen hebben. Zij zijn het woord, waarop God heeft doen hopen.
II. Evenals tevoren, Psalm 26:9, bidt hij het oordeel voor zich af van de goddelozen. Raap mijn ziel niet weg met de zondaren Heere, ik kom tot Uw heiligdom, trek mij daarvan niet weg met de goddelozen en met de werkers van de ongerechtigheid, vers 3
1. Behoed er mij voor om verstrikt te worden in de strikken, die zij voor mij gelegd hebben; zij vleien en strelen mij, zij spreken van vrede tot mij, maar zij koesteren boze plannen tegen mij, want kwaad is in hun hart; zij bedoelen mij te beroeren, ja te verderven. Heere, laat mij niet weggetrokken worden en ten ondergang gebracht door hun gevloekte complotten, want zij hebben geen macht, kunnen geen macht, geen voorspoed tegen mij hebben, tenzij het hun van boven gegeven is."
2. Behoed mij van door hun zonden te worden besmet en te doen zoals zij doen. Laat mij niet door hun bedrieglijke argumenten of door hun vertakkingen afgetrokken worden van Uw heiligdom (waar ik begeer te wonen al de dagen van mijn leven) om het een of andere boze werk te werken," zie Psalm 141:4 Heere, laat mij nooit aan mijzelf over om de listen en het verraad aan te wenden voor mijn behoud, als zij aanwenden voor mijn verderf. Laat generlei voorval een onweerstaanbare verzoeking voor mij zijn om goddeloze lieden na te volgen." Godvruchtige mensen schrikken terug voor de weg van de zondaren; ook de besten van hen zijn zich bewust van het gevaar, waarin zij verkeren, om er toe heengetrokken te worden en daarom moeten we altijd ernstig bidden tot God om Zijn genade om vast te houden aan onze oprechtheid.
3. "Behoed er mij voor om in hun oordeel te zijn begrepen; laat mij niet voortgeleid worden met de werkers van de ongerechtigheid, want ik behoor niet tot hen, die van vrede spreken terwijl strijd in hun hart is." Zij, die zorgzaam zijn om geen gemeenschap te hebben met de zondaars in hun zonde, hebben reden om te hopen dat zij van hun plagen niet zullen ontvangen, Openbaring 18:4
III. Hij roept de rechtvaardige oordelen Gods in over de werkers van de ongerechtigheid vers 4 Geef hun naar hun doen. Dit is niet de taal van hartstocht of wraakzucht, en dit is ook niet onbestaanbaar met de plicht om voor onze vijanden te bidden. Maar:
1. Aldus wilde hij tonen hoe verre het van hem was, om zich te voegen naar de werkers van de ongerechtigheid, en met hoe goede reden hij gebeden had om niet met hen weggetrokken te worden; hij was er van overtuigd dat zij niet rampzaliger gemaakt konden worden dan wanneer hun gegeven werd naar hun doen.
2. Aldus wilde hij zijn ijver te kennen geven voor de eer van Gods gerechtigheid in de regering van de wereld. "Heere, zij denken dat alles goed is wat zij doen en aldus rechtvaardigen zij zich in hun boze praktijken: Heere, geef hun naar de boosheid van hun handelingen en breng diegenen alzo uit de waan omtrent hen, die denken dat er geen kwaad is in hetgeen zij doen, omdat het ongestraft blijft", Psalm 94:1, 2
3. Dit gebed is een profetie dat God vroeg of laat aan alle onboetvaardige zondaars zal wedergaven naar hetgeen zij verdienen. Indien hetgeen verkeerd gedaan werd, niet ongedaan wordt gemaakt door berouw en bekering, dan zal er gewis een dag van afrekening komen, wanneer God aan een iegelijk, die volhardt in zijn boze daden, er hem vergelding voor zal doen. Het is inzonderheid een profetie van het verderf, dat over de verdervers zal komen; "Zij spreken van vrede met hun naaste, maar kwaad is in hun hart, laat de verwoesters verwoest worden en laat er trouwelooslijk gehandeld worden met hen, die trouwelooslijk gehandeld hebben"; zie Jesaja 33:1; Openbaring 18:6; 13:10
Merk op: hij voorzegt dat God hun vergelden zal, niet alleen naar hun daden maar ook naar de boosheid van hun handelingen, want met de zondaars zal afgerekend worden niet alleen voor het kwaad dat zij gedaan hebben, maar voor het kwaad, dat zij zouden gedaan hebben, het kwaad, dat zij hadden willen doen, maar niet hebben kunnen doen. En als God naar die regel handelt met de goddelozen dan voorzeker zal Hij er ook naar handelen met de rechtvaardigen, en hen belonen niet alleen voor het goed dat zij gedaan hebben, maar voor het goed dat zij gepoogd hebben te doen, maar niet tot stand hebben kunnen brengen.
IV. Hij voorzegt hun verderf wegens hun minachten van God en van Zijn daden, vers 5 Omdat zij niet letten op de daden des Heren, noch op het werk Zijner handen, waardoor Hij zich openbaart en tot de kinderen van de mensen spreekt, zal Hij hen afbreken, in deze wereld en in de toekomende wereld, en zal hen niet bouwen." Een domme onverschilligheid voor de werken van God is de oorzaak van de zonde van de zondaren en wordt alzo de oorzaak van hun verderf. Waarom twijfelen de mensen aan het wezen of de eigenschappen van God? Waarom anders dan omdat zij niet letten op het werk van Zijn handen, dat Zijn heerlijkheid verkondigt en waaruit de onzienlijke dingen verstaan worden? Waarom vergeten de mensen God, leven zij zonder Hem, ja beledigen zij Hem en leven zij in opstand tegen Hem? Waarom anders dan omdat zij geen acht slaan op de voorbeelden van Zijn toorn, die geopenbaard wordt van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid Waarom haten de vijanden van Gods volk hen en vervolgen zij hen, bedenken zij kwaad tegen hen? Waarom anders dan omdat zij niet letten op de werken, die God gewrocht heeft voor Zijn kerk, waardoor Hij getoond heeft hoe dierbaar zij Hem is? Zie Jesaja 5:12
Bij het zingen hiervan moeten wij ons wapenen tegen alle verzoeking om ons te voegen bij de werkers van de ongerechtigheid en ons bemoedigen tegen al het leed, waarmee wij door de werkers van de ongerechtigheid bedreigd worden.