Hebreeën 9:23-28
In het laatste gedeelte van dit hoofdstuk gaat de apostel voort met ons mede te delen wat de Heilige Geest ons heeft beduid met de wettelijke reiniging van die afbeeldingen der hemelse dingen, daarbij voegende de noodzakelijkheid van betere offeranden om de hemelse dingen zelf te heiligen.
I. De noodzakelijkheid van reiniging der voorbeeldingen van de hemelse dingen, vers 23. Deze noodzakelijkheid vloeit voort zowel uit de goddelijke aanwijzing, die altijd gehoorzaamd worden moet, als uit de reden van de aanwijzing, welke bestond in het bewaren van een behoorlijke gelijkenis tussen de afbeeldende en de afgebeelde dingen. Hier valt op te merken, dat het heiligdom Gods op aarde een voorbeelding van den hemel is, en gemeenschap met God in Zijn heiligdom voor Zijn volk een hemel op aarde is.
II. De noodzakelijkheid dat de hemelse dingen zelven gereinigd zouden worden door betere offeranden dan het bloed van stieren en bokken, en daarom gewijd moesten worden door betere offeranden. De hemelse dingen zijn de voorrechten van den staat des Evangelies, begonnen in genade en geëindigd in heerlijkheid. Deze moesten gereinigd worden door een daarbij passend middel van inwijding, en dat was het bloed van Christus. En nu is het wel zeer duidelijk, dat de offerande van Christus oneindig veel beter is dan die van de wet waren.
1. Dat blijkt uit de plaatsen, waar de offeranden van de wet, en die des Evangelies geofferd werden. Die onder de wet was het heiligdom met handen gemaakt, dat slechts een tegenbeeld is van het ware heiligdom, vers 24. Christus' offerande, hoewel op aarde gebracht, werd door Hem zelven den hemel ingedragen en wordt daar aangeboden door Zijn dagelijkse tussenkomst, want Hij verschijnt voor het aangezicht Gods voor ons. Hij is ten hemel gegaan, niet alleen om de rust te genieten en de Hem verschuldigde eer te ontvangen, maar om te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons, om onze personen en onze daden Gode aan te bieden, om onzen tegenstander en beschuldiger te antwoorden en te verslaan, om al onze belangen te regelen en ons een plaats te bereiden.
2. Dat blijkt uit de offeranden zelven, vers 26. Die onder de wet waren het leven en bloed van andere schepselen van een natuur, die verschilde van die der offeraars, het bloed van dieren, een ding van weinig waarde, en dat in zich zelven in `t geheel geen waarde zou gehad hebben zonder typische betekenis ten aanzien van het bloed van Christus. Maar de offerande van Christus was de aanbieding van Hemzelf, Hij offerde Zijn eigen bloed, met recht krachtens Zijn mystieke vereniging, het bloed van God genoemd, en daarom van oneindige waarde.
3. Dat blijkt uit de onophoudelijke herhaling van de wettelijke offerande. Daardoor bleek de onvolkomenheid van de wet, maar het is de eer en de volkomenheid van Christus' offerande dat zij, eenmaal geofferd, voldoende is voor al haar doeleinden. En inderdaad, het tegenovergestelde zou ongerijmd geweest zijn, want dan had Hij dikmaals moeten lijden en opstaan en ten hemel varen, en opnieuw moeten nederdalen en sterven, en het grote werk zou voortdurend verricht zijn geworden zonder ooit aan een einde te komen, hetgeen in openbare tegenspraak zou zijn met het gezond verstand zo goed als met de openbaring en met de waardigheid van Zijn persoon. Maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard om de zonde teniet te doen door Zijns zelfs offerande, vers 26. Het Evangelie is de laatste genadebedeling Gods aan de mensen. 4. Uit de krachteloosheid van de wettelijke offeranden en de kracht van Christus' offerande. De wettelijke offeranden op zich zelven konden de zonden niet wegnemen, geen vergeving er voor verwerven, geen kracht er tegen verstrekken. De zonde zou steeds beslag op ons gelegd hebben en heerschappij over ons behouden hebben, maar Jezus Christus, door ene offerande, heeft de zonde teniet gedaan en de werken des duivels vernietigd.
III. De apostel legt in deze bewijsvoering kracht door te wijzen op Gods beschikking omtrent de mensen, vers 27, 28, en iets, dat daarmee overeenstemt in Gods beschikking omtrent Jezus Christus.
1. De hier bedoelde beschikking Gods omtrent de mensen bestaat uit twee delen.
A. Zij moeten eens sterven, of tenminste ene verandering ondergaan, die gelijkstaat met den dood. Het is een schrikwekkend ding, te moeten sterven, dat de levensdraad wordt ontbonden of doorgesneden, alle betrekkingen hier tegelijk ons ontvallen, dat onze voorbereidende toestand hier eindigt en wij een andere wereld intreden. Het is een groot ding, en dat slechts eens kan gedaan worden en daarom goed moet gedaan worden. Het is een reden van troost voor de godvrezenden, dat zij goed zullen sterven en het slechts eens behoeven te doen, maar het is een oorzaak van verschrikking voor de godlozen, die in hun zonden sterven, dat zij niet kunnen terugkeren om ten tweeden male, en dan beter, te sterven.
B. God heeft den mensen gesteld, dat zij na den dood in het oordeel zullen komen, in een bijzonder oordeel onmiddellijk na den dood, want de ziel keert terug tot God, haar rechter, om de beslissing van haar eeuwigen staat te vernemen, en de mensen zullen allen in het eindoordeel komen aan het einde der wereld. Dat is het onherroepelijk besluit van God betreffende de mensen, zij moeten sterven en zij moeten geoordeeld worden. Dat is hun gesteld, en het moet geloofd en ernstig overwogen worden.
2. Iets dergelijks komt voor ook in Gods beslissing omtrent Christus.
A. Hij moest eens geofferd worden om de zonden te dragen van velen, van allen die de Vader Hem gegeven had, van allen die in Zijn naam zouden geloven. Hij werd niet geofferd om Zijn eigen zonden, Hij heeft onze ongerechtigheden op zich genomen. God legde op Hem de ongerechtigheid van al Zijn volk, en deze zijn vele, ofschoon niet zo velen als de overige leden der mensheid. Toch wanneer zij allen bijeen vergaderd zullen zijn, zal Hij de eerstgeborene onder vele broederen zijn.
B. Het is bepaald dat Christus ten anderen maal, zonder zonden, verschijnen zal, die Hem verwachten tot zaligheid.
a. Hij zal dan verschijnen zonder zonden, bij Zijn eerste verschijning, ofschoon Hij zelf geen zonden had, was Hij beladen met de zonden van velen, Hij was het Lam Gods, dat de zonden der wereld droeg, en Hij verscheen toen in de gelijkenis van het zondige vlees. Maar bij Zijn tweede komst zal Hij verschijnen zonder zulk een last, want Hij heeft die volkomen gedragen, Zijn aangezicht zal niet meer verdorven, maar onuitsprekelijk heerlijk zijn. b. Dat zal geschieden tot zaligheid van allen, die Hem verwachten, Hij zal dan hun heiligheid en hun geluk volmaken, hun getal zal dan volledig zijn en hun zaligheid volkomen. Het is een onderscheidend kenmerk van alle ware gelovigen, dat zij Christus verwachten, zij verwachten Hem met geloof, zij verwachten Hem met hoop en heilig verlangen. Zij verwachten Hem in elke plicht, in elke instelling, in elke omstandigheid, zij verwachten Zijne wederkomst en bereiden zich daartoe voor. En ofschoon die de plotselinge verwoesting van het overig deel der wereld zijn zal, die op het gerucht er van nu spot, zal het geschieden tot eeuwige zaligheid van allen, die Hem verwachten.