Psalm 26:6-12
In deze verzen:
I. Legt David nog een nader bewijs over van zijn oprechtheid, hetwelk bestond in zijn oprechte genegenheid voor de inzettingen Gods en zijn voortdurende zorg ervoor, en het genot, dat hij er in smaakte. Geveinsden kunnen wel de inzettingen Gods bijwonen, zoals de trotse Farizeeër naar de tempel opging om te bidden met de boetvaardige tollenaar, maar het is een goed teken van oprechtheid als we ze bijwonen op de wijze zoals David zegt dat hij het deed, vers 6-8.
1. Hij was zeer zorgzaam en nauwgezet in zijn voorbereiding voor de heilige inzettingen. Ik zal mijn handen wassen in onschuld vers 6. Hij onthield zich niet slechts van het gezelschap van de zondaren, maar hield zich rein van de besmetting van de zonde, en dat wel met het oog op de plaats, welke hij had onder hen die rondom Gods altaar gaan. "ik zal mij wassen en zo zal ik rondom Uw altaar gaan, wetende dat ik er anders niet welkom zou wezen." Dit is gelijk aan hetgeen wij lezen, 1 Corinthiërs 11:28, "Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker," alzo voorbereid. Dit geeft te kennen:
a. De gewoonte van zich voor te bereiden, ik zal mijne handen wassen in onschuld, ik zal zorgvuldig waken tegen alle zonde, mijn geweten rein houden van de dode werken, die het zouden verontreinigen en mijn naderen tot God zouden verhinderen." Zie Psalm 24:3, 4
b. Werkelijke voorbereiding. Het ziet op de plechtigheid van het zich wassen van de priesters, als zij in de tabernakel gingen om dienst te doen, Exodus 30:20, 21. David was geen priester, maar hij wilde (wat ieder aanbidder behoort te doen) op het wezen zien, dat de priesters moesten afschaduwen. In onze voorbereidingen voor plechtige inzettingen, moeten wij ons niet alleen kunnen zuiveren van de beschuldiging van heersend ongeloof en geveinsdheid, onze onschuld daaraan betuigen, hetgeen aangeduid werd door "het wassen van de handen" Deuteronomium 21:6; maar wij moeten ons ook reinigen van de vlekken van de nog overgebleven ongerechtigheid, door onze bekering te vernieuwen en het bloed van Christus opnieuw toe te passen op ons geweten om het te reinigen en tot vrede te brengen. Hij, die gewassen is, dat is in een staat van gerechtvaardigd te zijn is gekomen, heeft van node "de voeten te wassen", Johannes 13:5 ; zijn handen te wassen, ze te wassen in onschuld; hij, die boetvaardig is, is pene innocens bijna onschuldig, en hij, die vergeving heeft ontvangen, is in zoverre onschuldig, dat zijn zonden hem niet gedacht, niet toegerekend zullen worden.
2. Hij was zeer naarstig en ernstig in zijn bijwonen ervan; ik ga rondom Uw altaar, een toespeling op de gewoonte van de priesters, die terwijl het offer geofferd werd, rondom het altaar gingen, hetgeen waarschijnlijk degenen, die het offer brachten, op enige afstand ook deden, waarmee zij hun naarstig letten op hetgeen gedaan werd te kennen gaven en hun plichtmatig, gehoorzaam bijwonen van de dienst. ik ga rondom Uw altaar met de menigte, die er omheen gaat." David, een groot, aanzienlijk man, een man van zaken, een krijgsman, achtte het niet beneden zijn waardigheid om met de menigte aan Gods altaren te verschijnen en hij kon er de tijd voor vinden. Alle kinderen Gods zullen niet missen om tot Gods altaar te komen in gehoorzaamheid aan Zijn geboden en om Zijn gunst te verwerven. Christus is ons altaar, niet zoals het altaar in de Joodse kerk, dat door hen gevoed werd, maar een altaar, van hetwelk wij eten, en waarop wij leven Hebreeën 13:10. Het is een lieflijk gezicht als Gods altaar aldus omringd wordt en het is heerlijk om onszelf te zien onder hen, die er om heengaan.
3. In al zijn bijwonen van en deelnemen aan de inzettingen Gods, had hij de heerlijkheid Gods op het oog en was hij ijverig in dankbare lofzegging en aanbidding van Hem. Hij beschouwde de plaats van de aanbidding als de plaats, waar Gods eer woonde, vers 8 en daarom stelde hij het zich ten doel om aldaar God te eren Hem de eer te geven van Zijn naam, met de stem van de dankzegging al Gods wonderen bekend te maken. Zijn genaderijke werken, die ons oproepen tot dankzegging, zijn allen wonderen, die onze bewondering opwekken. Wij behoren ze te verkondigen, ze bekend te maken tot Zijn eer, en anderen op te wekken om Hem er voor te loven; en wij moeten het doen met de stem van de dankzegging, daar wij ons bewustzijn van onze verplichting om op alle mogelijke wijzen dankbaar de gunsten te erkennen, die wij van God hebben ontvangen.
4. Hij deed dit met zielsverlustiging en uit een beginsel van ware liefde tot God en Zijn inzettingen. Dienaangaande beroept hij zich op God; "Heere, Gij weet hoe lief ik de woning heb van Uw huis, vers 8, de tabernakel, waarin het U behaagt Uw wonen onder Uw volk te openbaren en hun hulde te ontvangen, de woonplaats van Uw heerlijkheid. David was soms door vervolging genoodzaakt in de landen van afgodendienaars te wonen en verhinderd om tot Gods altaren te komen en zijn vervolgers, die hem daartoe genoodzaakt hadden hebben het hem misschien als zijn misdaad aangewreven en verweten. Zie 1 Samuël 20:27. "Maar, Heere", zegt hij, "ofschoon ik niet kan komen tot de woning van Uw huis, heb ik haar toch lief, mijn hart is daar, en het is mijn grootste smart, dat ik er niet zijn kan." Allen, die God waarlijk liefhebben, hebben ook waarlijk de inzettingen Gods lief, en zij hebben ze lief omdat Hij er Zijn eer in openbaart, en omdat zij hun de gelegenheid bieden Hem te eren. Onze Heere Jezus heeft de eer van Zijn Vader liefgehad en er zich op toegelegd om Hem te verheerlijken; Hij had de woning lief van Zijn huis, Zijn kerk onder de mensen; had haar lief, en Hij heeft zich voor haar overgegeven, ten einde haar te bouwen en te heiligen. Zij, die gemeenschap met God liefhebben en er zich in verlustigen om tot Hem te naderen, bevinden dat dit een voortdurend genot is, een troostrijk bewijs van hun oprechtheid, en een lieflijke voorsmaak van hun eindeloze gelukzaligheid.
II. Bewijzen gegeven hebbende van zijn oprechtheid, bidt David nu oprecht met een ootmoedig vertrouwen op God, (zoals zij hebben, wier hart hen niet veroordeelt) dat hij niet onder het oordeel mocht vallen van de goddelozen, vers 9, 10 Raap mijn ziel niet weg met de zondaren. Hier:
1. Beschrijft David deze zondaren, die hij beschouwde als in een zeer ellendige toestand te zijn, zo ellendig, dat hij niet kon wensen dat de ergste vijand, die hij had in de wereld, in een ellendiger toestand zou komen. "Het zijn mannen des doods, die dorsten naar bloed en zich onder zware bloedschuld bevinden. Zij doen kwaad, er is schandelijk bedrijf in hun handen. Hoewel zij winst behalen met hun goddeloosheid (want hun rechterhand is vol geschenken, steekpenningen om het recht te verkeren), zal dat hun toestand toch niet beter maken, immers wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade aan zijn ziel?"
2. Vreest hij dat zijn deel met hen zal zijn. Hij heeft hen nooit bemind, zich nooit met hen vergezeld in deze wereld, en daarom kon hij in het geloof bidden niet lotgemeen met hen te zijn in de andere wereld. Onze ziel moet weldra vergaderd, weggenomen worden, om terug te keren tot God die haar gegeven heeft en haar wederom op zal eisen. Zie Job 34:14 Het is van belang voor ons om eens te bedenken of onze ziel dan vergaderd zal worden met de heiligen of met de zondaren, of zij ingebonden zal zijn in het bundelden van de levenden bij de Heere, zoals de zielen van de gelovigen, 1 Samuël 25:29, of in de bussel van onkruid voor het vuur, MATTHEUS 13:30 De dood verzamelt ons tot ons volk, tot hen, die ons volk zijn terwijl wij leven, met wie wij verkiezen ons te vergezellen, en met wie wij lotgemeen willen wezen; tot hen zal de dood ons vergaderen, en met hen moeten wij lotgemeen zijn tot in eeuwigheid. Bileam wenste de dood te sterven van de rechtvaardigen, David vreesde de dood te sterven van de goddelozen, zodat beide van hetzelfde gevoelen zijn, en zo wij ook van dat gevoelen zijn, en er naar leven, dan zullen wij voor eeuwig gelukkig zijn. Zij, die geen metgezellen willen wezen van zondaars, in hun vrolijkheid niet eten van hun lekkernijen, kunnen in het geloof bidden dat zij hun metgezellen niet zullen wezen in de rampzaligheid, niet zullen drinken van hun beker, hun beker van de zwijmeling.
III. Met een heilig, nederig vertrouwen geeft David zich over aan Gods genade, vers 11, 12
1. Hij belooft dat hij door Gods genade volharden zal in zijn plicht. "Wat anderen ook mogen doen, ik wandel in mijn oprechtheid." Als ons geweten voor ons getuigt dat wij gewandeld hebben in onze oprechtheid, dan is dit troostrijk voor ons, en het moet ons bevestigen in ons besluit om aldus voort te gaan.
2. Hij bidt om Gods genade, beide om hem daartoe instaat te stellen en er hem de vertroosting van te geven. "Verlos mij uit de handen van mijn vijanden, en wees mij genadig in leven en in sterven." Al zijn wij ook nog zo vast overtuigd van onze oprechtheid, toch moeten wij steunen op Gods genade en de grote verlossing, die Christus heeft gewrocht en bidden om het voordeel daarvan.
3. Hij heeft een welgevallen aan zijn standvastigheid: Mijn voet staat op effen baan waar ik niet zal struikelen, en waar ik niet af zal vallen." Dat spreekt hij als iemand, die zijn besluiten en voornemens voor God en Godsvrucht vast vindt, niet bewogen kunnende worden door de verzoekingen van de wereld, en zijn vertroosting vast bevindt in God en Zijn genade niet gestoord of verontrust kunnende worden door de kruisen en moeilijkheden van de wereld.
4. Hij stelt zich voor dat hij nog aanleiding zal hebben om de Heere te prijzen, voorzien zal worden van stof om Hem te loven, een hart zal hebben om te loven en te danken, en dat hij, hoewel thans misschien buitengesloten van de openbare inzettingen Gods, toch opnieuw de gelegenheid zal hebben om God te loven in de vergadering van Zijn volk. Zij, die de vergaderingen van de boosdoeners haten, zullen bij de vergadering gevoegd worden van de rechtvaardigen, en zich met hen verenigen om God te loven, en het is lieflijk om dat te doen in goed gezelschap, hoe groter hoe beter, want dan is het meer gelijk aan de hemel.