21. Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, 1) opdat zij niet sterven, hetgeen aanstonds geschieden zou, wanneer zij ongewassen de een of andere heilige plaats wilden naderen; en dit wassen telkens voor het verrichtenvan een godsdienstige handeling, zal hun een eeuwige inzetting zijn, voor hem, Aäron en zijn nageslacht, bij hun geslachten, 2) voor al zijn nakomelingen.
1) Wel waren Aäron en zijn zonen geheiligd tot hun dienstwerk, maar deze heiliging verhinderde niet, dat zij steeds door eigen zonden en door die van het volk verontreinigd werden. Zij hadden daarom de gedurige wassing en reiniging en heiliging nodig. Wie eenmaal door het bloed van Christus gereinigd is, heeft toch, door de aanraking met zonde en wereld, de reiniging van zijn dagelijkse zonden nodig..
2) Het koperen wasvat wordt ten opzichte van grootte en gedaante niet nader beschreven, omdat het symbolisch geen betekenis had; wel was het wassen van handen en voeten, hetgeen de priesters bevolen was, voordat zij het Heiligdom betraden en de heilige werkzaamheden verrichten, een zinnebeeld van de inwendige, geestelijke reiniging, zonder welke niemand, allerminst die het ambt van de verzoening bekleedt, de heilige God naderen mag. (Mattheus 5:8)
Het wasvat (het tweede voorwerp, dat zich in de voorhof bevond) was een grote, ronde, koperen ketel of bak, uit de spiegels van de Joodse vrouwen van Bezßleël vervaardigd, en rustende op een voetstuk. Het stond schuin naast het zoenaltaar, en diende tot een gedurige reiniging van de offerende personen en van het offer zelf. Rondom waren er een menigte tuiten of kranen, door welke het water afliep, dat elke dag rein en vers door de Levieten daar werd ingedragen. Bij elke dienst moesten de priesters zich daarmee vooral handen en voeten wassen..
IV. Vers 22-33. Verder wordt naar stof en wijze van samenstelling gehandeld over de zalfolie, die bij de in hoofdstuk 29 voorgeschreven priesterwijding aan te wenden is.