1 Samuël 20:24-34
Jonathan wordt hier ten volle overtuigd van wat hij zo afkerig was te geloven, namelijk dat zijn vader een onverzoenlijke vijandschap koesterde tegen David, en stellig zijn dood zou veroorzaken, indien het in zijn macht was, en die overtuiging is hem bijna duur te staan gekomen.
I. David wordt reeds op de eerste dag bij het offermaal gemist, maar er wordt niets van gezegd. toen zich de koning gezet had op zijn zitplaats op dit maal gelijk de andere maal, vers 25, om van het dankoffer te eten, en toch was zijn hart vol van nijd en boosheid tegen David. Hij had zich eerst met hem behoren te verzoenen, en dan komen om zijn geve te offeren, maar inplaats daarvan hoopte hij bij dit feestmaal het bloed van David te zullen drinken. Welk een gruwel was dit offer, dat met zo'n schandelijk voornemen gebracht is! Spreuken 21:27.
Toen de koning kwam om zich naar zijn plaats te begeven, stond Jonathan op uit eerbied voor hem, beide als zijn vader en als zijn souverein. Ieder kende zijn plaats, maar die van David was ledig. Zij placht nooit ledig te zijn.
Niemand was zo standvastig en trouw als hij om heilige plichten waar te nemen, en hij zou ook nu niet afwezig geweest zijn, indien er aan zijn komst geen Levensgevaar voor hem was verbonden, het eigenbehoud verplichtte hem weg te blijven.
In onmiddellijk gevaar mag men zulke gelegenheden laten voorbijgaan, ja het is ons niet geoorloofd het gevaar in de mond te lopen. Christus zelf heeft zich dikwijls verborgen, totdat Hij wist dat Zijn ure was gekomen. Maar op die dag heeft Saul er niet openlijk notitie van genomen, dat David gemist werd, hij zei slechts bij zichzelf: Hem is wat voorgevallen, dat hij niet rein is, vers 26.
Hij heeft een ceremoniele onreinheid opgedaan, die hem verbiedt van de heilige dingen te eten, totdat hij zijn klederen heeft gewassen en zijn vlees met water gebaad heeft en onrein is geweest tot aan de avond, zie Leviticus hoofdstuk 15 ---.
Saul wist hoe nauwgezet David de wet waarnam en dat hij liever zou wegblijven van het heilig feestmaal dan er in zijn onreinheid bij aan te zitten.
Geloofd zij God dat thans geen onreinheid ons behoeft terug te houden, maar dat wij door geloof en bekering er van gewassen kunnen worden in de fontein, die geopend is, Psalm 26:6.
II. Op de tweede dag wordt naar hem gevraagd, vers 27. Saul vroeg Jonathan naar hem, want hij wist dat deze zijn vertrouweling was. Waarom is de zoon van Isai noch gisteren noch heden tot de spijze gekomen?
Hij vraagt naar hem, alsof het hem mishaagde dat hij van een Godsdienstige feestmaaltijd afwezig was, en dit behoort een voorbeeld te zijn voor hoofden van gezinnen, om er wèl op toe te zien dat zij, die onder hun zorg en hoede zijn, niet afwezig zijn van de aanbidding Gods, hetzij in het openbaar of bij de huisgodsdienst. Het is slecht voor ons-behalve in gevallen van noodzakelijkheid-om de gelegenheid niet waar te nemen van het gezette bijwonen van de eredienst.
Thomas heeft er het zien van Christus door verloren, dat hij afwezig was van een bijeenkomst van de discipelen. Maar wat Saul mishaagde was, dat hij er de gelegenheid door verloor, die hij verwacht heeft, om David kwaad te doen.
III. Jonathan voert als zijn verontschuldiging aan:
1. Dat hij voor een goede gelegenheid afwezig was, het feest waarnemende in een andere plaats, al was het dan niet hier, ontboden zijnde door zijn oudsten broeder, die nu eerbiediger jegens hem was dan tevoren, Hoofdstuk 17:28, en dat hij was heengegaan om zijn bloedverwanten te begroeten, ter onderhouding van de broederlijke liefde, en geen meester zou aan zijn dienstknecht weigeren om dit op een geschikten tijd te doen. Hij voert aan:
2. Dat hij niet zonder verlof was gegaan, dit verlof nederig aan Jonathan had gevraagd en van hem had verkregen, die als zijn meerdere in rang daartoe de bevoegde persoon wast Aldus toont hij aan dat David in geen enkel opzicht tekort was gekomen in eerbied voor en gehoorzaamheid aan de regering.
IV. Hierop breekt Saul uit in geweldige drift en toorn, hij woedt als een leeuw, die men zijn prooi ontrukt heeft. David was buiten zijn bereik, maar om zijnentwil valt hij Jonathan aan, vers 30, 31, gebruikt vuile taal tegen hem die het geen welopgevoed man, geen vorst betaamde te bezigen, tegenover wie het ook zij, inzonderheid niet tegenover zijn zoon, de vermoedelijke erfgenaam van zijn kroon, een zoon, die hem diende, de grootste steun en het schoonste sieraad was van zijn geslacht, en dat nog wel in tegenwoordigheid van vele gasten op een feest, wanneer alle ongeregelde hartstochten onderdrukt behoren te worden, en toch noemt hij hem:
1. Een bastaard. Gij zoon van de verkeerde in weerspannigheid, dat is, naar de dwaze en vuile taal van van de mensen woeste hartstocht heden ten dage: Gij hoerekind.
Hij zegt hem dat hij tot schande van zijn moeder is geboren dat is: hij heeft de wereld reden gegeven te denken, dat hij geen wettige zoon was van Saul, omdat hij hem liefhad, die Saul haatte, en hem steunt, die het verderf zal zijn van zijn geslacht.
2. Een verrader: Gij zoon van de verkeerde in weerspannigheid -zoals het woord is in het Hebreeuws-dat is: gij verkeerde of slechte rebel.
Op andere tijden achtte hij dat hij geen raadsman of bevelhebber had meer getrouw en geliefd dan Jonathan, maar in zijn hartstocht en drift stelt hij hem nu voor als gevaarlijk voor zijn kroon en zijn leven.
3. Een dwaas: Gij hebt de zoon van Isai verkoren als uw vriend, tot uw schande, want zolang hij leeft, zult gij niet bevestigd worden. Jonathan heeft in werkelijkheid wijs en wel voor zichzelf en zijn geslecht gehandeld door zich te verzekeren van de vriendschap van David, die de hemel bestemd had voor de troon, en toch wordt hij hierom als zeer onwijs, zeer onstaatkundig gebrandmerkt.
Het is goed om Gods volk aan te nemen voor ons volk, en met hen te zijn, met wie Hij is, het zal ten laatste blijken tot ons voordeel te zijn, hoe het voor het ogenblik ook een verkleining schijnt te wezen, en nadelig voor onze wereldlijke belangen.
Het is waarschijnlijk dat Saul wist dat David voor het koninkrijk was gezalfd door dezelfde hand, die hemzelf gezalfd heeft, en dan was niet Jonathan, maar hijzelf de dwaas, daar hij dacht het raadsbesluit Gods te kunnen vernietigen.
Maar met niets minder kan hij tevreden wezen dan met Davids dood, en Jonathan moet hem de hand lenen om hem ter dood te brengen. Zie de boosheid van Sauls hartstocht, en laat het ons ter waarschuwing zijn om ons toch in niets dergelijks toe te geven. Toorn is waanzin, en die zijn broeder haat is een doodslager.
V. Jonathan is uiterst bedroefd, en door de wrede toorn van zijn vader in ontsteltenis gebracht, temeer dat hij betere dingen gehoopt had, vers 2.
Het smartte hem dat zijn vader zo woest en redeloos was, het smartte hem dat zijn vriend, die hij wist een vriend Gods te zijn, zo laaghartig behandeld werd, hij was bekommerd om David, vers 34, ook bekommerd om zichzelf, omdat zijn vader hem gesmaad had, en hoewel dit ten uiterste onrechtvaardig was, moet hij er zich toch aan onderwerpen. Men zou medelijden hebben met Jonathan, als men ziet:
1. Hoe hij in gevaar werd gebracht van te zondigen. Het kostte die wijze en Godvruchtige man moeite om bij zodanige terging zijn ziel te bezitten in zijn lijdzaamheid.
Op zijns vaders smadelijke taal tegen hemzelf antwoordde hij niet, het betaamt minderen om in zachtmoedigheid en stilte de smaad te dragen, die hun meerderen in hun drift en hartstocht hun aandoen. Als gij het aanbeeld zijt zo lig stil.
Maar dat hij David ten dood doemde, kon hij niet dragen, daarop antwoordde hij ietwat heftig, vers 32 :
Waarom zal hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan? Grootmoedige zielen kunnen veel gemakkelijker dragen zelf mishandeld te worden, dan hun vrienden te zien mishandelen.
2. In gevaar van gedood te worden. Saul was nu zo verwoed, dat hij zijn spies naar Jonathan wierp, vers 33. Hij scheen in grote zorg te zijn, vers 31, dat Jonathan in zijn koninkrijk bevestigd zou worden, en toch legt hij het nu toe op zijn leven.
Tot welke dwazen, tot welke wilde dieren, ja erger, worden de mensen gemaakt door toorn en hartstocht! Hoe nodig is het die te breidelen! Jonathan was ten volle overtuigd dat kwaad tegen David beraamd en besloten was, en het bracht hem geheel in wanorde. hij stond van de tafel op, denkende dat het er hoog tijd voor was, als zijn leven belaagd werd, en hij at geen brood want zij moesten in hun leed niet van de heilige dingen eten. Wij kunnen ons voorstellen dat al de gasten ontsteld waren en dat de vrolijkheid van het feest was bedorven. "Die wreed is, beroert zijn vlees", Spreuken 11:17.