Psalm 24:3-6
Van deze wereld en haar volheid verheffen de overdenkingen van de psalmist zich plotseling tot de grote dingen van een andere wereld waarvan de grondslag niet is in de zeeën, of in de rivieren. De dingen van deze wereld heeft God aan de kinderen van de mensen gegeven en wij zijn er van Zijn voorzienigheid zeer voor verplicht, maar zij kunnen ons geen genoegzaam goed zijn. En daarom:
Is hier een vraag naar betere dingen, vers 3. Deze aarde is Gods voetbank, maar al zouden wij er nog zoveel van hebben, wij moeten toch maar voor een korte tijd hier zijn en weldra van hier gaan. En wie zal dan klimmen op de berg des Heeren? Wie zal later naar de hemel gaan, en als een voorsmaak en onderpand daarvan thans gemeenschap met God hebben in de heilige inzettingen? Een ziel, die haar eigen natuur kent, denkt aan haar oorsprong en haar onsterflijkheid, zal, als zij de aarde en haar volheid beschouwd heeft onvoldaan neerzitten, er wordt onder alle schepselen geen hulp gevonden voor de mens die als tegenover hem is, en daarom zal zij denken aan een opklimmen tot God, tot de hemel, zal zij vragen: "Wat zal ik doen om mij te verheffen tot die hoge plaats, die berg, waar de Heere woont en zich openbaart, opdat ik met Hem bekend zij, en in die zalige, heilige plaats te wonen, waar Hij tot Zijn volk komt en het heilig en gelukkig maakt? Wat zal ik doen om te behoren tot hen, die God erkent als Zijn bijzonder volk, en die de Zijnen zijn op een andere wijze, dan waarop de aarde en haar volheid de Zijne is?" Deze vraag komt grotendeels overeen met die in Psalm 15:1. De berg Zion, waarop de tempel gebouwd was, was een type van de kerk, van de zichtbare en de onzichtbare. Als het volk ter aanbidding opkwam bij de ark in haar heilige plaats, herinnerde David er hen aan, dat dit slechts afschaduwingen waren van hemelse zaken en dat zij er door geleid moesten worden om die hemelse dingen zelf te bedenken.
II. Een antwoord op deze vraag, waarin wij:
1. De eigenschappen genoemd vinden van Gods bijzonder volk, die gemeenschap met Hem zullen hebben in genade en heerlijkheid.
A. Het zijn mensen, die zich vrij houden van alle grove daden van zonde. Zij hebben reine handen, vrij van de bezoedeling van de wereld en van het vlees. Wie ceremoniëel onrein was, mocht niet op de tempelberg komen, hetgeen de reinheid van levenswandel aanduidde die vereist wordt in allen, die gemeenschap hebben met God. De handen, die opgeheven zijn in gebed, moeten reine handen zijn, geen smet van onrechtvaardig gewin moet er aan kleven, noch iets anders, dat de mens verontreinigt en aanstotelijk is voor de heilige God.
B. Het zijn mensen, die er een gewetenszaak van maken om wezenlijk, dat is innerlijk zo goed te zijn als zij uitwendig schijnen te wezen, zij zijn zuiver van hart. Wij maken niets van onze Godsdienst, als wij er geen hartewerk van maken. Het is niet genoeg dat onze handen rein zijn voor de mensen, wij moeten ook ons hart reinigen van boosheid geen verborgen onreinheid toelaten of dulden in ons hart, dat naakt en geopend is voor het oog van God. Maar tevergeefs wenden diegenen voor een rein en goed hart te hebben wier handen verontreinigd zijn door daden van zonde. Een rein hart is oprecht en zonder bedrog in het sluiten van een verbond met God en zeer zorgvuldig wordt het bewaard en bewaakt, zodat de Boze, de onreine geest er geen vat op heeft, het is gereinigd door geloof en gevormd naar het beeld en de wil van God, zie Mattheus 5:8. C. Het zijn mensen, wier hart niet uitgaat naar de dingen van deze wereld, die hun ziel niet opheffen tot ijdelheid, die geen onstuimige begeerte hebben naar de schatten van de wereld, de lof van mensen of de genietingen van de zinnen deze dingen niet verkiezen tot hun deel, noch er naar jagen, omdat zij geloven dat zij ijdelheid zijn, onvast en onzeker, en geen voldoening schenken.
D. Het zijn de zodanigen, die eerlijk handelen met God en de mensen. In hun verbond met God en hun contracten met de mensen zullen ze niet bedrieglijk zweren, hun beloften niet verbreken, hun verbintenissen of overeenkomsten niet schenden, geen valse eed doen. Zij, die geen acht slaan op de verplichtingen van de waarheid of de eer van Gods naam, zijn ongeschikt voor een plaats op Gods heilige berg.
E. Het zijn biddende mensen, vers 6. Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen. In iedere eeuw is er een overblijfsel van de zodanigen, van mensen van zo'n karakter die de Heere aangeschreven worden tot in geslachten, Psalm 22:31.
a. Het zijn de zodanigen, die God zoeken, die Uw aangezicht zoeken, o Jakob. Zij voegen zich bij God om Hem te zoeken, niet alleen in vroom gebed, maar in ernstige pogingen om Zijn gunst te verkrijgen en zich te bewaren in Zijn liefde, die het tot het toppunt van hun geluk en het toppunt van hun eerzucht gemaakt hebben om door Hem aangenomen te worden, en daarom alle zorgen moeite aanwenden om Hem welgevallig te zijn. Het is tot de berg des Heeren, dat wij moeten opgaan, en daar de weg bergopwaarts loopt, is het ons nodig alle krachten in te spannen als degenen, die ernstig zoeken.
b. Zij voegen zich bij het volk van God, om met hen God te zoeken, in gemeenschap met God gebracht zijnde, komen zij ook in de 0 gemeenschap van de heiligen, zich gedragende naar het voorbeeld van de heiligen, die voorgegaan zijn, aldus wordt dit door sommigen verstaan, zij zoeken Gods aangezicht zoals Jakob (volgens de opvatting van sommigen) die Israël genoemd werd omdat hij met God had geworsteld en overwon, Hem had gezocht en gevonden, en zich voegende bij de heiligen van hun eigen tijd, zullen zij de gunst zoeken van Gods kerk, Openbaring 3:9, blij zijn om met Gods volk bekend te wezen, Zacheria 8:23, zich met hen verenigen, en, als zij "met hun hand schrijven: ik ben des Heeren, zullen zij zich noemen met de naam Jakobs." Jesaja 44:5. Niet zodra was Paulus bekeerd, of hij "poogde zich bij de discipelen te voegen," Handelingen 9:26. Zij zullen Gods aangezicht zoeken in Jakob, (aldus verstaan het sommigen) in de vergaderingen van Zijn volk, Uw aangezicht, o God van Jakob, aldus vult de kanttekening het aan. Gelijk alle gelovigen het geestelijk zaad Abrahams zijn, zo zijn allen, die worstelen in het gebed, het geestelijk zaad Jakobs, tot hetwelk God nooit gezegd heeft: zoekt Mij tevergeefs.
2. De voorrechten van Gods bijzonder volk, vers 5. Zij zullen waarlijk en voor altijd gelukkig gemaakt worden.
a. Zij zullen gezegend zijn, zij zullen de zegen ontvangen van de Heere, al de vruchten en gaven van Gods gunst, overeenkomstig Zijn belofte, en zij, die door God worden gezegend, zijn in waarheid gezegend, want het is Zijn kroonrecht de zegen te gebieden.
b. Zij zullen gerechtvaardigd en geheiligd worden. Dat zijn de geestelijke zegeningen in hemelse zaken, die zij zullen ontvangen, namelijk de gerechtigheid waar naar zij hongeren en dorsten, Mattheus 5:6. Gerechtigheid is zaligheid, en het is van God alleen, dat wij haar moeten verwachten, want van onszelf hebben wij geen gerechtigheid. Zij zullen het loon ontvangen van hun gerechtigheid (aldus verstaan het sommigen) "de kroon van de rechtvaardigheid, die de Heere, de rechtvaardige Rechter, hun zal geven," 2Tim.4:8.
c. Zij zullen verlost en behouden worden want God zelf is de God van hun heil. Waar God gerechtigheid geeft, daar bedoelt Hij gewis verlossing en zaligheid. Zij, die geschikt zijn gemaakt voor de hemel, zullen veilig heengebracht worden naar de hemel, en dan zullen zij tot hun eeuwige voldoening en blijdschap vinden wat zij hebben gezocht.