Prediker 2:1-11
Bij het najagen van het "summum bonum", het geluk van de mens, begeeft Salomo zich nu van uit zijn studeervertrek, zijn bibliotheek, zijn werkkamer, zijn raadzaal, waar hij er tevergeefs naar gezocht had, naar het park, naar de plaats van zang en snarenspel, zijn lusthoven en zomerverblijven, hij verlaat het gezelschap van de filosofen en ernstige senatoren voor dat van de mannen van vernuft, mannen van de wereld, de geestige lieden van zijn hof, om te zien of hij onder hen waar geluk en voldoening kon vinden. Hier doet hij een grote schrede afwaarts, daalt hij van de edele genoegens van het verstand af naar de dierlijke genietingen van de zinnen, maar indien hij besluit een grondige proef te nemen, dan moet hij aankloppen aan deze deur, omdat hier een groot deel van het mensdom zich verbeeldt te hebben gevonden hetgeen hij zocht.
I. Hij besloot te beproeven wat vreugde kon doen en de vermaken van het vernuft, of hij gelukkig zou zijn, indien hij zichzelf en anderen voortdurend onthaalde op vrolijke verhalen en grappen, op scherts en boert, indien hij zich eens ging voorzien van al de aardige wendingen, al de geestige, gevatte antwoorden, die hij kon bedenken of bijeenverzamelen, geschikt om het lachen op te wekken, en al de domme fouten en flaters en dwaasheden, waarvan hij kon horen, en die geschikt waren om bespot te worden, zodat hij altijd in een vrolijk humeur kon zijn.
1. Deze proefneming geschiedde, vers 1. Bevindende dat in veel wijsheid veel smart is, en dat zij, die ernstig zijn, licht geneigd zijn tot droefgeestigheid, zei ik in mijn hart: (tot mijn hart), "welaan, ik zal u beproeven door vreugde, ik zal eens beproeven of die u voldoening kan schenken." Er was noch in zijn gemoedsaard, noch in zijn uitwendige omstandigheden iets, dat hem ervan terughield om vrolijk te zijn, maar beide werkten er toe mee om vrolijkheid bij hem te bevorderen, en daarom besloot hij om er zich in toe te geven, en zei hij tot zichzelf: zie het goede aan, geniet vermaak, geniet het volop, verban de zorg, en neem het besluit om vrolijk te zijn." Dat kan men wezen, zonder iets van al de fraaie zaken te hebben, die hij had om er zich mee te verlustigen, vele armen zijn zeer vrolijk, het is tot een spreekwoord geworden, dat bedelaars in een schuur vrolijk zijn. Vrolijkheid is het vermaak van de verbeelding en hoewel zij verre achterstaat bij de degelijke genietingen van de verstandelijke vermogens, is zij toch te verkiezen boven die, welke slechts vleselijk en zinnelijk zijn. Sommigen onderscheiden de mens van de redeloze dieren, niet alleen als "animal rationale als een redelijk dier", maar als "animal risibile een lachend dier", daarom heeft hij, die zei tot zijn ziel: neem rust, eet en drink, er bijgevoegd: en wees vrolijk, want daarvoor was het, dat hij wilde eten en drinken. "Beproef daarom," zegt Salomo, om te lachen en gelukkig te zijn."
2. Het oordeel, dat hij over deze proefneming uitsprak. Zie, ook dat was, evenals al de rest, ijdelheid, het schonk geen ware voldoening, vers 2. Tot het lachen zei ik: gij zijt onzinnig en daarom wil ik niets met u te doen hebben en tot de vreugde (tot alle spel en vermaak, tot alles wat er aanspraak op maakt tot vreugde en vermaak te dienen) wat maakt deze? of, wat doet gij? Onschuldige vrolijkheid, met soberheid en matigheid en op gepaste tijden genoten, is iets goeds, zij maakt geschikt tot de arbeid en draagt er toe bij om het zwoegen en het leed van het menselijk leven te verzachten, maar als zij buitensporig en onmatig is, dan is zij dwaas en onvruchtbaar.
a. Zij doet geen goed, wat doet zij? "Qui bono Waartoe die zij?" Zij zal niet baten om een schuldige consciëntie tot rust te brengen, noch om een verslagen geest op te heffen, niets is meer onaangenaam dan om liederen te zingen bij een treurig hart. Zij bevredigt de ziel niet, zal haar nooit ware voldoening schenken. Zij is slechts een verzachting voor de snerpende smarten van dit leven. Uitbundig gelach eindigt gewoonlijk in een zucht.
b. Zij doet zeer veel kwaad, zij is onzinnig en maakt de mensen onzinnig, zij brengt de mensen tot velerlei onbetamelijkheden, die een smaad zijn voor hun verstand en godsdienst. Zij zijn waanzinnig, die er zich in toegeven, want zij vervreemdt het hart van God en Goddelijke dingen, en verteert onmerkbaar de kracht van de Godsdienst. Zij, die graag vrolijk zijn, vergeten om ernstig te wezen, en terwijl zij de trommel en de harp opheffen, zeggen zij tot God: Wijk van mij, Job 21:12, 14. Wij kunnen, evenals Salomo, ons beproeven met vrolijkheid, en daarnaar over de toestand van onze ziel oordelen. Hoe staat het met ons in dezen? Kunnen wij vrolijk en wijs zijn? Kunnen wij haar gebruiken als kruiderij, en niet als voedsel? Maar wij behoeven niet, evenals Salomo, te beproeven of zij ons gelukkig zal maken, want wij kunnen zijn woord geloven, dat zij onzinnig is, en wat maakt zij? Lachen en genoegen, zegt Sir William Temple, ontstaan uit zeer verschillende gemoedsbewegingen, want gelijk de mensen geen neiging hebben om te lachen om hetgeen hun het meeste genoegen doet, zo doet hetgeen waarom zij lachen hun volstrekt geen genoegen.
II. Bevindende dat hetgeen aan zijn verbeelding behaagde hem niet gelukkig maakte, besloot hij om het nu eens te beproeven met hetgeen het verhemelte streelt, vers 3. Daar de kennis van het schepsel geen voldoening schonk, wilde hij eens zien wat een overvloedig gebruik erven doen zou. Ik heb in mijn hart nagespeurd om mijn vlees op te honden in de wijn, mij toe te geven in goeden spijs en drank. Velen geven zich daarin toe zonder daarbij met hun hart te rade te gaan, en hebben alleen de bevrediging van hun zinnelijke lusten op het oog, maar Salomo heeft er zich op verstandige wijze toe begeven, en als een man, kritisch, alleen om een proefneming te doen.
Merk op:
1. Hij heeft zich geen vrijheid veroorloofd in het gebruik van zingenot, voordat hij zich door ernstige en strenge studie had vermoeid, voordat zijn vermeerdering van wijsheid gebleken was een vermeerdering van smart te zijn, heeft hij er nooit aan gedacht zich tot de wijn te begeven. Als wij ons hebben ingespannen hebben in goeddoen, dan kunnen wij ons zeer gerust en getroost verkwikken met de gaven van Gods milddadigheid. De genietingen van de zinnen worden dan recht gebruikt, als wij ze gebruiken als hartsterkingen, alleen wanneer wij ze nodig hebben, zoals Timotheus wijn dronk ter wille van zijn gezondheid, 1 Timotheus 5, 23. Zij, die zich aan de drank hebben verslaafd, hebben er zich in het eerst toe gedwongen, zij hebben er hun vlees in opgehouden, maar zij moeten gedenken aan hoeveel ellende zij er zich mee overgegeven hebben.
2. Toen zag hij er op als dwaasheid, en het was met weerzin dat hij er zich aan gaf, zoals Paulus, toen hij zich prees, dit een zwakheid noemde, en wenste, dat men hem verdroeg in de onwijsheid, 2 Corinthiers 11:1. Hij zocht de dwaasheid vast te houden, om te zien wat het uiterste van de dwaasheid doen kon om de mensen gelukkig te maken, maar hij was op het punt om met dat onderzoek te ver te gaan. Hij besloot dat de dwaasheid hem niet vasthouden zou, niet de overhand over hem zou krijgen, maar hij wilde haar vasthouden, haar op een afstand houden, maar hij bevond dat zij hem te sterk was.
3. Terzelfder tijd droeg hij zorg om zijn hart te leiden in wijsheid, zich met wijsheid te besturen bij zijn vermaken en genoegens, zodat die hem geen schade zouden toebrengen, noch hem ongeschikt zouden maken om er een beoordelaar van te zijn. Toen hij zijn vlees ophield in de wan, leidde hij zijn hart in wijsheid, bleef hij kennis zoeken, heeft hij geen zuiper van zich gemaakt, is hij geen slaaf geworden van zijn genietingen, neen, zijn studies en zijn feestmalen waren contrasten van elkaar en hij wilde zien of beide met elkaar vermengd hem de voldoening konden geven, die hij in ieder afzonderlijk niet kon vinden. Dit stelde Salomo zich voor, maar hij bevond dat het ijdelheid was, want zij, die zich overgeven aan de wijn en toch hun hart willen leiden in wijsheid, zullen zich misschien evenzeer bedriegen, als zij die beide God en de mammon denken te dienen. De wijn is een spotter, een grote bedrieger, en het zal voor ieder mens onmogelijk zijn te zeggen, dat hij er zich zo ver aan zal geven en niet verder.
4. Wat hij op het oog had was niet zijn lusten te bevredigen, maar het geluk van de mensen te ontdekken, en daarom moet ook dit, daar het voorgeeft de mens gelukkig te maken, op proef worden gesteld. Let op de beschrijving, die hij geeft van het geluk van de mensen, het is: het beste dat zij doen zouden onder de hemel, gedurende het getal van de jaren huns levens.
a. Hetgeen waarnaar wij moeten vragen is niet zozeer het goede dat wij moeten hebben, dat kunnen wij aan God overlaten, maar het goed, dat wij moeten doen, dat behoort onze grote zorg te zijn. Goede Meester welk goed zal ik doen? Ons geluk bestaat niet in lui en ledig te zijn, maar in doen wat recht is, in goed en nuttig bezig te zijn. Als wij het goede doen, zullen wij lof hebben.
b. Het is goed, dat onder de hemel gedaan moet worden, terwijl wij hier in deze wereld zijn, zo lang het dag is, terwijl de tijd voor ons doen ervan er nog is, dit is onze staat van werk en dienst, het is in de andere wereld, dat wij er het loon van moeten verwachten, daarheen zullen onze werken ons volgen.
c. Het moet gedaan worden al de dagen van ons leven, in het goede dat wij doen moeten wij volharden ten einde toe, zolang onze tijd duurt, het getal van de dagen van ons leven, de dagen van ons levens zijn ons toegedeeld door Hem, in wiens hand onze tijden zijn, en zij moeten allen doorgebracht worden naar Zijn aanwijzing. Maar dat iemand zich tot de wijn zou begeven om te ontdekken wat de beste wijze van leven is in deze wereld was een ongerijmdheid, die Salomo zelf hier bij het nadenken er over veroordeelt. Is het mogelijk, dat dit het goed is, dat de mens moet doen? Neen, het is duidelijk, dat het zeer slecht is.
III. Spoedig bewerkende dat het dwaasheid was, om zich aan de wijn over te geven, beproefde hij het vervolgens met de kostelijkste vermaken van vorsten en aanzienlijke personen. Hij had een zeer groot inkomen, de opbrengst van zijn kroondomeinen was zeer groot, en hij besteedde dit inkomen naar zijn eigen welgevallen, en zo dat het hem een groot aanzien gaf.
1. Hij legde zich toe op bouwen, beide in de stad en op het land, en daar hij bij het begin van zijn regering zulke grote onkosten had gedaan voor de bouw van het huis Gods, was hij te meer te verontschuldigen, dat hij daarna bouwde voor zijn eigen genoegen. Hij begon zijn werk aan het rechte einde, Mattheus 6:33 niet zoals het volk, Haggai 1:4, dat in gewelfde huizen woonde, terwijl Gods huis woest was. Voor dit bouwen had hij het genoegen van de armen te gebruiken, en goed te doen aan het nageslacht. Wij lezen van Salomo's bouwen in 1 Koningen 9:15-19, en het waren grote werken in overeenstemming met zijn vermogen, zijn geest en zijn waardigheid. Zie zijn vergissing, hij vroeg naar de goede werken, die hij kon doen, vers 3, en ingevolge deze vraag, dat onderzoek, legde hij zich toe op grote werken. Goede werken zijn ook inderdaad grote werken, maar vele werken worden groot genoemd, die alles behalve goed zijn verwonderlijke werken, maar geen Godvruchtige werken, Mattheus 7. 22.
2. Hij was ook een liefhebber van lusthoven, tuinieren is voor sommigen even bekoorlijk als bouwen. Hij plantte zich wijngaarden, waarvoor de grond en het klimaat van het land Kanaän gunstig waren, hij maakte zich hoven en lusthoven, en plantte bomen daar in van allerlei vrucht, vers 5, en de tuinbouw stond toen misschien niet op lagere trap dan tegenwoordig, hij bezat niet alleen bossen van timmerhout, maar bomen van allerlei vrucht, die hij zelf had geplant, en indien enig wereldlijk werk een mens genoegen en geluk kan verschaffen, dan voorzeker moet het het werk zijn, waar Adam zich in de staat van de onschuld mee bezighield.
3. Hij besteedde zeer veel geld aan waterwerken, vijvers en kanalen, niet voor spel en vermaak, maar tot nuttig gebruik, om daarmee te bewateren het woud, waarin de bomen groeiden, vers 6, hij plantte niet slechts, maar maakte nat en liet het toen aan God over om de wasdom te geven. Waterwellingen zijn een grote zegen, Jozua 15:19, maar waar de natuur er in voorzien heeft, moet de kunst ze leiden, om ze dienstbaar te maken voor de mens, Spreuken 21:1.
4. Hij vermeerderde zijn dienstknechten. Daar hij zich voorstelde grote werken te doen, moest hij vele handen gebruiken, en daarom verschafte hij zich knechten en matigden, gekocht voor zijn geld, of geboren in zijn huis, vers 7. Aldus werd zijn huis uitgebreid, en had zijn hof een prachtig aanzien. Zie Ezra 2:58.
5. Hij veronachtzaamde ook de landelijke zaken niet, maar onderhield en verrijkte zich er mede, en werd er noch door zijn studiën, noch door zijn vermaken van afgeleid. Hij had een grote bezitting van runderen en schapen, zoals zijn vader voor hem gehad heeft! 1 Kronieken 29:19,21, : niet vergetende dat zijn vader in het begin een hoeder van schapen is geweest. Laat hen, die zich met veeteelt bezighouden, noch hun werk minachten, noch het zat worden, gedenkende dat Salomo tot zijn grote werken en zijn genoegens zijn bezit van runderen en schapen heeft gerekend.
6. Hij werd zeer rijk, en werd volstrekt niet verarmd door zijn bouwen en tuinieren, zoals velen, die er alleen om die reden berouw van hebben, en het dan ijdelheid er kwelling noemen. Salomo strooide uit, maar er werd hem nog meer toegedaan. Hij vulde zijn schatkist met zilver en goud, dat daar echter niet stil bleef liggen, neen het werd door geheel zijn rijk in omloop gebracht, zodat hij maakte dat het zilver te Jeruzalem was als stenen, 1 Koningen 10:27, ja hij had de Segullah, de bijzondere schat van de koningen en van de landschappen, die om zijn rijkdom en zeldzaamheid van hoger waarde werd geacht dan zilver en goud. De naburige koningen en de verafgelegen provincies van zijn eigen rijk zonden hem de rijkste geschenken, die zij hadden, om zijn gunst te verkrijgen en het onderricht van zijn wijsheid.
7. Hij bezat alles wat bekoorlijk was en tot vermaak kon dienen, alle soorten van muziek, vocale en instrumentale, zangers en zangeressen de fraaiste stemmen, die hij kon vinden en bijeenverzamelen, en al de blaas- en handinstrumenten, die toen in gebruik waren. Zijn vader had een muzikale aanleg, maar hij scheen de muziek meer te gebruiken bij en voor de godsdienstoefeningen dan zijn zoon, die haar meer tot vermaak aanwendde. Deze worden de wellustigheden van de mensenkinderen genoemd, want de meeste mensen stellen bovenal prijs op hetgeen de zinnen behaagt en hebben daar het grootste welbehagen in. De verlustigingen van Gods kinderen zijn van een geheel andere aard, rein en geestelijk en hemels, de verlustiging van de engelen. 8. Meer dan ooit als iemand anders genoot hij van een samenvoeging van verstandelijke en zinnelijke genoegens. In dit opzicht was hij groot en nam hij toe meer dan iemand, die voor hem geweest is, daar hij wijs was temidden van duizenden aardse genietingen. Het was vreemd, en iets dergelijks was nooit aanschouwd:
a. Dat zijn genietingen hem niet verdorven hebben, zijn oordeel niet hebben vervalst, zijn geweten niet hebben verdoofd. emidden van al deze vermaken bleef zijn wijsheid hem bij, vers 9. Temidden van al deze kinderachtige verlustigingen bleef zijn geest mannelijk, bleef hij zijn ziel bezitten, bleef hij de heerschappij van het verstand behouden over de lusten en begeerten van de zinnen, zo groot en overvloedig was zijn wijsheid, dat zij niet verminderd of geschaad werd door zijn wijze van leven, zoals dit met menig man het geval zou geweest zijn. Maar laat toch niemand hierdoor aangemoedigd worden om aan zijn lusten de vrije teugel te vieren, denkende dat zij dit kunnen doen en toch hun wijsheid kunnen behouden, want zij hebben zo'n kracht van wijsheid niet als Salomo gehad heeft, ja, en Salomo had zich bedrogen, want hoe is zijn wijsheid hem bijgebleven, toen hij dermate zijn odsdienst had verloren dat hij, om aan zijn vreemde vrouwen te believen, altaren ging bouwen voor vreemde goden? Maar in zoverre is zijn wijsheid hem bijgebleven, dat hij meester bleef over zijn genoegens, en er niet de slaaf van is geworden, en instaat bleef om er een oordeel over uit te spreken. Hij is naar des vijands land gegaan, niet als een deserteur, maar als een verspieder om te bezichtigen waar hun land open ligt.
b. Maar zijn oordeel en zijn geweten hebben aan zijn genoegens geen teugel aangelegd, hem niet verhinderd om de kwintessens uit de zinnelijke genietingen te halen, vers 10. Tegen zijn oordeel in deze zaak zou men kunnen inbrengen dat, indien Zijn wijsheid hem bijbleef, hij de vrijheid niet kon nemen, die nodig was, om er volkomen mee bekend te worden. Ja," zegt hij, "ik nam zo'n grote vrijheid als iemand nemen kon, want wat mijn ogen begeerden dat onttrok ik hun niet, als het door geoorloofde middelen verkregen kon worden, al was het ook nog zo moeilijk of kostbaar, en, gelijk ik generlei blijdschap of genot onthield aan mijn hart iets waartoe ik lust had, zo weerhield ik mijn hart niet van enige blijdschap, maar met de volle uitoefening van mijn wijsheid had ik veel smaak in mijn genietingen, genoot ik ze even sterk als ooit een Epicurist ze genoten heeft." Ook was er niets in zijn omstandigheden of in zijn gemoedsgesteldheid om ze te verzuren, of er een bitteren bijsmaak aan te geven. Kortom:
A. Hij schiep evenveel behagen in zijn werk als ooit iemand er genot in gesmaakt heeft. Mijn hart was verblijd vanwege al mijn arbeid, zodat het vermoeiende ervan niets afdeed van zijn genoegen erin.
B. Hij had niet minder gewin van zijn werk, hij ontmoette er geen teleurstelling in om hem te beroeren. Dit was man deel van al mijn arbeid, bij al het overige van zijn genoegens heeft hij er nog dit bijgevoegd, dat hij niet alleen zag, maar ook at de arbeid van zijn handen, en dit was alles wat hij had, want het was ook alles dat hij wezenlijk kon verwachten van zijn arbeid. Het verzoette zijn werk, dat hij er de voorspoed van genoot, en het verzoette zijn genietingen, dat zij voortvloeiden uit zijn werk, zodat hij over het geheel zo gelukkig was als de wereld hem maken kon.
Eindelijk. Wij hebben nu tenslotte het oordeel, dat hij er na rijp beraad over uitsprak, vers 11. Toen de Schepper Zijn grote werken had gewrocht, nam Hij ze in ogenschouw, en zie, het was alles zeer goed, alles behaagde Hem, maar toen Salomo zich wendde tot al zijn werken, die zijn handen gemaakt hadden met de uiterste zorg en zeer grote onkosten en de arbeid, die hij werkende gearbeid had ten einde gerust en gelukkig te zijn, was er niets, dat aan zijn verwachting beantwoordde, zie, het was al ijdelheid en kwelling des geestes, hij vond er geen voldoening in, had er geen voordeel van, daarin was geen voordeel onder de zijn, geen voordeel, noch van het werk, noch van de genietingen van deze wereld.