Romeinen 10:1-11
De bedoeling van den apostel in dit gedeelte van het hoofdstuk is aan te tonen het grote verschil tussen de rechtvaardigheid van de wet en de rechtvaardigheid uit het geloof, en de grote uitnemendheid van de rechtvaardigheid uit het geloof boven de rechtvaardigheid der wet. Daardoor wenst hij de Joden te overtuigen en te bewegen om in Christus te geloven, en de dwaasheid en de zonde van hen die dat weigeren, in het volle licht te stellen, terwijl God gerechtvaardigd wordt in de verwerping van hen die het weigeren.
I. Paulus verzekert hier van zijn toegenegenheid tot de Joden en geeft er de reden voor op, vers 1, 2. Hij brengt hun een goeden wens en geeft hun een goede getuigenis.
1. Een goede wens, vers 1, hij wenst dat zij zalig worden mogen, gered van hun tijdelijken ondergang die over hen stond te komen, gered van den toekomstigen toorn, den eeuwigen toorn, die hun boven het hoofd hing. In dezen wens ligt opgesloten de begeerte, dat zij mogen overtuigd en bekeerd worden, hij kon niet in het geloof bidden dat zij in hun ongeloof mochten gered worden. Ofschoon Paulus tegen hen predikte, bad hij nochtans voor hen. Hierin was hij barmhartig, gelijk God is, die niet wil dat enigen zullen verloren gaan, 2 Pet. 3:9, en den dood des zondaars niet begeert. Het is onze plicht getrouw en ernstig te verlangen naar de zaliging der zielen van anderen, dadelijk na de zaligmaking van onze eigen zielen. Dit, zegt hij, was de toegenegenheid zijns harten en het gebed, dat hij tot God voor hen deed. Dat wijst op:
A. De kracht en oprechtheid van zijn begeerte. Het was de begeerte, de toegenegenheid zijns harten. Dat was geen zinledige uitdrukking, zoals de wensen van velen dikwijls alleen in den mond liggen, maar een werkelijk verlangen. Het was zijn begeerte alvorens het zijn gebed werd. De begeerte des harten is de ziel van het gebed. Koele begeerten kunnen niet anders dan afwijzing vragen, wij moeten in elk gebed geheel onze ziel uitstorten en uitademen.
B. Het aanbieden van deze begeerte aan God. Het was niet alleen de begeerte zijns harten, het was ook zijn gebed. Er kunnen begeerten in het hart wonen, zonder dat er gebed is, maar die begeerten moeten bekend gemaakt worden aan God. Wensen en begeren, indien het daarbij blijft, zijn geen gebed.
2. Een goede getuigenis en een reden voor zijn goede wensen, vers 2. Ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben. De ongelovige Joden waren de bitterste vijanden van Paulus in de wereld, en toch geeft Paulus hun een getuigenis zo goed als met de waarheid bestaanbaar is. Wij moeten altijd zo goed van zelfs onze ergste vijanden spreken als wij kunnen, dat is zegenen degenen die ons vervloeken. De liefde leert ons de beste gedachten van de mensen te hebben, en hun woorden en daden zo goed uit te leggen als de waarheid toelaat. Wij moeten nota nemen van hetgeen prijzenswaardig is zelfs in slechte mensen. Zij hebben een ijver tot God. Hun tegenstand tegen het Evangelie komt voort uit het beginsel van eerbied voor de wet, van welke zij weten dat ze van God komt. Er bestaat blinde, misleide ijver, zulk een was die van de Joden, die wanneer zij het volk en de dienaren van Christus uitstootten, riepen: Dat de Heere verheerlijkt worde! Jesaja 66:5, ja die hen doodden, menende Gode een dienst te doen! Johannes 16:2. II. Hij toont aan welke noodlottige vergissing de ongelovige Joden schuldig stonden, die hun ondergang veroorzaakte. Hun ijver was niet met verstand. Het is waar dat God hun de wet gaf, voor welke zij zo ijverden, maar zij hadden moeten weten, dat die haar doel bereikt had toen de beloofde Messias verschenen was. Hij bracht een nieuwen godsdienst en een nieuwe wijze van aanbidding, waarvoor de vorige de plaats moesten inruimen. Hij betoonde zich zelven de Zoon van God te zijn, gaf het meest overtuigend bewijs, dat gegeven kon worden, dat Hij de Messias was, en toch kenden zij Hem niet en wilden Hem niet erkennen, maar sloten hun ogen voor het licht, zodat hun ijver voor de wet blinde ijver was. Dit toont hij verder aan in vers 3, waarbij wij opmerken:
1. Den aard van hun ongeloof. Zij onderwerpen zich niet aan de rechtvaardigheid Gods, dat is, zij hebben zich niet ondergeschikt aan de voorwaarden van het Evangelie, en zij hebben de aanbieding van rechtvaardigmaking door het geloof in Christus, welke het Evangelie doet, niet aangenomen. Ongeloof is zich-nietonderwerpen aan de rechtvaardigheid Gods, zich verzetten tegen de aanbieding van vergiffenis door het Evangelie gedaan. Zij onderwerpen zich niet. In waarachtig geloof is veel onderwerping nodig, daarom is de eerste les, die Christus ons geeft, die van zelfverloochening. Het is reeds een grote neerbuiging voor een hoogmoedig hart vrede te hebben met het behouden worden door vrije genade, wij zijn er afkerig van om als bedelaars geholpen te worden.
2. De oorzaken van hun ongeloof, er zijn er twee:
A. Zij kennen de rechtvaardigheid Gods niet. Zij verstaan, geloven en bemerken niet de strikte gerechtigheid Gods in het haten en straffen van de zonde, en in het eisen van voldoening. Zij nemen niet in aanmerking welke behoefte wij hebben aan een gerechtigheid, waarin wij voor Hem kunnen verschijnen. Deden zij dat, dan zouden zij zich nooit verzet hebben tegen de aanbieding des Evangelies, dan zouden zij nooit van hun eigen werken rechtvaardigmaking verwacht hebben, alsof zij daarmee aan Gods gerechtigheid voldoen konden. Of wel, zij waren onwetend aangaande Gods weg tot rechtvaardigmaking, dien Hij vastgesteld en geopenbaard heeft in Christus Jezus. Zij kenden dien niet omdat zij hem niet wilden kennen, maar zij sloten hun ogen voor de ontdekking daarvan en hadden de duisternis liever.
B. Een hoogmoedige ingenomenheid met hun eigen gerechtigheid. Zij zochten hun eigen gerechtigheid op te richten, ene gerechtigheid die zij zelf bedacht hadden, en die zij zelf wilden uitwerken, door de verdiensten van hun eigen werken en door hun waarneming van de ceremoniële wet. Zij meenden dat zij niet behoefden behouden te worden door de verdienste van Christus en daarom steunden zij op hun eigen werken als voldoende om ene gerechtigheid aan te brengen, in welke zij voor God konden verschijnen. Zij konden niet als Paulus afzien van een steunen daarop: Niet hebbende mijne gerechtigheid, Filippenzen 3:9. Zie een voorbeeld van dezen hoogmoed in den Farizeeër, Lukas 18:9, 10. Verg. vers 14.
III. Hier wijst hij op de dwaasheid van deze misvatting, en hoe onredelijk het van hen was om rechtvaardigmaking te zoeken door de werken der wet, nu Christus gekomen was en een eeuwigdurende gerechtigheid aangebracht had. Daartoe beschouwt hij:
1. De ondergeschiktheid van de wet aan het Evangelie, vers 4. Het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid. De bedoeling van de wet was de mensen tot Christus te leiden. De zedelijke wet diende alleen om de wond te peilen, de ceremoniële wet was een afschaduwing van het heelmiddel, maar Christus was het einde van beide. Zie 2 Corinthiërs 3:7, vergeleken met Galaten 3:23, 24. Het doel van de wet was de mensen te leiden tot de rechtvaardigheid van Christus.
A. Christus is het einde van de ceremoniële wet, Hij is er het einde van omdat Hij de volmaking er van is. Wanneer de zaak zelf komt, is de schaduw voorbijgegaan. De offeranden, de slachtoffers, de reinigingen, onder het Oude Testament ingesteld, waren afbeeldingen van Christus en doelden op Hem, en hun ongenoegzaamheid om de zonden weg te nemen ontdekte de noodzakelijkheid van een offerande, die, eenmaal gebracht, alle zonden wegnam.
B. Christus is het einde van de zedelijke wet, daarin dat Hij deed wat de wet niet doen kon, Hoofdstuk 8:3, en het grote doel verzekerde. Het doel van de wet was de mensen tot volmaakte gehoorzaamheid te brengen, ten einde rechtvaardigmaking te verkrijgen. Dit nu was onmogelijk geworden door de kracht der zonde en de verdorvenheid onzer natuur, maar Christus is het einde der wet. De wet is niet vernietigd, de bedoeling van den wetgever is niet ontweken, maar aangezien volledige voldoening aangebracht is door den dood van Christus voor ons verbreken van de wet, is het doel der wet bereikt en werd voor ons een andere weg tot rechtvaardigmaking opengesteld. Christus is dus het einde der wet tot rechtvaardigheid, dat is: tot rechtvaardigmaking, maar Hij is het alleen voor een iegelijk die gelooft. Op ons geloof, dat is, op onze nederige toestemming in de voorwaarden van het Evangelie, krijgen wij deel aan de voldoening van Christus, en worden zo gerechtvaardigd door de verlossing, die in Jezus is.
2. De voortreffelijkheid van het Evangelie boven de wet. Deze toont hij aan door te wijzen op de inrichting van beide.
A. Welke is de gerechtigheid die uit de wet is? Dat laat hij zien in vers 5. De inhoud daarvan is: Doe dat en leef! Ofschoon zij ons leidt tot een betere en krachtdadiger gerechtigheid in Christus, toch op zich zelve, alleen als wet beschouwd en afgezien van haar betrekking op Christus en het Evangelie, (want zo namen de ongelovige Joden haar aan en hielden zij haar vast) verlangt zij niets als ene gerechtigheid, die voldoende is om een mens te rechtvaardigen, dan volmaakte gehoorzaamheid. Daartoe haalt hij de Schriftuurplaats uit Leviticus 18:5 aan. Mijne inzettingen en Mijne rechten zult gij houden, welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven. Daarheen verwijst hij ook in Galaten 3:12 :De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. Leven, dat is: gelukkig zijn, niet alleen in het land Kanaän, maar ook in den hemel, waarvan Kanaän het type en de voorafbeelding was. Dat vereiste doen moest volmaakt en smetteloos zijn, zonder de minste breuk of verkrachting. De wet, die op den berg Sinaï gegeven was, ofschoon zij niet enkel en alleen een verbond der werken was (want wie had dan onder die bedeling zalig kunnen worden?) had toch, opdat zij des te meer invloed zou oefenen om de mensen naar Christus te drijven en het genadeverbond des te welkomer te doen zijn, zeer veel in zich van de nauwgezetheid en de verschrikkingen van het werkverbond. En was het dan niet bij uitstek dwaas van de Joden om zo krampachtig vast te houden aan dit middel van rechtvaardigmaking en verlossing, dat in zichzelf reeds zo moeilijk was, en bovendien door de verdorvenheid onzer natuur onmogelijk geworden was, terwijl er een verse en levende weg geopend was?
B. Welke is de rechtvaardigheid, die uit het geloof is? vers 6 en v.v. Deze beschrijft hij met de woorden van Mozes, in Deuteronomium, in de tweede wet, (want dat betekent de naam Deuteronomium). En daarin werd een veel helderder openbaring van Christus en het Evangelie gegeven dan in de eerste afkondiging der wet. Hij haalt het aan uit Deuteronomium 30:11-14, en toont aan:
a. Dat die in `t geheel niet hard of moeilijk is. De weg van rechtvaardigmaking en verlossing bevatte niet zulke diepten en oneffenheden, dat hij ons kan ontmoedigen, hij was niet zo vol van onoverkomelijke moeilijkheden, maar hij is, gelijk voorzegd was, een gebaande weg, Jesaja 35:8. Wij worden niet genoodzaakt er voor op te klimmen, -hij is niet in den hemel, wij behoeven er niet voor neer te dalen, -hij is niet in de diepte.
Ten eerste. Wij behoeven niet ten hemel te klimmen om daar de dingen na te speuren en in te dringen in de geheimen van de goddelijke raadsbesluiten. Het is waar dat Christus in den hemel is, maar wij kunnen gerechtvaardigd en gered worden zonder ons daarheen te begeven, om Hem vandaar af te brengen, en zonder een bepaalden boodschapper tot Hem te zenden.
Ten tweede. Wij worden niet genoodzaakt in de diepte te dalen, om Christus uit het graf op te brengen, of uit den toestand des doods.
In den afgrond nederdalen, dat is Christus uit de doden opbrengen. Dit bewijst duidelijk dat het nederdalen van Christus in de diepte, in hadês, meer was dan Zijn ingaan in den toestand des doods, in vergelijking met Jona. -Het is waar dat Christus in het graf was, en dat is zo waar als Hij nu in den hemel is, maar wij behoeven ons niet te ontmoedigen of te verwarren met eigengemaakte moeilijkheden. Evenmin behoeven wij ons zulke grove en vleselijke denkbeelden te scheppen over deze dingen alsof de weg ter verlossing onpraktisch zou zijn, en de bedoeling van de openbaring slechts zou zijn ons te vermaken. Neen, de verlossing is niet zo ver buiten ons bereik gesteld.
b. Maar hij is zeer eenvoudig en gemakkelijk.
Nabij u is het woord. Wanneer wij spreken van zien op Christus, van ontvangen van Christus, van steunen op Christus, dan is dat niet Christus in den hemel, of Christus in den afgrond, dien wij bedoelen, maar Christus in de belofte, Christus aan ons voorgesteld, en ons aangeboden in het Woord. Christus is nabij u, het woord is nabij u, werkelijk nabij u, want het is in uw mond en in uw hart, er is geen bezwaar om het te verstaan, te geloven en zich toe te eigenen. Het werk dat gij te doen hebt, ligt in u, het koninkrijk Gods is binnen in u, Lukas 17:21. Daar moet gij uw bewijzen zoeken, niet in de streken des hemels. Het is, (dat wil zeggen: beloofd werd dat het zijn zal) in uw mond, Jesaja 59:21 en in uw hart, Jeremia 31:33. Alles wat voor ons gedaan moest worden, is ons reeds in handen gegeven. Christus is voor ons van den hemel gedaald, wij behoeven Hem niet vandaar af te brengen. Hij is opgerezen uit de diepte, wij behoeven niet verlegen te staan hoe wij Hem zullen opbrengen. Er is thans niets meer te doen dan een werk in ons. Dat moet onze zorg zijn, te letten op onzen mond en op ons hart. Zij, die onder de wet waren, moesten alles zelf doen. Doe dat en gij zult leven. Maar het Evangelie ontdekt ons dat het grootste gedeelte van het werk reeds verricht is, en dat hetgeen overblijft alleen bestaat in het aanbieden van gerechtigheid en verlossing op zeer gemakkelijke en eenvoudige voorwaarden, ons als het ware voor de deur gebracht, in het woord dat nabij ons is. Het is in onzen mond, wij lezen het dagelijks, het is in ons hart, wij overdenken het dagelijks, of behoren het dagelijks te overdenken. Het is het woord des geloofs, het Evangelie met zijne beloften, het woord des geloofs genoemd omdat het ons het voorwerp des geloofs mededeelt en bespreekt, het woord dat wij geloven, omdat het ons het geloof voorschrijft, beveelt, en als het grote middel ter rechtvaardigmaking doet kennen, en ook omdat het zelf het grote middel is, waardoor het geloof wordt gewrocht en onderhouden. Wat is nu dat woord des geloofs? Wij vinden den inhoud daarvan in vers 8 en 9, het kort begrip van het Evangelie, dat duidelijk en gemakkelijk genoeg is. Wij merken op: Ten eerste. Wat ons beloofd is: Gij zult zalig worden. Het Evangelie stelt voor en biedt aan: zaligheid, verlossing van schuld en toorn, met de zaligheid der ziel, een eeuwige zaligheid, waarvan Christus de bewerker is, een Zaligmaker tot den einde toe.
Ten tweede. Op welke voorwaarden. Twee dingen worden vereist als voorwaarden voor de zaligheid.
a. Het belijden van den Heere Jezus. Een openlijke belijdenis dat wij met Hem in betrekking staan en van Hem afhankelijk zijn, als onzen Vorst en Zaligmaker, het belijden van het Christendom tegenover alle verlokkingen en verschrikkingen van de wereld, het naast Hem staan in alle omstandigheden. Onze Heere Jezus legt groten nadruk op dit belijden van Hem voor de mensen, Mattheus 10:32, 33. Deze belijdenis is het voortbrengsel van menigerlei genaden, het bewijs van grote zelfverloochening, liefde voor Christus, verachting van de wereld, groten moed en veel beslistheid. Zij was een zeer grote zaak inzonderheid toen men door de belijdenis van Christus en het Christendom staat, eer, voorkeur, vrijheid, leven en al wat dierbaar is in de wereld, waagde, zoals het geval was in den eersten tijd.
b. Met het hart geloven dat God Hem uit de doden opgewekt heeft. De belijdenis met den mond, terwijl zij geen kracht uitoefent in het hart, is slechts spotternij, de wortel er van moet gelegen zijn in een ongeveinsde instemming met de openbaring van het Evangelie betreffende Christus, voornamelijk betreffende Zijne opstanding, welke het fundamentele artikel van het Christelijk geloof is, want daardoor werd Hij krachtelijk bewezen de Zoon van God te zijn en werd het volle bewijs geleverd dat de Vader Zijne voldoening aangenomen had.
c. Dit wordt verder toegelicht in vers 10, en daar wordt de volgorde omgekeerd, omdat er eerst geloof in het hart moet zijn alvorens er een oprechte belijdenis met den mond zijn kan. Betreffende het geloof: Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid. Hierin ligt meer opgesloten dan een toestemmen van het verstand, het houdt in een toestemmen van den wil, een inwendig, hartelijk, oprecht en krachtig toestemmen. Er is geen geloof, en het mag er ook niet voor gehouden worden, tenzij met het hart. En dat is tot rechtvaardigheid. Daar is de gerechtigheid van de rechtvaardigmaking, en de gerechtigheid der heiligmaking. Het geloof is het beide, het is de voorwaarde voor onze rechtvaardigmaking, Hoofdstuk 5:1, en het is de wortel en springader onzer heiligmaking, die is daarin begonnen en wordt daarin uitgevoerd, Handelingen 15:9. Betreffende de belijdenis. Met den mond belijdt men ter zaligheid, belijdenis tot God in gebed en dankzegging, Hoofdstuk 15:6, belijdenis voor de mensen, door de erkenning van de wegen Gods voor anderen, voornamelijk wanneer wij daartoe geroepen worden in den dag der vervolging. Het betaamt dat vereerd wordt met den mond, want Hij heeft den mens den mond gegeven, Exodus 4:11, en Hij heeft beloofd dat Hij in zulk een tijd den Zijnen mond en wijsheid geven zal, Lukas 21:15. Een gedeelte van de eer van Christus Jezus is dat elke tong Hem zal verheerlijken, Filippenzen 2:11. En dit geschiedt, zo wordt gezegd, ter zaligheid, omdat het is de vervulling van de voorwaarde der belofte, Mattheus 10:32. De rechtvaardigmaking door het geloof ligt ten grondslag van onze aanspraak op de zaligheid, maar door de belijdenis bouwen wij op dien grondslag en komen ten laatste in het volle bezit van hetgeen, waar- toe wij gerechtigd werden. Wij hebben hier dus een beknopte opsomming van de voorwaarden der verlossing, en zij zijn zeer redelijk, zijn in het kort dat wij aan God moeten wijden, overgeven en afstaan onze zielen en onze lichamen, -onze zielen door het geloven met het hart en onze lichamen door het belijden met den mond. Doe dit en gij zult leven. Hij haalt daartoe uit Jesaja 28:16, aan, in vers 11 :Een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden, oe kataischunthê setai. Dat is:
a. Hij zal niet beschaamd worden in het erkennen van dien Christus, op wie hij vertrouwt, hij die met het hart gelooft, zal niet beschaamd worden bij het belijden met den mond. Het is zondige schaamte, die veroorzaakt dat de mensen Christus verloochenen, Mark 8:38. Die geloven, haasten niet, zo zegt de profeet het, zullen niet haasten om het lijden te ontlopen, dat zij in den weg van plicht ontmoeten, zullen niet beschaamd worden over een miskenden godsdienst.
b. Hij zal niet beschaamd worden over zijne hoop op Christus, hij zal ten slotte niet teleurgesteld worden. Onze plicht is dat wij niet mogen, en ons voorrecht dat wij niet zullen beschaamd worden over ons geloof in Christus. Hij zal nooit reden hebben om berouw te gevoelen over zijn vertrouwen op zulk een borg als de Heere Jezus is.