Psalm 21:8-14
De psalmist, zijn volk geleerd hebbende om met blijdschap en dankzegging terug te zien op hetgeen God voor hem en hen gedaan heeft, leert hen nu om met geloof en hoop en gebed voorwaarts te zien op hetgeen God nog verder voor hen doen zal. De koning is verblijd in God, vers 2, en daarom zullen wij dankbaar wezen, de koning vertrouwt op God, vers 8, en daarom zullen wij bemoedigd zijn De blijdschap en het vertrouwen van Christus, onze Koning, is de grond van al onze blijdschap en vertrouwen.
1. Zij vertrouwen op de vastheid en bestendigheid van Davids koninkrijk. Door de goedertierenheid des Allerhoogsten, en niet door zijn eigen verdienste of kracht, zal hij niet wankelen. Zijn staat van voorspoed zal niet verstoord worden, zijn geloof en hoop in God, die de steun is van zijn geest, zullen niet bewogen worden. De goedertierenheid van de Allerhoogste, de Goddelijke goedheid, macht en heerschappij, volstaat om ons geluk te verzekeren, en daarom moet ons vertrouwen in die goedertierenheid volstaan om al onze vrees tot zwijgen te brengen. God, aan Christus rechterhand zijnde in Zijn lijden, Psalm 16:8, en Hij aan Gods rechterhand zijnde in Zijn heerlijkheid, kunnen wij er zeker van wezen, dat Hij niet zal, niet kan, bewogen worden, maar tot in eeuwigheid zal zij n.
2. Zij vertrouwen, dat al de onboetvaardige, onverzoenlijke vijanden van Davids koninkrijk vernietigd zullen worden. De voorspoed, waarmee God tot nu toe Davids wapenen had gezegend, was hun een onderpand van de rust, die God hem geven zal van al zijn vijanden rondom, en een type van de algehele terneerwerping van al de vijanden van Christus, die niet wilden dat Hij over hen koning zou zijn Let op:
a. Hoe zijn vijanden beschreven worden. Het zijn de zodanigen, die hem haten vers 9 Zij haatten David omdat God hem zich heeft afgezonderd, zij haatten Christus omdat zij het licht haatten, maar beide werden zonder enigerlei rechtmatige oorzaak gehaat, en in beide werd God gehaat, Johannes 15:23, 25.
b. De bedoelingen van zijn vijanden, vers 12. Zij hebben kwaad tegen U aangelegd, zij hebben een schandelijke daad bedacht, zij gaven voor slechts tegen David te strijden, maar hun vijandschap was tegen God zelf gericht. Zij die het er op toelegden David te onttronen, legden het er eigenlijk op toe om te maken dat JHWH geen God zou zijn. Wat beraadslaagd en bedoeld wordt tegen de Godsdienst, en tegen de werktuigen door God verwekt, om hem te steunen en te bevorderen, is zeer boos en schadelijk, en God beschouwt het als bedacht en bedoeld tegen Hemzelf en zal er als zodanig rekenschap van eisen.
c. Hun teleurstelling, zij hebben bedacht en beraadslaagd wat zij niet ten uitvoer zullen kunnen brengen, zij zullen niets vermogen, vers 12. Hun boosaardigheid is machteloos, en zij bedenken ijdelheid, Psalm 2:1.
d. Hoe zij ontdekt worden, vers 9. "Uwe hand zal al uw vijanden vinden, al hebben zij zich ook nog zo kunstig vermomd onder betuigingen van vriendschap, al hebben zij zich ook bij de getrouwe onderdanen van dit koninkrijk gevoegd, zich met hen vermengd, al ontvlieden zij de gerechtigheid en verbergen zij zich in hun geheime schuilplaatsen, zal Uw hand hen toch vinden, waar zij ook zijn. Aan Gods wrekend oog is geen ontkomen, het is niet mogelijk buiten het bereik van Zijn hand te komen. Rotsen en bergen zullen op het laatst geen betere schuilplaats of bedekking wezen dan vijgebladeren het in het eerst geweest zijn.
e. Hun verderf zal een algeheel verderf zijn, Lukas 19:27. Zij zullen verslonden en verteerd worden, vers 10. De hel, het deel van al de vijanden van Christus, is het volkomen verderf beide van lichaam en ziel. Hun kroost zult Gij van de aarde verdelgen en hun nageslacht uit de mensenkinderen vers 11. De vijanden van Gods koninkrijk in iedere eeuw zullen onder hetzelfde oordeel vallen, het gehele geslacht van hen zal ten slotte uitgeroeid worden, en alle tegenstaande heerschappij en macht en kracht zal teniet gedaan worden. De pijlen van Gods toorn zullen hen in verwarring brengen en doen vlieden, daar zij tegen hun aangezicht zijn gericht, vers 13. Dat zal het lot wezen van alle vermetele vijanden, die zich tegen God stellen. Het vuur van Gods toorn zal hen verteren, vers 10, zij zullen niet slechts in de vurige oven geworpen worden, Mattheus 13:42, maar Hij zal henzelf tot een vurige oven maken, zij zullen hun eigen pijnigers wezen, de verschrikkingen van hun eigen geweten zullen hun hel zijn. Zij, die Christus hadden kunnen hebben om over hen te heersen en hen te behouden, maar Hem verwierpen en tegen Hem streden, zullen bevinden dat zelfs de herinnering daaraan genoeg zal zijn om hen tot in alle eeuwigheid tot een vurige oven voor henzelf te maken, dat is de worm, die niet sterft.
In dit vertrouwen vragen zij van God, dat Hij nog voor Zijn gezalfde zal verschijnen, vers 14. Dat Hij voor hem zal handelen in Zijn sterkte door de onmiddellijke werkingen van Zijn macht als Heer van de heirscharen en Vader van de geesten weinig gebruik makende van middelen en werktuigen. En,
a. Hierdoor zal Hij zichzelf verhogen en Zijn eigen naam verheerlijken. "Wij hebben slechts weinig kracht, en zijn niet zo ijverig werkzaam voor U als wij behoorden te zijn, en dat is onze schande. Heere, neem het werk in Uw eigen handen, doe het zonder ons, en het zal U tot eer en heerlijkheid wezen."
b. Hierop zullen zij Hem verhogen: "Zo zullen wij zingen, en zoveel te meer juichend Uwe macht loven." Hoe minder God heeft van onze dienst als er een verlossing gewerkt wordt, hoe meer Hij van onze lof moet hebben als zij zonder ons gewerkt is.