Spreuken 13:5
Waar de genade heerst wordt de zonde verafschuwd, het is de ontwijfelbare hoedanigheid van iedere rechtvaardige, dat hij leugentaal haat, alle zonde, want elke zonde is een leugen, en inzonderheid alle bedrog en valsheid in de handel en in de dagelijkse omgang, hij zal niet alleen geen leugen spreken, maar hij verafschuwt het uit een ingeworteld, heersend beginsel van liefde voor waarheid en recht, en gelijkvormigheid aan God.
Waar de zonde heerst, is de mens stinkende, walglijk. Als zijn ogen geopend waren en zijn geweten ontwaakt was, zou hij het zichzelf wezen, hij zou zich verfoeien, en berouw hebben in zak en as, maar in elk geval is hij het voor God en alle goede mensen, inzonderheid maakt hij zich aldus door te liegen, want niets is meer verfoeilijk. En nu kan hij wel denken dat hij voor een wijle stoutmoedig stand zal houden, maar hij doet zich schande aan, in het einde zal hij veracht worden, en zal hij zich schamen om zijn aangezicht te laten zien, Daniël 12:2.