Psalm 141:5-10
I. David wenst hier dat hem zijn fouten onder het oog gebracht zullen worden, zijn vijanden verweten hem hetgeen niet waar was waarover hij dus wel moest klagen, maar terzelfder tijd wenst hij dat zijn vrienden hem zullen bestraffen voor hetgeen werkelijk verkeerd in hem was, inzonderheid indien er iets in hem was, dat ook maar de minste aanleiding kon geven tot en de minste schijn van recht kon geven aan die verwijtingen vers 5. De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn. De rechtvaardige God zo lezen sommigen het. "Ik zal de bestraffingen van Zijn voorzienigheid welkom heten, en zo weinig geneigd zijn om er mee te twisten, dat ik ze als tekenen van Zijn liefde zal beschouwen en aannemen, en ze zal gebruiken als middelen van de genade, en bidden zal voor hen, die de werktuigen zijn van mijn leed." Maar algemeen houdt men het voor bestraffingen, hem gegeven door rechtvaardige mensen, en het betaamt hun, die zelf rechtvaardig zijn, om de onrechtvaardigheid van anderen te bestraffen, en van hen zal men dit ook het best dragen. Indien de bestraffing rechtvaardig is, dan moeten wij, al komt zij ook van een onrechtvaardige, er toch een goed gebruik van maken, en er gehoorzaamheid door leren. Hier wordt ons geleerd hoe wij de bestraffingen van de rechtvaardigen en wijzen moeten ontvangen.
1. We moeten wensen bestraft te worden voor alles wat verkeerd in ons is, of verkeerds door ons gedaan wordt. "Heere, geef het in het hart van de rechtvaardigen mij te slaan en te bestraffen. Indien mijn eigen hart mij niet slaat, zoals het moest doen, laat mijn vrienden het dan doen, laat mij nooit onder het ontzettend oordeel vallen van met rust gelaten te worden in zonde."
2. Wij moeten het houden voor een bewijs van vriendschap, het niet slechts geduldig dragen, maar het als een weldadigheid beschouwen, want "de bestraffingen van de tucht zijn de weg des levens," Spreuken 6:23, zijn middelen goed voor ons, om ons tot bekering te brengen van de zonden, die wij begaan hebben, en om een terugvallen in zonde te voorkomen. Bestraffingen snijden wel, maar zij genezen, en daarom zijn zij veel begerenswaardiger dan de kussen eens vijands, Spreuken 27:6, of het gezang van de dwazen, Prediker 7:5. David heeft God gedankt voor Abigails tijdige vermaning, 1 Samuël 25:32.
3. Wij moeten achten dat wij daardoor geholpen en genezen zijn, het zal olie des hoofds zijn, olie voor een wonde, om haar te verzachten en te sluiten, het zal mijn hoofd niet breken, zoals sommigen denken, die liever hun hoofd zouden laten breken dan zich hun fouten onder het oog te laten brengen. "Maar," zegt David, "ik ben niet van dat gevoelen, het is mijn zonde, die mijn hoofd gebroken heeft, die mijn beenderen gebroken heeft, Psalm 51:10. De bestraffing is een voortreffelijke olie om de kneuzingen te helen, die de zonde mij toegebracht heeft. Het zal mijn hoofd niet breken, mocht het slechts er toe bijdragen om mijn hart te verbreken."
4. Wij moeten de weldaad van hen, die aldus in getrouwheid met ons handelen, aldus vriendschappelijk met ons zijn, tenminste vergelden door ons gebed voor hen in hun tegenspoeden, en hierdoor tonen dat wij hun bestraffing vriendelijk hebben opgenomen. Dr. Hammond geeft een geheel andere lezing van dit vers. "Smaad zal mij, die rechtvaardig ben, verbrijzelen en mij bestraffen, maar die giftige olie zal mijn hoofd niet breken, zal mij niet verderven, zal mij het kwaad niet doen, dat er mee bedoeld werd, want toch zal mijn gebed zijn in hun kwaad, er in voortduren, dat God mij voor hen bewaren zal, en mijn gebed zal niet vruchteloos zijn." II. David hoopt dat zijn vervolgers er nog eens toe komen zullen, dat zij het kunnen dragen dat men hun hun fouten onder het oog brengt zoals hij bereid was om op de zijne opmerkzaam gemaakt te worden, vers 6. "Als hun rechters", ( Saul en zijn beambten, die David richtten en veroordeelden, en zelf alleen rechters wilden zijn), "nedergeworpen zijn in steenachtige plaatsen onder de rotsen in de woestijn, dan zullen zij mijn woorden horen, want zij zijn aangenaam." Sommigen denken dat dit ziet op Sauls vertedering, toen hij wenend zei: Is dit uw stem, man zoon David? 1 Samuël 24:17, 26:21. Wij kunnen het ook meer in het algemeen opvatten: zelfs rechters, hoe groot en hooggeplaatst zij ook zijn, kunnen ternedergeworpen worden, zij, die het hoogste aanzien in de wereld hebben, gaan niet altijd op effen gemakkelijke wegen er doorheen. En zij, die tevoren het Woord van God geminacht hebben zullen er genot in vinden en er blijde mee zijn als zij in beproeving komen, want deze opent het oor voor onderricht. Als de wereld bitter is, dan is het Woord zoet. De verdrukte onschuld kan geen gehoor verkrijgen bij hen, die in pracht en weelde leven, maar als deze zelf ternedergeworpen worden, dan zullen zij met meer medelijden aan de beproefden denken.
III. David klaagt over de grote nood, waarin hij en zijn vrienden gekomen waren, vers 7. Onze beenderen zijn verstrooid aan de mond des grafs, uit hetwelk zij opgeworpen waren, zo lang zijn wij dood geweest, of in hetwelk zij op het punt zijn van geworpen te worden, zo dicht zijn wij bij de kuil, en zij zijn even weinig geteld als spaanders onder de houthakkers, die onverschillig op een hoop geworpen worden, gelijk als wanneer iemand hout klooft en verdeelt op de aarde, vers 7. Sommigen lezen: gelijk iemand, die op de aarde klooft en snijdt, met toespeling op de ploeger, die de aarde met zijn ploegschaar openscheurt, Psalm 129:3. Kunnen deze dorre beenderen leven?
IV. David geeft zich over aan God en steunt op Hem om verlossing te verkrijgen: "Doch op U zijn mijn ogen, vers 8, want, hoe treurig de toestand ook is, Gij kunt al de grieven herstellen, van U verwacht ik hulp, hoe slecht het ook staat met de zaken, en op U betrouw ik." Zij, die hun ogen op God gericht hebben, kunnen op Hem hopen.
V. Hij bidt dat God hem zal helpen en ondersteunen naar de nood het vereist.
a. Dat Hij hem zal vertroosten, ontbloot mijn ziel niet laat mij zien waar mijn hulp is.
b. Dat Hij de plannen van zijn vijanden tegen hem zal voorkomen, vers 9. Bewaar mij van gevangen te worden in de strik, die zij voor mij gespannen hebben, geef mij hem te ontdekken en te vermijden. Al is de valstrik ook nog zo kunstig gelegd, God kan en zal Zijn volk bewaren van er in te vallen.
c. Dat God in Zijn gerechtigheid de plannen van zijn vijanden tegen henzelf zal keren, en in genade hem er voor zal bewaren van door hen in het verderf te worden gestort, vers 10. Dat de goddelozen elk in zijn gaten vallen, het net, dat zij naar hun bedoeling voor mij gespreid hebben, maar dat zij, naar verdiensten, voor zichzelf hebben gespreid. "Nec lex est justior alla quam necis artifices arte perire sua Geen wet kan rechtvaardiger zijn, dan dat de werkers van verwoesting door de werktuigen van de verwoesting, die zij zelf gemaakt hebben omkomen." Allen, die zich voor Gods rechterstoel hebben te verantwoorden, worden vastgehouden aan de koorden van hun eigen ongerechtigheid. Maar laat mij terzelfder tijd vrij worden. De verstrikking van de goddelozen blijkt soms de ontkoming te zijn van de rechtvaardigen.