Spreuken 15:26
Het eerste gedeelte van dit vers spreekt van gedachten, het laatste van woorden, maar het komt op hetzelfde neer, want gedachten zijn voor God woorden, en woorden worden beoordeeld naar de gedachten, waaruit zij voortkomen, zodat:
1. De gedachten en de woorden van de bozen, die, evenals zijzelf, boos zijn, kwaad bedoelen, en de een of andere boze strekking hebben, de Heere een gruwel zijn, zij mishagen Hem, en Hij zal er rekenschap voor eisen. De gedachten van boze mensen zijn meestal van zodanige aard, dat God ze haat, zij zijn Hem aanstotelijk, die niet alleen het hart kent en alles wat er in omgaat, maar er de innerlijkste en hoogste plaats in wil hebben.
2. De gedachten en woorden van de reinen, gelijk zijzelf rein zijnde, zuiver, eerlijk en oprecht, lieflijke redenen zijn, en lieflijke gedachten, welbehaaglijk aan een heilig God, die zich verlustigt in reinheid. Het kan verstaan worden beide van hun gebeden tot God. De woorden huns monds en de overdenkingen huns harten in gebed en lofzegging zijn Gode welbehaaglijk, Psalm 19:15, 69:14), en van hun gesprekken met mensen strekkende tot stichting. Beiden zijn dan lieflijk, als zij uit een rein, een gereinigd, hart voortkomen.