Psalm 141:1-4
Genade om aan te nemen wat wij goed doen, en genade om ons te bewaren voor kwaad te doen, zijn de twee dingen, om welke te bidden ons hier door Davids voorbeeld geleerd wordt.
1. David beminde het gebed, en hij vraagt aan God dat zijn gebeden gehoord en verhoord zullen worden, vers 1, 2. David riep tot God, zijn roepen duidt vurigheid aan in het gebed hij bad als iemand, wie het ernst was. Zijn roepen tot God duidt geloof en standvastigheid aan in het gebed. En wat begeerde hij als welslagen van zijn gebed?
a. Dat God er kennis van zal nemen: "neem mijn stem ter ore, laat mij een genadig gehoor verleerd worden." Zij, die roepen in het gebed, kunnen hopen dat hun gebed gehoord zal worden, niet om het luide ervan, maar om het levendige en vurige ervan.
b. Dat Hij hem zal bezoeken, tot hem zal komen: haast U tot mij. Zij, die Gods genadige tegenwoordigheid weten te waarderen, zullen er dringend om vragen, en zijn op nederige wijze ongeduldig als Hij vertoeft te komen. Hij, die gelooft, zal niet haasten, maar hij, die bidt, kan Hem vurig en dringend vragen om zich te spoeden.
c. Dat Hij er een welgevallen in zal hebben dat hij bidt, dat hij zijn handen tot Hem opheft in het gebed, hetgeen beide de verheffing en de verruiming aanduidt van zijn begeerte, en de uitgangen van zijn hoop en verwachting, het opheffen van de handen de opheffing van het hart betekenende en gebruikt wordende inplaats van de opheffing van de offers, die opgeheven en bewogen werden voor het aangezicht des Heeren. Het gebed is een geestelijke offerande, het is het offeren van de ziel en haar beste genegenheden aan God. Nu bidt hij dat dit Gode voorgesteld zal worden, tot Hem zal opgaan als het reukwerk, dat dagelijks op het gouden altaar gebrand werd, en als het avondoffer, dat hij noemt, veeleer dan het morgenoffer, misschien omdat dit een avondgebed was, of met het oog op Christus, die in de avond van de wereld en in de avond van de dag zich als een zoenoffer zou opofferen en de geestelijke offeranden van de dankerkentenis zou instellen, de vleselijke inzettingen van de wet opgeheven zijnde. Zij, die bidden in het geloof, kunnen verwachten dat het Gode meer zal behagen dan een os of stier. David was nu van Gods voorhoven verbannen, en kon het offeren van het offer en het reukwerk niet bijwonen, en daarom bidt hij dat zijn gebed in de plaats ervan aangenomen zou worden. Het gebed is een lieflijke reuk voor God, evenals reukwerk, dat echter geen geur had zonder vuur, en zo heeft ook zonder het vuur van heilige liefde en ijver het gebed geen geur.
2. David was in vrees te zondigen, en hij bidt God om voor zonde bewaard te blijven wetende dat zijn gebeden niet aangenomen zouden worden indien hij geen zorg droeg om te waken tegen de zonde, wij moeten Gods genade in ons even ernstig begeren als Zijn gunst over ons.
A. Hij bidt dat hij niet onbedacht en als bij verrassing zondige woorden zal spreken, vers 3. Heere, zet een wacht voor mijn mond, en, daar de natuur mijn lippen tot een deur gemaakt heeft voor mijn woorden, zo laat de genade die deur bewaken, opdat er geen woord uitga, dat op enigerlei wijze tot oneer van God zou zijn, of tot schade van anderen." Godvruchtige mensen weten hoe groot het kwaad is van de zonden van de tong, en hoe geneigd zij er toe zijn. Als vijanden tergend zijn, zijn wij in gevaar om te ver te gaan in onze toorn erover, en onbedachtelijk te spreken, zoals Mozes, hoewel hij de zachtmoedigste van de mensen was. En daarom dringen zij er vurig en ernstig bij God op aan, dat Hij hun verkeerd of onbedacht spreken zal voorkomen, wetende dat geen waakzaamheid of vast voornemen van henzelf volstaan zou om hun tong in toom te houden, en nog veel minder hun hart, zonder de bijzondere genade van God. Wij moeten onze mond met een breidel bewaren, maar dat is niet genoeg, wij moeten God bidden om hem te bewaren. Nehemia bad tot de Heere als hij een wacht uitzette, en dat moeten ook wij, want zonder Hem waakt de wachter tevergeefs.
B. Dat hij tot geen zondige praktijken geneigd mocht worden, vers 4. Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, welke neiging er in mijn hart is tot zonde laat haar niet slechts weerhouden, maar door Goddelijke genade worden gedood. Het voorbeeld van hen, die om ons heen zijn, en de tergingen van hen, die tegen ons zijn, kunnen verdorven neigingen bij ons opwekken en tevoorschijn doen komen, wij zijn bereid te doen zoals anderen doen, en te denken dat, als wij beledigingen ontvangen hebben, wij ze terug mogen geven, dat wij schade mogen toebrengen aan hen, die ons benadeeld hebben, en daarom is het ons nodig te bidden dat wij nooit aan onszelf overgelaten mogen worden om een boos werk te werken, hetzij in verbintenis met of in tegenstand van mannen, die ongerechtigheid werken. Zolang wij in zulk een zondige wereld leven, en zo'n boos hart met ons omdragen, is het ons nodig te bidden dat wij door geen verlokking getrokken, noch door enigerlei neiging er toe gedreven worden om een zondige daad te doen.
C. Dat hij door geen zondige genoegens verstrikt zal worden, dat ik niet ete van hun lekkernijen. Laat mij niet toe dat ik mij bij hen voeg in hun feesten en hun ontspanningen, opdat ik niet ook verlokt worde tot hun zonden." Beter is een gerecht van groen moes buiten de weg van de verzoeking, dan een gemeste os erin. Zondaren geven voor lekkernijen te vinden in de zonde, gestolen wateren zijn zoet, verboden vruchten zijn een lust voor de ogen maar zij, die bedenken hoe spoedig de lekkernijen van de zonde in gal en alsem zullen verkeren, hoe gewis zij namelijk de zonde ten laatste bijten zal als een slang en steken als een adder, zullen bang zijn voor deze lekkernijen, en God bidden om ze door Zijn voorzienigheid van hun ogen weg te doen, en hen door Zijn genade er een afkeer van te laten hebben. Godvruchtige mensen zullen zelfs tegen het zoet van de zonde bidden.