Klaagliederen 3:37-41
Om recht te hebben op de vertroostingen, die de beproefden in de voorgaande verzen worden voorgehouden, en de zoetheid er van te mogen smaken, worden ons hier de plichten van de staat van de beproeving voorgeschreven, in uitoefening werker wij deze vertroostingen mogen verwachten.
I. Wij moeten de hand van God zien en erkennen, in alle rampen, die ons te eniger tijd overkomen, `t zij van persoonlijken of van algemenen aard, vers 37, 38. Dit wordt hier vastgelegd als een grote waarheid, die ons helpen zal onze geest tot rust te brengen onder onze beproevingen en ze aan ons heiligen.
1. Dat, welke iemands handelingen zijn, God het is, die ze beheerst: "Wie zegt wat, hetwelk geschiedt (die een plan maakt en het uitvoert) zo het de Heere niet beveelt?" Mensen kunnen niets doen dan maar de raad van God, en geen macht of voorspoed hebben dan wat hun van boven gegeven is. "Het hart des mensen overdenkt zijn weg, hij ontwerpt, en maakt plannen, hij zegt, dat hij dat en dat doen zal, Jakobus 4:13, maar de Heere bestuurt zijn gang heel anders dan hij van plan was, en waartoe hij zijn best deed en wat hij verwachtte, geschiedt niet, tenzij het is, wat Gods hand en raad tevoren verordineerd had", Spreuken 16:9, Jeremia 10:23. De Chaldeën zeiden, dat zij Jeruzalem zouden verstoren, en het geschiedde, niet omdat zij het zeiden, maar omdat God het beval en hun last gaf het te doen. Mensen zijn slechts werktuigen, waarvan de grote God gebruik maakt, en die Hij hanteert, zoals Hem behaagt, bij het bestuur van deze lagere wereld, en zij kunnen geen enkel plan uitvoeren zonder Hem.
2. Dat, wat ons lot ook is, God het is, die het bestuurt: "Gaat niet uit de mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?" Ja, zeker doet het, en in het oorspronkelijke is het nog nadrukkelijker uitgesproken: "Gaat niet dit kwade en dit goede uit de mond des Allerhoogsten?" Is het niet, wat Hij voor ons bestemd en beschikt heeft? Ja, zeker is het dat, en, om ons met onze beproevingen te verzoenen, welke die ook zijn, moet deze algemene waarheid zo in het bijzonder toegepast worden. Dezen troost ontvang ik van God, en zou ik dat kwade niet ontvangen? zo redeneert Job, Hoofdstuk 2:10. Zijn wij gezond of ziek, rijk of arm? Slagen wij in onze plannen, of worden wij er in gedwarsboomd? Alles is, zoals God het beveelt, eens ieders recht is van de Heere. De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen, Hij vormt het licht en schept de duisternis, zoals Hij in de beginne deed. Alle gebeurtenissen in de goddelijke leiding zijn het uitvloeisel van de goddelijke raad, wat er geschiedt, God bestuurt alles, en het werk van Zijn handen is een met de woorden van Zijn mond, Hij spreekt en het is er, zo gemakkelijk, zo volkomen worden Zijn doeleinden bereikt.
II. Wij moeten in geen enkele beproeving, die Hij ons te eniger tijd oplegt, met God twisten, vers 39 :Wat klaagt dan een levend mens? De profeet schijnt zichzelf hier te berispen, over de klacht, die hij in het eerste deel van het hoofdstuk geslaakt had, waarin hij God onvriendelijk en streng vond. Doe ik wel, toornig te zijn? Waarom ben ik zo wrevelig? Die in hun haast God bekeven hebben, moeten, als zij er over nadenken, zichzelf bekijven. Uit de leer van Gods souvereine en algemene leiding, die hij in de vorige verzen heeft beleden, trekt hij deze gevolgtrekking: Wat klaagt dan een levend mens? Wat God doet, daar moeten wij onze mond niet tegen openen, Psalm 39:9. Zij die aanmerking maken op hun lot, berispen Hem, die het bestuurt. De lijders in de gevangenschap moeten zich onderwerpen aan de wil van God in al hun lijden. Hoewel wij onze klachten voor God mogen uitstorten, moeten wij nooit een klacht inbrengen tegen God. Wat? Zal een levend mens klagen over de straf voor zijn zonde? De redenen hier opgegeven, zijn zeer klemmend.
1. Wij zijn mensen, laat ons hierin tonen, dat wij mensen zijn. Zal een mens klagen? Wij zijn mensen, en geen dieren, redelijke schepselen, die met overleg moeten handelen, die omhoog en vooruit moeten zien, en in beide richtingen kunnen wij overwegingen genoeg vinden om onze klachten tot zwijgen te brengen. Wij zijn mannen, en geen kinderen, die om alles, wat hun zeer doet, schreien. Wij zijn mensen en geen goden, onderdanen en geen heren, wij zijn niet ons eigen meester, en hebben ons zelf niet gemaakt, wij zijn gebonden, en moeten gehoorzamen en ons onderwerpen. Wij zijn mensen, en geen engelen, en daarom kunnen wij niet verwachten vrij van rampen te zullen zijn, zoals zij, wij zijn geen bewoners van die wereld, waar geen smart is, maar van deze, waar niets dan smart is. Wij zijn mensen en geen duivels, wij zijn niet in de betreurenswaardige, hulpeloze, hopeloze toestand, waarin zij zijn, maar hebben iets om ons zelf mee te troosten, dat zij niet hebben.
2. Wij zijn levende mensen. Door de goede hand van onze God, die over ons is zijn wij nog in leven, hoewel dagelijks stervende, en zal een levend mens klagen? Neen, hij heeft meer reden om dankbaar te zijn voor het leven, dan om te klagen over al de rampen en lasten des levens. Ons leven is broos en verbeurd, en toch leven wij, maar de levende, de levende die behoort te loven, en niet te klagen, Jesaja 38:19, zolang er leven is, is er hoop, en daarom, in plaats van te klagen, dat alles jammerlijk is, moeten wij ons bemoedigen met de hoop, dat het beter worden zal.
3. Wij zijn zondige mensen, en datgene, waarover wij klagen is de rechtvaardige straf voor onze zonden, ja, veel minder dan wij om onze ongerechtigheden verdienen. Wij hebben weinig reden om te klagen over onze smart, want die is ons eigen werk, wij hebben die aan ons zelf te wijten. Onze eigen goddeloosheid kastijdt ons, Spreuken 19:3. Wij hebben geen reden om met God te twisten want Hij is daar rechtvaardig in, Hij is de bestuurder van de wereld, en het is noodzakelijk dat Hij de eer van Zijn bestuur ophoudt door de ongehoorzamen te kastijden. Lijden wij om onze zonden? Laat ons dan niet klagen, want wij hebben ander werk te doen, in plaats van te morren, moeten wij berouw hebben, en, ten bewijze, dat God met ons verzoend is, moeten wij trachten ons met Zijn heilige wil te verenigen. Worden wij gestraft om onze zonden? Dan is het wijs van ons er onder te bukken, en de roede te kussen, want, als onze wandel in strijd is met Gods wil, zal Hij ons nog zeven maal meer straffen, want als Hij oordeelt, zal Hij overwinnen. Maar, als wij ons naar Hem voegen, zullen wij niet met de wereld veroordeeld worden, al worden wij van de Heere getuchtigd.
III. Wij moeten ons best doen om aan Gods bedoeling, waarmee Hij ons beproeft, te beantwoorden, en dat is om onze zonde voor ons te brengen, en ons zelf tot Hem, vers 40. Dat zijn de twee dingen, waartoe de beproevingen ons brengen moeten.
1. Een ernstige beschouwing van onszelf en een nadenken over het leven, dat wij achter de rug hebben. Laat ons onze wegen onderzoeken, wat zij geweest zijn, of ze recht en goed zijn geweest of niet, onderzoeken als naar een vermomd misdadiger, die vlucht en zichzelf verbergt, en dan onderzoeken of hij schuldig of onschuldig is. Laten wij ons geweten bij dat onderzoek gebruiken, en laat ons het verlof geven om met getrouwheid te handelen, om het onderzoek met nauwkeurigheid te leiden en met onpartijdigheid te voltooien. Laat ons onze wegen onderzoeken, opdat wij daarin ons zelf mogen beproeven, want wij moeten over onze staat oordelen, niet naar onze zwakke wensen, maar naar onze schreden, niet naar een schrede in `t bijzonder, maar naar onze wegen, het doel waar wij op mikken, de regels, die wij volgen, de stemming van ons leven ten opzichte van die doeleinden en regels. "Als wij beproefd worden, is het voegzaam onze wegen te doorzoeken", Hagg. 1:5, opdat wij berouw mogen hebben over wat verkeerd is en ons in de toekomst verbeteren, en aldus beantwoorden aan de bedoeling van de beproeving. In tijden van algemene rampen zijn wij geneigd na te denken over de wegen van anderen, en een blaam op hen te leggen, terwijl het onze taak is, onze wegen te onderzoeken. Wij hebben aan ons zelf werk genoeg, ieder van ons moet zeggen: "Wat heb ik gedaan? Wat is mijn aandeel aan de algemene brand?" opdat een ieder zich verbetere, waardoor wij allen verbeterd zullen zijn.
2. Een oprechte bekering tot God: "Laat ons wederkeren tot de Heere, tot Hem, die zich tegen ons gekeerd heeft, en van wie wij ons afgekeerd hebben, laat ons tot Hem wederkeren door berouw en verbetering, als tot onze eigenaar en vorst. Wij zijn bij Hem geweest, en het is niet wel met ons geweest, sinds wij Hem verlieten, laat ons daarom nu tot Hem wederkeren." Dit moet samengaan met wat wij eerst noemden en er het gevolg van zijn, daarom moeten wij onze wegen onderzoeken, opdat wij van het kwade, dat er in is, ons tot God mogen wenden. Dat was ook de manier van David, Psalm 119:59 "Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen."
IV. Wij moeten ons zelf, met onze beste neigingen en diensten aan God offeren, in het vuur van de toewijding, vers 41. Wanneer wij beproefd worden,
1. Moeten wij opzien tot God, als God in de hemel, oneindig ver boven ons, en, die een onbetwistbare heerschappij over ons heeft, want de hemel heerst, daarom moeten wij er niet mee twisten, maar ons er aan onderwerpen
2. Wij moeten tot Hem bidden, in het geloof en de verwachting genade van Hem te zullen ontvangen, want dat ligt in: "de handen opheffen (een gebaar, dat bij het gebed gebruikt wordt en soms in dezelfde betekenis voorkomt, als in Psalm 141:2 :De opheffing mijner handen worde gesteld als het avondoffer):" het betekent, dat wij Hem om genade vragen en bereid zijn die genade te ontvangen.
3. Ons hart moet met het gebed meegaan. Wij moeten ons hart opheffen, mitsgaders de handen, zoals wij onze ziel met onze woorden uitstorten. Het is het hart, waarnaar God ziet, daarin en in elke andere dienst, want wat zal een offer baten, dat buiten het hart omgaat? Als de innerlijke gevoelens niet beantwoorden aan de uiterlijke vormen, doen wij niet anders dan God bespotten en ons zelf bedriegen. Bidden is de ziel opheffen tot God, Psalm 25:1, als tot onze Vader in de hemel, en de ziel die hoopt voor eeuwig bij God in de hemel te zullen zijn, zal op die wijze, door veelvuldige daden van toewijding, de weg daarheen leren en op die weg vorderingen maken.