2. Hoe lang, HEERE! zult Gij mij steeds geheel en al, en voor altijd, vergeten? hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen (
Psalm 44:25;
77:8;
88:15De opmerkzame lezer zal opmerken, dat de vraag: "hoe lang?" op vier wijzen gedaan is. De smart van den Schrijver is gezien zo als die schijnt te zijn zo als die is, zo als zij hem zelven aandoet, en bovendien ook zijne vijanden. Wij zijn allen gereed het meest de treurigste zijde op te merken. Wij plaatsen gedenktekenen op de graven van onze vreugde, maar wie denkt om gedenktekenen van lof op te richten voor ontvangene weldaden? Wij schrijven vier boeken van klachten en slechts een van gezangen, en zijn veel meer te huis om ene Miserere te klagen dan een Te Deum te zingen..
Ook een vroom mens kan in zulk ene stemming van groten zielenangst geraken, inzonderheid wanneer hij onder de aardse tegenspoeden gedachtig wordt aan de bedrevene zonden, en in de hem dreigende gevaren het naderen van Goddelijke strafgerichten ondervindt, in zijne aanvechtingen de tuchtigende hand van den rechtvaardigen God gevoelt, en in de stemmingen van zijn verkeer met God de gevolgen van zijn overtreden van Goddelijke geboden erkent..
De gecompliceerde vraag: "tot wanneer, hoe lang..." (Psalm 74:10; 79:4; 89:47 is de uitdrukking van een gecompliceerden zielstoestand, dien Luther kort en juist beschrijft: "de hoop zelf wanhoopt, en de wanhoop hoopt nog." De tegenspraak der vraag is uit den inwendigen strijd van geest en vlees te verklaren. Het vrezende hart denkt: "God heeft mij voor eeuwig vergeten", maar de Geest, die deze gedachte wegstoot, verandert die in ene vraagt die het tot een bloten schijn maakt: hoe lang zal het schijnen, dat Gij mij voor eeuwig vergeet? Het ligt in het wezen van den Goddelijken toorn, dat de ondervinding daarvan steeds van een indruk der eeuwigheid en dus van een voorsmaak der hel vergezeld is; het geloof houdt echter de liefde achter den toorn vast, ziet in het openbaren van den toorn slechts ene verberging van het liefelijk aangezicht van den God der liefde en verlangt, dat dit aangezicht zich weer ontdekke..
PSALM 13.
GEBED IN TREURIGHEID EN ANGST DES HARTEN.
1. Een Psalm (Psalm 3:1), van David, voor den opperzangmeester (1 Kronieken 25:31).
2.
De toestand van den dichter is die van zodanig enen, die door langdurige vervolgingen en lang uitblijven der Goddelijke hulp tot aan de grenzen van de wanhoop gevoerd, en in dodelijke droefheid gekomen is, daarom zijn wij het met die uitleggers eens, die het ontstaan van den Psalm in de laatste jaren van den tijd der vervolging door Saul stellen, toen David in bijzondere mate Gods versterking nodig had, om niet ten laatste nog in de aanvechting te bezwijken. (1 Samuël 24:20 ) Was de vorige Psalm het klaaglied der Kerk van alle tijden over de slechtheid der mensen, die zich in haar midden verheft, hier hebben wij David's persoonlijke klacht over de boosheid van zijnen vijand, die zich tegen hem verheft. (Vgl Psalm 12:9 met Psalm 13:3).
I. Vers 2-3. Vooraf gaat een lange, diepe zucht van den Psalmist hij klaagt er over, welk ene grote smart hij op aarde te lijden heeft, en hoe hij in den hemel geheel vergeten is.
2. Hoe lang, HEERE! zult Gij mij steeds geheel en al, en voor altijd, vergeten? hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen (Psalm 44:25; 77:8; 88:15
De opmerkzame lezer zal opmerken, dat de vraag: "hoe lang?" op vier wijzen gedaan is. De smart van den Schrijver is gezien zo als die schijnt te zijn zo als die is, zo als zij hem zelven aandoet, en bovendien ook zijne vijanden. Wij zijn allen gereed het meest de treurigste zijde op te merken. Wij plaatsen gedenktekenen op de graven van onze vreugde, maar wie denkt om gedenktekenen van lof op te richten voor ontvangene weldaden? Wij schrijven vier boeken van klachten en slechts een van gezangen, en zijn veel meer te huis om ene Miserere te klagen dan een Te Deum te zingen..
Ook een vroom mens kan in zulk ene stemming van groten zielenangst geraken, inzonderheid wanneer hij onder de aardse tegenspoeden gedachtig wordt aan de bedrevene zonden, en in de hem dreigende gevaren het naderen van Goddelijke strafgerichten ondervindt, in zijne aanvechtingen de tuchtigende hand van den rechtvaardigen God gevoelt, en in de stemmingen van zijn verkeer met God de gevolgen van zijn overtreden van Goddelijke geboden erkent..
De gecompliceerde vraag: "tot wanneer, hoe lang..." (Psalm 74:10; 79:4; 89:47 is de uitdrukking van een gecompliceerden zielstoestand, dien Luther kort en juist beschrijft: "de hoop zelf wanhoopt, en de wanhoop hoopt nog." De tegenspraak der vraag is uit den inwendigen strijd van geest en vlees te verklaren. Het vrezende hart denkt: "God heeft mij voor eeuwig vergeten", maar de Geest, die deze gedachte wegstoot, verandert die in ene vraagt die het tot een bloten schijn maakt: hoe lang zal het schijnen, dat Gij mij voor eeuwig vergeet? Het ligt in het wezen van den Goddelijken toorn, dat de ondervinding daarvan steeds van een indruk der eeuwigheid en dus van een voorsmaak der hel vergezeld is; het geloof houdt echter de liefde achter den toorn vast, ziet in het openbaren van den toorn slechts ene verberging van het liefelijk aangezicht van den God der liefde en verlangt, dat dit aangezicht zich weer ontdekke..