3. Hoe lang zal ik raadslagen voornemen, vreze koesteren in mijne ziel gedurende den nacht, wanneer de mens met zijn lijden alleen is en hij het dubbel gevoelt? hoe lang zal ik mij dan nog vermoeien met plannen te maken, om uit mijne ellende uit te komen? Droefenis is in mijn hart bij dag1); hoelang dan zal ook des daags mijn hart met kommer kwellen? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn 2)? 1) De zin is: Hoe lang zult Gij mij aan mij zelven overlaten, hoe lang zal ik mij zelven vermoeien om een uitweg uit deze ellende en dezen nood te vinden, uit welke Gij mij zo gemakkelijk kunt bevrijden? Hierdoor wordt zeer de gemoedstoestand van een mens aangeduid, die in radeloosheid en verlegenheid zich afmat, om raad te vinden, nu eens een plan opvat en het dan weer in volslagene moedeloosheid opgeeft, omdat hij ziet, dat geen zijner plannen tot het doel kan leiden. Deze onrust, die in ons ontstaat, zodra de Heere in den nood Zijn aangezicht van ons afwendt, beschouwt de lijdende als zijne grootste kwelling..
2) Viermalen wordt het "hoe lange" herhaald, en daardoor de hevige gemoedsbeweging van den dichter uitgedrukt.
In de lengte van het lijden ligt ene veel hardere beproeving, dan in hare sterkte..
4.
II. Vers 4-5. Op den langen, diepen zucht volgt als uit een hart, dat lucht gekregen heeft, de bede, waar reeds enige rust in op te merken is, de Psalmist roept tot den Heere zijnen God, terwijl hij tegenover elk der voorgaande stukken iets overstelt, en gelijk hij vroeger over vier kwade dingen geklaagd heeft, zo bidt hij nu om vierderlei goed.