Jesaja 13:1-5
De algemene titel van het boek was: Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, Hoofdstuk 1:1. Dit is hetgeen Jesaja gezien heeft, dat even helder en volkomen voorgesteld werd aan zijn geest, alsof hij het met zijn lichamelijke ogen gezien had. Maar het opschrift van deze leerrede is: "De last van Babel."
1. Het is een last, een les, die zij te leren hadden, -zo verstaan het sommigen, maar zij zullen haar niet gaarne leren, het zal een last zijn voor hun geheugen, een last, die zwaar op hen zal drukken, en onder welke zij zullen wegzinken. Voor hen, die het Woord van God niet tot hun rust willen maken, Hoofdstuk 28:12, Jeremia 6:16, zal het tot een last worden gemaakt.
2. Het is de last van Babel, dat in die tijd afhankelijk was van de Assyrische monarchie, welker hoofdstad Nineve was, maar kort daarna in opstand er tegen kwam, en een onafhankelijke monarchie is geworden, en wel een zeer machtige, in Nebukadnezer. Deze profeet heeft later de gevangenschap van de Joden in Babel voorzegd, Hoofdstuk 39, 6. Hier voorzegt hij de wraak, die God aan Babel doen zal voor het onrecht, dat zij Zijn volk heeft aangedaan.
In deze verzen wordt een oproep gericht tot de machtige en krijgshaftige volken, welke God gebruiken zal als de werktuigen van Zijn toorn ter verwoesting van Babel, later noemt hij hen, vers 17 de Meden, die in vereniging met de Perzen onder het bevel van Darius en Cyrus, de ondergang van de Babylonische monarchie zullen bewerken.
I. De plaats, die aan het verderf gewijd is, is Babel die hier "de deuren van de prinsen wordt genoemd" vers 2, vanwege de vele vorstelijke verblijven, die er in waren, statige rijk versierde paleizen, die de vijand tot een inval zullen lokken in de hoop op een rijke buit. De deuren of poorten van de prinsen waren sterk en wel bewaakt, en toch zullen zij geen beschutting of verdediging wezen tegen hen, die met de opdracht kwamen om er Gods oordelen aan te volvoeren. Voor Zijn macht en Zijn toorn zijn paleizen niets meer dan stulpjes, ook "zijn niet alleen de deuren van de prinsen aan het verderf gewijd, maar het gehele land", vers 5, want hoewel de prinsen de leiders waren in het vervolgen en verdrukken van Gods volk, was toch het gehele land er mee aan schuldig.
II. De personen, die samngebracht worden om Babel te verwoesten, worden hier genoemd:
1. "Gods geheiligden", vers 3, bestemd en aangewezen tot deze dienst, door de raad en de voorzienigheid Gods er voor afgezonderd, ontheven van ander werk, losgemaakt van andere plannen, opdat zij zich geheel en al aan dit werk kunnen geven, de zodanigen, die geschikt waren voor hetgeen, waartoe zij geroepen worden, want voor het werk, waarvoor God de mensen gebruikt, maakt Hij hen ook bekwaam. Het geeft ook te kennen dat het in Gods bedoeling, hoewel niet in de hun, een heilige oorlog was, zij hadden slechts de uitbreiding van hun eigen rijk op het oog, maar God bedoelde het ter verlossing van Zijn volk, en om een type te zijn van de verwoesting van het nieuw testamentische Babel. Cyrus, de persoon, die er voornamelijk in betrokken was, wordt terecht een geheiligde genoemd, want hij was Gods gezalfde, Hoofdstuk 45:1, en hij was een type van Hem die komen zou. Het is jammer dat niet alle krijgslieden, inzonderheid die, welke gebruikt worden in de oorlogen van de Heer, in de strikten zin van het woord geheiligden zijn, het is een wonder dat zij onheiligen durven zijn, die toch ieder ogenblik aan de dood zijn blootgesteld. 2. Zij worden Gods helden genoemd, Zijn machtigen, omdat zij macht hadden van God en haar nu voor Hem stonden te gebruiken. Er wordt van Cyrus gezegd dat "in deze veldtocht God zijn rechterhand vat", Hoofdstuk 45:1. Gods geheiligden zijn Zijn helden, Zijn machtigen, als God roept maakt Hij bekwaam, en als Hij heilig maakt, dan maakt Hij sterk in de geest.
3. Zij worden gezegd zich te verblijden in Zijn hoogheid, vers 3, met grote opgewektheid Zijn heerlijkheid en de doeleinden ervan te dienen. Hoewel Cyrus God niet kende en Zijn eer niet bedoelde in hetgeen hij deed, heeft God hem toch als Zijn dienstknecht gebruikt, Hoofdstuk 45:4. "Ik noemde u toen Mijn knecht, hoewel gij Mij niet kendet, en hij verheugde zich in de voorspoed, waardoor God Zijn naam heeft verhoogd".
4. Zij zijn zeer talrijk, een menigte, een groot volk, koninkrijken van de volken, vers 4, geen ruwe, barbaarse volken, maar geregelde troepen, zoals welgeordende koninkrijken ze uitrusten, de grote God heeft heerscharen onder Zijn bevel.
5. Zij komen van ver, van het einde des hemels, het grote, uitgestrekte land van Assyrië lag tussen Babel en Perzië. God kan diegenen tot een gesel en verderf maken voor Zijn vijanden, die het verst van hen verwijderd zijn en daarom het minst gevreesd worden.
III. De oproep, tot hen gericht, heeft een krachtige uitwerking, zij betonen een gerede gehoorzaamheid en hebben een zeer geducht aanzien. Een banier is opgeheven op een hoge berg. Gods standaard is opgericht, een vlag ter uitdaging is uitgestoken tegen Babel, zij wappert hoog in de lucht, waar allen haar kunnen zien. Wie wil, kan komen en er dienst onder nemen, en zij zullen onmiddellijk in Gods soldij worden genomen. Zij, die vrijwilligers aanwerven, moeten de stem verheffen bij het aflezen van de proclamatie, ten einde de soldaten aan te moedigen om te komen, zij moeten de hand omhoog bewegen, om hen te wenken die verre zijn en hun moed in te boezemen, die zich hebben laten aanwerven. En zij zullen dit niet tevergeefs doen. God heeft hen geroepen, die Hij voornemens is te gebruiken, vers 3, en met Zijn roeping gaat kracht uit, die niet weerstaan kan worden. Hij, die de mensen bekwaam maakt om Hem te dienen, kan, als het Hem behaagt, hen er ook gewillig toe maken. Het is de Heer der heerscharen, die het krijgsleger monstert, vers 4. Hij verwekt hen, brengt hen tezamen, rangschikt hen, monstert hen, heeft een nauwkeurige opgave van hen in zijn monsterrol, ziet toe dat zij allen op hun post zijn en geeft hun de nodige orders. Al de krijgsheiren staan onder het bevel van de Heer der heerscharen, en hetgeen ze waarlijk geducht maakt, is dat, als zij tegen Babel oprukken, de Heer komt en hen meebrengt als de instrumenten, of de wapenen van Zijn gramschap, vers 5. Grote vorsten en legers zijn slechts- instrumenten in Gods hand, wapens, waarvan het Hem behaagt zich te bedienen voor het doen van Zijn werk, en het is Zijn toorn, die hen wapent en hun voorspoed geeft.