1 Samuël 3:1-10
Om de weg te bereiden voor het bericht dat God zich voor de eerste maal aan Samuël heeft geopenbaard, wordt ons hier gezegd in vers 1 :
1. Hoe naarstig Samuël was in het dienen van God naar zijn plaats en bekwaamheid, hoewel hij nog slechts een jongeling was, diende hij de HEERE voor het aangezicht van Eli. Het was een verzwaring van de goddeloosheid van Eli's zonen, dat het kind Samuël hen beschaamde. Zij rebelleerden tegen de HEERE, maar Samuël diende Hem, zij sloegen de vermaningen huns vaders in de wied, maar Samuël gaf er acht op, hij diende voor het aangezicht van Eli, onder zijn oog en zijn leiding. Het was tot lof van Samuël, dat hij wel verre van onder de invloed te komen van hun slecht voorbeeld, niet in het minst achteruitging, maar gestadig toenam. En het was een toebereiding voor de eer, die God voor hem bestemd had, hem, die als getrouw was in het minste, werd later veel meer toevertrouwd. Laat de jonge lieden ootmoedig en naarstig wezen, zij zullen het de zekersten weg bevinden tot bevordering. Diegenen zijn het meest geschikt om te regeren, die geleerd hebben te gehoorzamen.
2. Hoe schaars de profetie in die tijd was hetgeen de roeping van Samuël een zoveel grotere verrassing voor hem deed zijn, en een zoveel grotere gunst voor Israël. Het woord des HEEREN was schaars in die dagen. Nu en dan werd bij een buitengewone gelegenheid een man Gods als bode gebruikt, zoals in Hoofdstuk 2:27, maar dit waren geen gevestigde profeten, tot wie het volk zich kon wenden om raad, of van wie men de openbaring van Gods wil kon verwachten. En deze schaarsheid van de profetie maakte haar des te meer kostelijk in de schatting van allen, die haar op de rechte wijze wisten te waarderen Zij was schaars, want wat er was schijnt particulier geweest te zijn, ter leiding en bestiering van enkele personen, maar er was geen openbaar gezicht, dat is: er waren geen mannen, die openlijk bekend stonden als visioenen te hebben. Misschien hadden de goddeloosheid en onreinheid, die in de tabernakel overheersend waren en ongetwijfeld het gehele volk hadden verdorven, God er toe gebracht om als een teken van Zijn misnoegen, de geest van de profetie te onthouden, totdat het raadsbesluit was uitgegaan voor het verwekken van een getrouwen priester, en toen is, als onderpand daarvan, deze getrouwe profeet verwekt.
De wijze, waarop God zich aan Samuël openbaarde, wordt hier omstandig verhaald, want zij was buitengewoon.
I. Eli had zich ter ruste begeven, Samuël was hem hierbij behulpzaam geweest en de overigen, die bij de dienst van het heiligdom gebruikt werden, hadden zich, naar wij kunnen onderstellen, naar hun onderscheiden vertrekken begeven, vers 2. Eli lag neer op zijn plaats, hij ging vroeg naar bed, ongeschikt zijnde voor de zaken, en er spoedig moede van wordende, misschien hield hij ook al te veel van zijn gemak. Waarschijnlijk bleef hij veel in zijn kamer, hetgeen aan zijn zonen zoveel te meer vrijheid gaf. En te meer zocht hij de afzondering, omdat zijn ogen duister begonnen te worden, een beproeving, die rechtvaardiglijk over hem kwam, omdat hij zijn ogen voor de gebreken van zijn zonen had gesloten.
II. Samuël had zich in het een of ander vertrekje dicht bij Eli's kamer te slapen gelegd, gereed om op zijn roepen tot hem te komen, indien de oude man soms in de nacht iets nodig mocht hebben misschien wel om hem iets voor te lezen als hij niet kon slapen. Hij stelde Samuël liever aan tot deze dienst dan iemand van zijn eigen familie vanwege de gewilliger aard, die hij in hem bespeurde. Toen zijn eigen zonen een verdriet voor hem waren, was deze jeugdige dienaar zijn vreugde. Laat hen, die smart hebben van hun kinderen, God danken, als zij iemand bij zich hebben, die hun tot troost kan wezen. Samuël had zich ook neergelegd eer de lamp Gods uitgedaan werd, vers 3. Het schijnt dat hij ergens neerlag, zo dicht bij de heilige plaats, dat hij bij dat licht naar bed ging, eer sommige lampen in de armen van de kandelaar uitgingen (want de voornaamste lamp ging nooit uit) hetgeen waarschijnlijk tegen middernacht was. Tot aan dat uur had Samuël zich bezig gehouden met de een of andere goede oefening met lezen of met gebed, of misschien met het reinigen en bereiden van de heilige plaats, en toen ging hij zachtjes naar bed. Wij kunnen Gods genaderijke bezoeken verwachten als wij standvastig en naarstig zijn in het vervullen van onze plicht.
III. God riep hem bij zijn naam, en hij hield het voor een roepen van Eli, en liep tot hem vers 4, 5. Samuël lag wakker in zijn bed, ongetwijfeld vervuld van goede gedachten, zoals David, Psalm 63:7 toen de HEERE hem riep uit het heilige van de heiligen, denkt bisschop Patrick, en dat is ook de lezing van de Chaldeeuwsen paraphrast, een stem werd gehoord uit de tempel des Heeren, maar Eli hoorde haar niet, hoewel hij waarschijnlijk dichterbij lag, maar zij kan mogelijk ook van elders gekomen zijn. Hierop hebben wij een voorbeeld van:
1. Samuëls naarstigheid en bereidwilligheid om Eli te dienen. Onderstellende dat hij het was die hem riep, haastte hij zich, stond op uit zijn warm bed, en liep tot hem, om te zien of hij iets nodig had, en misschien vrezende dat hij niet wèl was. "Hier ben ik," zei hij. Een goed voorbeeld voor dienstboden, om te komen als zij geroepen worden, en voor de jongeren in jaren, om zich niet slechts aan de ouderen te onderwerpen, maar om teder en zorgzaam voor hen te zijn.
2. Van zijn zwakheid en onbekendheid met de gezichten des Almachtigen, dat hij voor Eli's roepen hield hetgeen in werkelijkheid de roepstem Gods was. Zulke vergissingen begaan wij vaker dan wij denken. God roept ons door Zijn Woord, en wij houden dit voor slechts het roepen van de leraar, en dienovereenkomstig antwoorden wij er op, Hij roept ons door de leidingen van Zijn voorzienigheid, en wij zien slechts op de middelen, de werktuigen. Zijn stem roept, en het is slechts hier en daar dat een man van wijsheid haar erkent als Zijn stem. Eli verzekert hem dat hij hem niet geroepen had, maar heeft hem toch niet berispt wijl hij hem door al te grove gedienstigheid gestoord had, hij noemde hem niet dwaas, zei hem niet dat hij droomde, maar beval hem met zachtmoedigheid zich weer neer te leggen, hij had niets voor hem te doen. Als dienstknechten gereed moeten zijn om te komen als hun meesters hen roepen, dan moeten meesters ook zorgzaam zijn voor het welzijn hunner dienstknechten, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten, zowel als gij. Zo ging Samuël heen en legde zich neer. God roept velen door de bediening des Woords, en, evenals Samuël, zeggen zij: "zie hier ben ik" maar niet opziende tot God, en Zijn stem niet onderkennende in de roeping, gaat de indruk er van spoedig voorbij, zij leggen zich weer neer, en hun overtuigingen lopen op niets uit.
IV. Hetzelfde roepen werd herhaald, en dezelfde vergissing begaan, een tweede en een derde maal, vers 6-9.
1. God bleef het kind roepen, vers 6, wederom ten derden maal, vers 8. De roeping, die de Goddelijke genade van kracht en uitwerking wil maken, zal herhaald worden. totdat zij het is, dat wil zeggen, totdat wij de roepstem volgen, want Gods raad, naar welke wij geroepen zijn, zal zeker bestaan.
2. Samuël wist nog niet dat het de HEERE was, die hem riep, vers 7,, Samuël kende de HEERE nog niet. Hij kende het geschreven Woord, en was bekend met Gods wil daarin, maar hij had nog geen begrip van de wijze, waarop God zich openbaart aan Zijn dienstknechten, de profeten, inzonderheid door het suizen van een zachte stilte, dus was het hem nog geheel en al vreemd, misschien zou hij spoediger besef hebben gehad van een Goddelijke openbaring, indien zij in een droom of visioen gekomen ware maar deze wijze van Goddelijke openbaring had hij niet alleen zelf niet gekend, maar er ook nooit van gehoord. Zij, die de meeste kennis hebben van Goddelijke dingen, moeten zich de tijd herinneren toen zij nog kinderen waren, onervaren in het woord van de gerechtigheid. Toen ik een kind was, verstond ik als een kind. Doch laat ons de dag van de kleine dingen niet verachten. Zo deed Samuël (lezen wij in de kanttekening) eer hij de HEERE kende, en eer hem het woord des Heeren was geopenbaard, aldus vergiste hij zich eenmaal en andermaal maar later verstond hij het beter. Het getuigenis des Geestes in het hart van de gelovigen is dikwijls aldus verkeerd begrepen, waardoor wij er de vertroosting van verliezen. Ook het twisten des Geestes met het geweten van de zondaren wordt dikwijls verkeerd begrepen, en zo gaat dan het voordeel teloor van hun overtuiging van zonde. "God spreekt eens of tweemaal, doch men let daar niet op", Job 33:14.
3. Deze tweede en derde maal ging Samuël tot Eli, daar de stem misschien op Eli's stem geleek, en het kind zeer dicht bij hem was, en hij zegt hem met stellige zekerheid: "Gij hebt mij geroepen, vers 6-8, het kon niemand anders wezen." Samuëls bereidwilligheid om te komen als hij geroepen was, al was het slechts door Eli, toonde dat hij gehoorzaam en ijverig was, en dit maakte hem bekwaam voor de gunst die hem nu bewezen zal worden, God wil de zodanigen gebruiken. Maar het was een bijzondere leiding van Gods voorzienigheid, dat hij zo dikwijls tot Eli ging, want hierdoor verstond Eli ten laatste dat de HEERE de jongeling riep, vers 8.. En:
a. Dit zal hem een verootmoediging zijn, hij zal begrijpen dat het een schrede is tot de vernedering van zijn geslacht, als God, wanneer Hij iets te zeggen heeft, verkiest om het aan de jongeling Samuël te zeggen, aan zijn dienaar en niet aan hemzelf. En het zal hem temeer verootmoedigen, als hij later bevindt dat de boodschap hem gold, maar hem gezonden werd door een kind. Hij had reden om dit als een verder bewijs te beschouwen van Gods misnoegen.
b. Dit zal hem doen vragen wat het was dat God aan Samuël heeft gezegd, en hem volkomen overtuigd doen zijn van de waarheid en gewisheid van hetgeen hem bekend gemaakt zal worden, er zal hem geen mogelijkheid worden gelaten om te zeggen dat het slechts verbeelding was van Samuël, want eer hem de boodschap gegeven werd, heeft hijzelf bemerkt dat God tot hem ging spreken, en toch moet hij niet weten wat, vóór hij het van Samuël hoorde. Zo zijn zelfs de zwakheden en vergissingen van hen die God in Zijn dienst gebruikt, door de oneindige wijsheid bestuurd en dienstbaar gemaakt aan Zijn doeleinden.
V. Samuël was eindelijk in de houding gebracht, om een boodschap van God te ontvangen, die hij niet voor zich moest houden, maar die hij als volkomen profeet bekend moest maken als een openbaar gezicht. 1. Toen Eli bemerkte dat het de stem van God was, die Samuël had gehoord, onderrichtte hij hem voor hetgeen hij zeggen moest, verse. Het was eerlijk van hem, dat hij, hoewel het een smaad voor hem was, dat Gods roeping hem voorbijging en tot Samuël gericht was, hem toch de weg aanwees om haar te ontvangen. Indien hij Samuël deze eer had benijd, hij zou gedaan hebben wat hij kon om er hem van te beroven, en, haar zelf niet gehoord hebbende zou hij hem gezegd hebben zich neer te leggen en te gaan slapen, en er verder geen acht op te slaan, daar het slechts een droom was, maar hij was van een beteren geest dan om op die wijze te handelen, hij gaf hem de besten raad, die hij hem geven kon, om zijn bevordering te bespoedigen. Zo moeten de ouderen zonder nijd of misgunning alles doen wat zij kunnen om de jongeren die opstaan voort te helpen en bij te staan, hoewel zij zich waarschijnlijk door hen in de schaduw gesteld zullen zien. Laat ons nooit in gebreke blijven om hen te onderrichten, die na ons zullen komen, zelfs hen aan wie weldra boven ons de voorkeur zal gegeven worden, Johannes 1:30. Het onderricht, dat Eli hem gaf, was dat hij, als God wederom zou roepen, zou zeggen: Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort. Hij moet zich Gods knecht noemen, moet de wil Gods begeren te kennen. "Spreek, HEERE, spreek tot mij, spreek thans", en hij moet zich bereiden om te horen, en beloven acht te zullen geven. Uw knecht hoort. Wij kunnen verwachten dat God tot ons zal spreken, als wij ons er toe zetten om te horen, Psalm 85:9. Habakuk 2:1. Als wij komen om het Woord Gods te lezen en naar de prediking er van te horen, dan behoren wij in die gezindheid te komen, onze ziel onderwerpende aan het licht en de kracht er van: Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort.
2. Het schijnt dat God de vierde maal op enigszins andere wijze gesproken heeft dan de vorige malen. Hoewel Hij hem evenals tevoren bij name geroepen heeft, stelde Hij zich daar en riep, wat te kennen geeft, dat er nu enigerlei zichtbare verschijning van de Goddelijke heerlijkheid was aan Samuël, een visioen, dat voor hem stond, zoals voor Elifaz hoewel hij zijn gedaante niet kende, Job 4:16. Dit gaf hem de overtuiging dat het Eli niet was, die riep, want hij zag nu de stem, die tot hem sprak, zoals het is uitgedrukt in Openbaring 1:12. Nu werd de roeping ook verdubbeld. Samuël, Samuël!, alsof God er zich in verlustigde om zijn naam te noemen, of om te kennen te geven dat Hij hem nu zal doen verstaan wie het is, die tot hem spreekt. "God heeft een ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord", Psalm 62:12. Het was een eer voor hem, dat het Gode behaagde "hem bij name te kennen", Exodus 33:12, en Zijn roeping was krachtdadig en van uitwerking, toe Hij hem bij name riep, de roepstem bijzonder tot hem kwam zoals "Saul, Saul". Zo heeft God Abraham bij name geroepen, Genesis 22:1.
3. Samuël zei wat hem geleerd was te zeggen: Spreek, want Uw knecht hoort. Goede woorden behoren intijds aan de kinderen in de mond gelegd te worden, en gepaste uitdrukkingen van Godsvrucht, opdat zij er door toebereid worden voor een betere kennis van Goddelijke dingen, gewend worden om er mee vertrouwd te zijn. Onderricht de jongelieden wat zij zullen zeggen, want zij zullen niets ordelijk kunnen voorstellen vanwege de duisternis. Samuël is niet, zoals tevoren, opgestaan toen hij dacht dat Eli hem riep, maar lag stil en luisterde. Hoe meer kalm en bedaard ons gemoed is, hoe beter wij toebereid zijn voor hetgeen God ons zal openbaren. Laat alle onstuimige gedachten en hartstochten in bedwang worden gehouden, laat alles rustig en vredig zijn in onze ziel, dan zijn wij geschikt om van God te horen. Alles moet zwijgen als Hij spreekt. Doch merk op: Samuël heeft een woord uitgelaten, hij zei niet: Spreek HEERE, maar alleen: Spreek, want Uw knecht hoort, misschien, zoals bisschop Patrick vermoedt, uit onzekerheid of het al of niet God was, die sprak. Door dit antwoord: Spreek want Uw knecht hoort, was echter de weg voor hem bereid om de boodschap te ontvangen, en Samuël werd bekend gemaakt met de woorden Gods en de gezichten van de Almachtige, en wel voordat de lamp Gods werd uitgedaan, vers 3, in de tempel des Heeren, waarin sommige Joodse schrijvers een verborgenheid zien voor de val van Eli en het verduisteren van de urim en tummim hierdoor voor een tijd, riep God Samuël en maakte hem tot een orakel, vanwaar zij onder hun leraars zeggen: "De zon rijst op, en de zon gaat onder", Prediker 1:5, dat is: Eer God de zon van een rechtvaardige doet ondergaan, doet Hij de zon van een anderen rechtvaardige opgaan.