Psalm 11:1-3
1. Hier is Davids vast besluit om op God zijn vertrouwen te stellen: Ik betrouw op de Heere, vers 1. Zij, die waarlijk God vrezen en Hem dienen, kunnen op Hem vertrouwen, en zullen niet beschaamd gemaakt worden. En het is de aard van de heiligen, die God tot hun God hebben aangenomen, om Hem tot hun hoop te maken, zelfs als zij ook andere dingen hebben om op te steunen, op welke zij echter niet durven steunen, maar op God alleen. Goud is hun hoop niet, op paarden en wagenen stellen zij geen vertrouwen, maar op God alleen, als dus ondergeschikte oorzaken er dreigend en somber voor hen uitzien, begeeft hun toch de hoop niet, omdat de eerste oorzaak nog dezelfde is en altijd blijven zal. Eer de psalmist ons een bericht geeft van de verzoeking, waarin hij was om God te wantrouwen, deelt hij ons zijn besluit mee om op Hem te vertrouwen, want in dat vertrouwen wilde hij leven en sterven.
2. Zijn toorn tegen deze verzoeking: "Hoe zegt gijlieden tot mijn ziel die teruggekeerd is tot God als haar rust, en in Hem rust: Zwerft heen naar het hoge gebergte als een vogel, om daar veilig buiten het bereik te zijn van de vogelaar." Dit kan genomen worden, hetzij:
A. Als de ernstige raad van zijn vreesachtige vrienden, velen verstaan het aldus, en er is grote waarschijnlijkheid voor. Sommigen, die David van harte genegen waren, hebben, toen zij zagen hoe verbitterd Saul tegen hem was en hoe boosaardig hij het op zijn leven toelegde, hem gedrongen om ergens heen te vluchten waar hij veilig kon zijn, en niet al te veel te steunen op de zalving, die hij had ontvangen en die, naar zij dachten, hem veeleer het hoofd zou kunnen kosten dan dat zij het middel zou zijn om het te beveiligen. Wat hem in dit voorstel smartte was niet dat thans te vluchten een lafhartigheid zou verraden, die weinig voegde aan een krijgsman, maar dat het een ongeloof zou verraden, dat weinig betaamde aan een heilige, die zo dikwijls gezegd had: Ik betrouw op de Heere. Vatten wij het aldus op, dan bevatten de twee volgende verzen de reden, waarmee deze vreesachtige vrienden van David deze raad ondersteunden. Zij wilden dat hij zou vluchten:
a. Omdat hij waar hij was niet veilig kon zijn, vers 2. Merk op," zeggen zij, "hoe de bozen hun boog spannen, Saul en zijn handlangers hebben het op uw leven gemunt, en de oprechtheid van uw hart zal u niet beveiligen." Zie welk een vijandschap er in de boze is tegen de oprechte, in het zaad van de slang tegen het zaad van de vrouw, welke moeite zij zich geven, welke toebereidselen zij maken om hun kwaad te doen, zij schieten in het donker op hen, opdat zij het kwaad niet zien dat hun bereid wordt en het uit de weg gaan, ja opdat God zelf het niet zou zien en straffen.
b. Omdat hij waar hij was niet langer nuttig kon zijn, Want, zeggen zij, "indien de fundamenten worden omgestoten", (zoals door Sauls slechte regering geschied is), "indien de burgerlijke staat en regering in wanorde zijn zodat alles op losse schroeven staat," Psalm 75:4-82:5, "wat kunt ge dan doen met uw gerechtigheid om de grieven te herstellen?" Helaas het is geheel nutteloos om te pogen een rijk voor de ondergang te behoeden, dat door wanbestuur zo aan het wankelen is gebracht, wat de rechtvaardigen doen kunnen betekent niets, heeft geen uitwerking. Al wat gij doen kunt is u terug te trekken en te bidden dat God zich over u zal ontfermen. Velen worden in zware, moeilijke tijden er van teruggehouden om het openbare welzijn te dienen, omdat zij wanhopen aan goed gevolg.
B. Het kan genomen worden als een hoon, waarmee zijn vijanden hem bespotten, hem zijn betuigingen van vertrouwen op God voor de voeten werpende, zeggende dat hij nu maar eens moest zien wat die voor hem doen kon. Gij zegt: dat God uw berg is, vlucht dan nu tot die berg, en zie of gij daardoor in betere toestand zult komen." Aldus poogden zij de raad van de ellendige te beschamen, zeggende: hij heeft geen heil bij God, Psalm 14:6, 3, 3. Het vertrouwen, dat de heiligen in God hebben en de troost, die zij smaken in Hem als alle hoop en vreugde in het schepsel hun begeeft, zijn een raadsel voor de vleselijkgezinde wereld, en dienovereenkomstig worden zij dan ook door haar bespot.
Als wij het aldus nemen, zijn de twee volgende verzen Davids antwoord op dit sarcasme waarin hij:
a. Klaagt over de boosaardigheid van hen, die hem aldus hoonden, vers 2. Zij spannen de boog en schikken hun pijlen op de pees en er wordt ons gezegd waarin die bestaan Psalm 64:4, namelijk in bittere woorden, woorden als deze, waarmee zij pogen hem zijn hoop op God te benemen, hetgeen voor David als een zwaard in zijn gebeente was.
b. Hij wederstaat de verzoeking met Godvruchtige afschuw, vers 3. Hij beschouwde dit denkbeeld als een poging om de grondslagen te ondermijnen, waarop iedere Israëliet bouwt.
Als gij de fundamenten vernielt, als gij Godvruchtige mensen doet aflaten van hun hoop op God, als gij hen er toe kunt brengen om te geloven dat hun Godsdienst een bedrog of een grap is, en hen ervan kunt afdwalen, dan brengt gij hen ten verderve, dan breekt gij hun het hart, en maakt hen tot de ongelukkigsten van alle mensen. De beginselen van de Godsdienst zijn de fundamenten, waarop het geloof en de hoop van de rechtvaardigen gebouwd zijn. Door ons belang zowel als door onze plicht zijn wij genoopt om daaraan vast te houden tegen alle verzoeking tot ongeloof, want als deze vernield zijn, als wij die laten varen, wat kan de rechtvaardige dan doen? Als de Godvruchtigen geen God hadden, tot wie zij zich kunnen begeven, geen God, op wie zij kunnen vertrouwen, geen toekomstige zaligheid om op te hopen, zij waren verloren.