Jeremia 2:1-8
Hier is:
I. Een gebod aan Jeremia gegeven om heen te gaan en een boodschap van God over te brengen aan de inwoners van Jeruzalem. Hem was opgedragen in het algemeen (Hoofdstuk 1:17) om te gaan en tot hen te spreken, hier wordt hem bepaald gelast om te gaan en dit tot hen te spreken. Het is goed voor predikanten om door geloof en gebed een nieuwe boodschap aan te nemen, wanneer zij zich plechtig voorbereiden voor een of ander deel van hun werk. De leraar moet hetgeen hij zeggen wil zorgvuldig vergelijken met het woord van God, en zien of het daarmee overeenstemt, opdat hij in staat zij te zeggen, niet alleen De Heere zendt mij, maar: Hij zendt mij om dit te spreken. Jeremia moet gaan uit Anathoth, waar hij in aangename afzondering leefde en zeer waarschijnlijk met een klein aantal vrienden zijn tijd besteedde aan het onderzoeken van de wet, en moest gaan naar Jeruzalem, die drukke rumoerige stad, en voor hun oren roepen, als een man wie het hoge ernst was om gehoord te worden. "Roep overluid opdat allen het mogen horen en geen onwetendheid pleiten kunnen. Ga dicht bij hen en roep in de oren van hen, die hun oren gestopt hebben."
II. De boodschap, die hem opgedragen werd te brengen. Hij moest hen bestraffen over hun schandelijke ondankbaarheid in het verzaken van een God, die van ouds af zo vriendelijk voor hen geweest was, opdat dit hen beschamen en tot berouw brengen mocht, of God zou rechtvaardigen wanneer Hij Zijn hand tegen hen keerde.
1. God brengt hen in herinnering de gunsten, die Hij hun van ouds bewezen had, toen zij tot een volk geformeerd werden, vers 2. Ik gedenk, of Ik herinner u om uwentwil, en Ik wens dat gij u herinneren zult en het tot uw bestwil goed in uw geheugen prenten, Ik kan niet vergeten de weldadigheid uwer jeugd en de liefde uwer ondertrouw.
A. Dit kan verstaan worden van de vriendschap die zij voor God gevoelden. Die was natuurlijk niet zo dat zij er zich op konden verheffen of bij God er op pleiten om hun enige gunst te bewijzen, want velen van hen waren zeer onvriendelijk en uitdagend geweest, en wanneer zij zich keerden en weer naar God vroegen, vleiden zij Hem slechts. Toch behaagde het God er melding van te maken en ertegenover hen op te pleiten, want ofschoon zij Hem slechts weinig vriendelijkheid bewezen, nam Hij het vriendelijk op. Wanneer zij geloofden in God en aan Mozes, zijn knecht, wanneer zij Gods lof zongen aan de Rode Zee, wanneer zij aan de voet van de berg Sinai beloofden: Al wat de Heere zeggen zal, zullen wij doen en wij zullen Hem gehoorzamen, dan was dat de weldadigheid hunner jeugd en de liefde hunner ondertrouw. Toen het scheen dat zij zo tot God naderden, zei Hij: Zeker, zij zijn Mijn volk, zij zullen Mij getrouw blijven, zij zijn kinderen die niet liegen zullen. Hun die goed beginnen en veel beloven, maar niet voortgaan en volharden, zal hun hoopvol en goed begin verweten worden. God gedenkt aan de weldadigheid van onze jeugd en de liefde van onze ondertrouw, aan de ijver, die wij toen voor Hem schenen te hebben, en de genegenheid, waarmee wij ons verbond met Hem maakten, aan de knoppen en bloesems, die nooit tot ontwikkeling kwamen, en het is goed voor ons ze ook te herdenken, opdat wij mogen zien van waar wij uitgevallen zijn en tot onze eerste liefde terugkeren, Openbaring 2:4, 5, Galaten 4:15. In twee dingen bleek de weldadigheid hunner jeugd.
a. Zij volgden de weg van de wolken vuurkolom in de woestijn, en ofschoon zij soms spraken van terugkeren naar Egypte of van voorwaarts dringen naar Kanaän, deden zij dat nooit, maar gedurende veertig jaren volgden zij God door de woestijn, en vertrouwden op Hem dat Hij voor hen in alles voorzien zou, of schoon het een onbezaaid land was. God nam dit vriendelijk op en rekende er tot hun eer, nog lang daarna mee dat zij, ofschoon er veel verkeerds onder hen was, toch nooit de leiding vergaten, waaronder zij waren. Evenzo heeft Christus, ofschoon Hij Zijn discipelen meermalen had moeten bestraffen, toch toen Hij afscheid nam, het in hen geprezen dat zij altijd met Hem geweest waren, Lukas 22:28. Er moet zijn de sterke toegenegenheid van de jeugd en van de ondertrouw, die zullen er ons toe brengen om God te volgen in de woestijn, met een onbepaald vertrouwen en een onwrikbare beslistheid, en het is zeer treurig als zij, die Hem gevolgd zijn, Hem daarna verlaten.
b. Zij hebben de goddelijke instellingen onderhouden, de tabernakel opgericht en de dienst daarin waargenomen. Israël was toen een heiligheid van de Heere, zij verenigden zich met Hem als een bijzonder volk in een verbond. Zij zijn dus in de geest begonnen, en God roept dat in hun geheugen terug, opdat zij zich schamen zouden om in het vlees te eindigen.
B. Het kan ook verstaan worden van Gods vriendelijkheid voor hen, waarover Hij later breedvoerig spreekt. "Toen Israël een kind was, heb Ik hem lief gehad," Hosea 11:1. Hij trouwde dat volk toen met al de toegenegenheid, "waarmee een jongeling een jonkvrouw trouwt," Jesaja 62:5, want die tijd was "de tijd van de minne," Ezechiël 16:8.
a. God nam hen aan tot Zijn eigendom. Of schoon zij een zondig volk waren werden zij toch krachtens het met hen gemaakte verbond en de onder hen opgerichte kerk, een heiligheid de Heere, aan Zijn eer gewijd en onder Zijn bepaalde leiding genomen. Zij waren de eerste vruchten van Zijn akker de eerste kerk welke Hij in de wereld opgericht had, zij waren de eerstelingen, maar de volle oogst zou onder de heidenen ingezameld worden. De eerste vruchten van de akker waren Gods deel er van, die werden Hem geofferd, daar werd Hij door vereerd. Zo was het volk van de Joden, God ontving slechts zeer weinig vrucht en eer van de wereld, maar het meeste daarvan van hen, en het was hun eer dat God hen aldus afgezonderd had. Deze eer hebben alle heiligen, "zij zijn de eerstelingen van Zijn schepselen," Jakobus 1. 18.
b. Hen getrouwd hebbende, werd hun zaak de Zijne, en werd Hij de "vijand van hun vijanden," Exodus 23:22. Daar zij de eerstelingen van Zijn inkomst waren, werden allen die hen opaten voor schuldig gehouden, of zoals er eigenlijk staat, die allen beledigden Hem. Zij overtraden en maakten zich schuldig en kwaad overviel hen. Zij werden voor overtreders gehouden, die de eerstelingen zelf gebruikten of die enig ander ding, dat "de Heere geheiligd was," Hem ontnamen en het aanwendden tot hun eigen nut, Leviticus 5:15, Wie Gods volk enig onrecht deed ondergaan deed dat op zijn eigen gevaar. Hun God was gereed om hun twistzaak te twisten, en Hij sprak tot de hoogmoedigsten van de koningen: Raak Mijn gezalfden niet aan!" Psalm 105:14. 15, Exodus 17:14. En in zeer bijzonder opzicht was Hij een tegenstander van hen, die trachten Zijn volk te verontreinigen en het af te trekken van de roeping om "de Heere heilig te zijn" getuige de twist die Hij had met de Midianieten ter oorzake van Peor. Numeri 25:17, 18.
c. " Hij leidde hen uit Egypte met een sterke hand" en grote verschrikking, Deuteronomium 4:34, en toch leidde Hij hen met zachte hand en grote tederheid door een uitgestrekte huilende woestijn, vers 6, een land van wildernissen en kuilen, of graven, begrafenisgrond, waar de bodem goed was, niet om hen te voeden, maar om hen te begraven, waarvan geen goeds kon verwacht worden, want het was een land van dorheid, waar alle onheil kon gevreesd worden want het was een land van schaduw des doods. In die donkere woestijn wandelden zij veertig jaren, maar "God was met hen, Zijn stok, in de hand van Mozes, en Zijn staf vertroostten hen," en zelfs richtte "God de tafel toe voor hun aangezicht," Psalm 23:4, 5, en gaf hun brood uit de wolken en water uit de steenrotsen. Het was een land door allen verlaten, want het bood nergens een weg of een rustplaats aan. Er was geen verkeer, een land waar niemand doorging, er was geen nederzetting: geen mens woonde er. Want God wil Zijn volk leren langs onbegane wegen te treden, alleen te wonen en afgezonderd te zijn. De moeilijkheden van de weg zijn er dus op berekend om de macht en de goedheid van God te verheerlijken, die ondanks alles hen het einde van de reis veilig doet bereiken. Geheel Gods geestelijk Israël moet diep zijn verplichting aan God gevoelen voor Zijn veilig geleide door de woestijn van deze wereld, die voor de ziel niet minder gevaarlijk is dan de andere was voor het lichaam.
d. Ten laatste bracht Hij hen in Kanaän, vers 7. Ik bracht u in een vruchtbaar land, hetgeen zoveel aannemelijker was, nadat zij zovele jaren in een land van dorheid geweest waren. Zij kwamen daar om de vrucht ervan en het goede ervan te eten, en het was hun geoorloofd zulks te doen. Ik bracht u in een land van Karmel, staat er in `t oorspronkelijke, Karmel was een plaats van buitengewone vruchtbaarheid, en Kanaän was gelijk een groot vruchtbaar veld, Deuteronomium 8:7.
e. God gaf hun de middelen van kennis en genade en van gemeenschap met Hem. Dit wordt ontwikkeld in het achtste vers. Zij hadden hun priesters die de wet handelden, haar lazen en voor hen uitlegden, want dat was een deel van hun werk, Deuteronomium 23:8. Zij hadden leraren, om hen te leiden en voor hun belangen te zorgen, rechters en overheden, zij hadden profeten om voor hen Gods wil te vragen en hun Zijn bedoeling bekend te maken.
2. Hij verwijt hen hun schandelijke ondankbaarheid en de slechte behandeling, die zij Hem in ruil voor al deze gunsten gegeven hadden. Laat hen allen komen en antwoorden op deze beschuldiging, vers 4. Zij wordt in de naam van God geveld tegen al de geslachten van het huis Israëls, want geen hunner kan pleiten: Niet schuldig.
a. Hij daagt hen uit om enig bewijs te leveren dat God ooit jegens hen onrechtvaardig of onvriendelijk geweest was. Ofschoon Hij gunsten in vele opzichten aan hen uitgedeeld had, was Hij toch in andere gevallen hard voor hen geweest, maar daarvoor waren zij zonder verontschuldiging. En daarom vraagt Hij om aan te tonen om welke oorzaak zij Hem verlaten hadden, vers 5 :Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, of gij zelf? Hebt gij, bij onderzoek, bevonden dat God een harde meester is? Hebben Zijn geboden u enig ongemak bezorgd, of u gedwongen iets te doen dat onedel of onbetamelijk was? Hebben Zijn beloften u ooit bedrogen of bij u verwachtingen gewekt, die u daarna teleurstelden? Gij, die uw verbond met God verbroken hebt, kunt gij zeggen dat het een hard lot was en dat gij het daarbij niet kondet uithouden? Gij, die de instellingen Gods verwaarloosd hebt, kunt gij getuigen dat dit geschiedde omdat die dienst zo vervelend was of werk aanbracht dat de moeite niet waard was? Neen, de teleurstellingen, die u overkwamen, waren te wijten aan uzelf, niet aan God. Het juk van Zijn geboden is licht, en in het houden van die is grote loon. Zij, die God verlaten, kunnen niet zeggen dat Hij hun ooit enige aanleiding daartoe gegeven heeft, hiervoor mogen wij ons met gerustheid beroepen op het geweten van de zondaren. De luie dienstknecht die zo iets tot zijn verontschuldiging pleitte, "werd uit zijn eigen mond geoordeeld" Lukas 19:22. Of schoon Hij ons bedroeft, kunnen wij niet zeggen dat er onrecht in Hem is of dat Hij ons onrecht doet. De wegen des Heeren zijn ontegenzeglijk rechtvaardig, al het verkeerde is in onze wegen. b. Hij beschuldigt hen dat zij desniettegenstaande zeer onrechtvaardig en onvriendelijk jegens Hem geweest zijn.
aa. Zij hebben Zijn dienst verlaten. Zij zijn van Mij geweken, ja, zij zijn verre van Mij geweken. Zij peinsden er over hoe zij zich van God zouden losmaken, en zo ver mogelijk buiten het bereik van Zijn geboden en hun overtuiging zouden komen. Zij, die de godsdienst verlaten, plaatsen zich gewoonlijk op groter afstand en in scherper tegenkanting dan zij die nooit godsdienstig geweest zijn.
bb. Zij hadden Hem verlaten voor de dienst van afgoden, hetgeen zoveel groter belediging voor God en Zijn dienst was, zij weken van Hem niet om zich te verbeteren, maar om zich erger te maken. Zij hebben de ijdelheden nagewandeld, dat is: de afgoderij, want een afgod is een ijdel ding, "hij is niets in de wereld," 1 Corinthiers 8:4, Deuteronomium 32:21, Jeremia 14:22. Afgodendienst is ijdelheid, Handelingen 14:15. Afgodendienaars zijn ijdel, want zij maken goden die "hun gelijk zijn," Psalm 115:8, zij aanbidden houten en stenen als hun goden, die voor niets deugen.
cc. Met de afgodendienst hebben zij allerlei soorten van ondeugden ingevoerd. Toen zij in het goede land kwamen, dat God hun gegeven had, hebben zij het verontreinigd, vers 7, door zichzelf te verontreinigen en onbekwaam voor de dienst van God te maken. Het was Gods land, zij waren er slechts ingezetenen en doorreizenden, Leviticus 25:23. Het was Zijn erfenis, want het was een heilig land, Immanuels land, maar zij maakten Zijn erfenis tot een gruwel, een gruwel zelfs voor God die groten afkeer van Israël kreeg.
dd. Nadat zij God verzaakt hadden, en ofschoon zij spoedig ondervonden hoezeer zij zichzelf daardoor benadeelden dachten zij er niet aan om tot Hem terug te keren, en deden daar geen enkele poging toe. Zomin het volk als de priesters vroeg naar Hem dacht enigszins aan hetgeen zij Hem verplicht waren, of toonden enige begeerte om Zijn gunst weer deelachtig te worden.
Ten eerste: het volk zei niet: Waar is de Heere? vers 6. Ofschoon zij opgevoed waren in de erkentenis dat Hij hun God was, en hun dikwijls gezegd was dat Hij hen uit Egypteland opgevoerd had, om Zijn bijzonder volk te zijn, vroegen zij nooit naar Hem en begeerden de kennis van Zijn wegen niet.
Ten tweede. De priesters zeiden niet: Waar is de Heere? vers 8. Zij, wier bepaalde dienst het was om Hem onmiddellijk te zoeken en te vereren, dachten er niet aan om zich in Zijn gemeenschap te stellen of zich bij Hem aangenaam te maken. Zij, wier roeping het was het volk in de kennis Gods te onderrichten, deden geen moeite om zelf Hem te kennen. De schriftgeleerden, wier taak het was de wet te handelen, kenden God noch Zijn wil, konden de Schriften in `t geheel niet uitleggen, of deden het verkeerd. De leraren, die de kudde van overtreden moesten terughouden, waren zelf de belhamels in allerlei overtreding. Zij hebben tegen Mij overtreden. De voorgewende profeten profeteerden bij Baäl, in zijn naam, tot zijn eer, en werden door de goddeloze koningen, gerugsteund om de ware profeten tegen te staan. Baäls profeten voegden zich bij Baäls priesters, en wandelden dingen na die geen nut doen, dat is de afgoden, die in geen enkel opzicht hun aanbidders helpen kunnen. Zie hoe de beste karakters overheerst worden en de beste bedieningen vatbaar zijn voor verderf en verwonder u niet over de zonden en de ondergang van een volk wanneer de blinden leidslieden van de blinden zijn.