Psalm 106:6-12
Hier begint een boetvaardige belijdenis van zonde, die zeer bijzonder op de rechte tijd gedaan werd, nu de kerk in benauwdheid was want aldus moeten wij God rechtvaardigen in alles wat Hij over ons brengt, erkennende dat Hij recht gedaan heeft, omdat wij goddelooslijk gehandeld hebben, en de herinnering aan vorige zonden, om welke God Zijn volk toch niet heeft verstoten, is een aanmoediging voor ons om te hopen dat wij, ofschoon wij rechtvaardiglijk om onze zonden worden gekastijd, toch niet ten enenmale verlaten zullen worden.
I. Gods verdrukt volk erkent zich hier schuldig voor God, vers 6. "Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, gelijk onze vaderen, in de gelijkheid van hun overtreding. Wij hebben aan die overgeërfde schuld nog toegedaan, en de mate van de ongerechtigheid onzer vaderen voldoende doen worden, om "de hittigheid van des Heeren toorn te vermeerderen," Numeri 32:14, Mattheus 23:32. En zie, hoe zij hun last van zonden verzwaren, zoals het boetelingen betaamt. "Wij hebben verkeerdelijk gedaan, gedaan hetgeen naar zijn aard zondig is, en wij hebben goddelooslijk gehandeld, wij hebben gezondigd met opgeheven hand, trotselijk." Of dit is een belijdenis niet alleen van hun navolgen van, maar van hun delen in, de zonden hunner vaderen, Wij hebben gezondigd met onze vaderen want wij waren in hun lenden, en "wij dragen hun ongerechtigheden," Klaagliederen 5:7.
II. Zij betreuren de zonden hunner vaderen, toen zij voor het eerst tot een volk geformeerd werden, en daar kinderen daar dikwijls voor moeten lijden, is het zaak voor hen om er over te treuren, zelfs nog later dan in het derde of vierde geslacht. Zelfs wij behoren aanleiding te nemen uit de geschiedenis van Israëls rebellie, om te treuren over de verdorvenheid van de menselijke natuur, en haar ongeschiktheid om zelfs door de beste middelen verbeterd te worden.
Merk hier op:
1. De verbazende stompzinnigheid temidden van de gunst, die God hun schonk, vers 7, in Egypte begrepen zij Zijn wonderen niet. Zij zagen ze, maar zij begrepen er de betekenis en bedoeling niet van. "Zalig zijn zij, die niet gezien hebben, en toch hebben verstaan". Zij dachten dat de plagen van Egypte bedoeld waren voor hun verlossing, terwijl zij ook bedoeld waren voor hun onderricht en hun overtuiging, niet alleen om hen uit de Egyptische slavernij weg te rakken, maar ook om hen van hun neiging tot de Egyptische afgoderij te genezen, door de soevereine macht en heerschappij van de God Israëls boven alle goden te doen blijken, en Zijn bijzondere zorg over hen. Wij verliezen het voordeel van de leidingen van Gods voorzienigheid door ze niet te begrijpen. En gelijk hun verstand traag was, zo was ook hun geheugen ontrouw. Men zou denken dat zulke verbazingwekkende gebeurtenissen nooit vergeten konden worden, en toch, zij gedachten ze niet, tenminste de menigte van Gods goedertierenheden zijn zij niet gedachtig geweest. God wordt gewantrouwd omdat Zijn gunsten niet gedacht worden.
2. Hun verkeerdheid, die uit deze stompzinnigheid voortkwam. Zij waren weerspannig aan de zee, bij de Schelfzee. De weerspannigheid was hun wanhoop aan verlossing, (omdat het gevaar groot was) en hun wens dat zij maar in Egypte gelaten waren, Exodus 14:11,12. Met Gods voorzienigheid te twisten, te twijfelen aan Zijn macht, goedheid en getrouwheid, zijn zo grote tergingen van Hem als welke andere ook. De plaats verzwaarde de misdaad, het was aan de zee, bij de Schelfzee, toen zij nog pas uit Egypte waren gekomen, en de wonderen, die God voor hen had gewrocht, hun nog vers in het geheugen lagen, toch doen zij Hem verwijten, alsof er in al die macht geen genade, geen zegen was, maar dat Hij hen slechts uit Egypte had uitgevoerd om hen in de woestijn te doden. Nooit lagen zij zo onmiddellijk in Gods macht als aan de Rode Zee, en toch hebben zij haar daar getrotseerd en Hem tot toorn verwekt.
3. Het grote heil, de verlossing, die God in weerwil van hun weerspannigheid voor hen gewerkt had, vers 8-11..
a. Hij baande hun een weg door de zee, Hij schold de Schelfzee omdat zij hun in de weg stond en hun tocht vertraagde, en terstond verdroogde zij, zoals bij de schepping op Gods schelden de wateren vloden, Psalm 104:7. Ja Hij heeft hun niet slechts een weg bereid, maar door de wolk- en vuurkolom deed Hij ben wandelen door de zee, en onder geleide van Mozes voerde Hij hen er even gemakkelijk doorheen als door een woestijn. Hij moedigde hen aan om die stappen te doen, bracht hun vrezen tot zwijgen, toen deze hun gevaarlijkste en dreigendste vijanden waren. Zie Jesaja 63:12-14.
b. Hij stelde zich tussen hen en hun vervolgers, en belette deze om hen af te snijden zoals zij voornemens waren. De Israëlieten waren allen te voet, en de Egyptenaren hadden allen paarden en wagens, waarmee zij hen waarschijnlijk snel konden achterhalen, maar God verloste hen uit de hand des haters, Farao, die hen nooit had bemind, maar hen nu te meer haatte vanwege de plagen, die om hunnentwil over hem gekomen waren. Hij bevrijdde hen van de hand des vijands, die uitgestrekt was om hen te grijpen, God verloste hen, vers 10, stelde zich, als het ware in de vuurkolom tussen de vervolgden en de vervolgers.
c. Om de zegen te voltooien en de verlossing in een overwinning te verkeren, werd de Rode Zee, die voor hen een voetpad was, een graf voor de Egyptenaren, vers 11. De wateren overdekten hun wederpartijders, om hen te doen sterven, maar niet om hun schande te verbergen, want met de opkomende vloed werden hun dode lichamen op de oever geworpen, Exodus 14:30. Niet een van hen bleef levend over om de tijding te brengen van hetgeen er van de overigen was geworden. En waarom heeft God dit voor hen gedaan? Ja, waarom heeft Hij hen niet evenals hun vijanden overdekt vanwege hun ongeloof en hun murmureren? Hij zegt het ons, vers 8, het was om Zijns naams wil, dat Hij het deed, hoewel zij het niet verdienden, want hun onverdienstelijkheid kon geen verandering brengen in Zijn plannen en bedoelingen, Zijn maatregelen niet verbreken, noch Hem Zijn beloften doen terugnemen, noch Hem doen falen in de vervulling ervan. Hij deed dit voor Zijn eigen eer en heerlijkheid, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte, niet alleen in het klieven van de zee, maar in het te doen in weerwil van hun tergingen. Mozes bidt, Numeri 14:17, 19:"Laat toch de kracht des Heeren groot worden," en "vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks." De kracht van de God van de genade in het vergeven van zonde en het sparen van zondaren moet evenzeer bewonderd worden als de kracht van de God van de natuur in het klieven van de zee.
4. De goede indruk, die dit voor het ogenblik op hen maakte, vers 12. Toen geloofden zij aan Zijn woorden, en erkenden dat God in waarheid met hen was, en hen in goedertierenheid over hen had uitgevoerd uit Egypte, en niet met de bedoeling om hen in de woestijn te doden, "toen vreesde het volk de Heere en geloofde in de Heere, en aan Mozes, Zijn knecht," Exodus 14:31. Toen zongen zij Zijn lof in dat lied van Mozes, dat bij die grote gelegenheid geschreven werd, Exodus 15:1. Zie op wat genadige en barmhartige wijze God soms het ongeloof van Zijn volk tot zwijgen brengt, en hun vrees in lofzegging verkeert, en aldus is het geschreven: "Die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de lering aannemen", Jesaja 29:24.