1 Koningen 8:22-53
Nadat Salomo de algemene overgave van dit huis gedaan had aan God, waarvan God Zijn aanneming te kennen had gegeven door er bezit van te nemen, volgt nu Salomo's gebed, waarin hij een meer bijzondere verklaring aflegt van het gebruik dier overgave, met alle ootmoed en eerbied begerende dat God er Zijn goedkeuring aan zou hechten. Kortom, het is zijn verzoek dat deze tempel beschouwd en genomen mocht worden, niet alleen als een huis van offeranden, (in dit gehele gebed wordt daar geen melding van gemaakt, dit lag er als vanzelf in opgesloten), maar als een huis des gebeds voor alle volken, en hierin was het een type van de Evangeliekerk. Zie Jesaja 56:7, vergeleken met Mattheus 21:13. Daarom heeft Salomo dit huis geopend niet alleen met een buitengewone offerande, maar ook met een buitengewoon gebed.
I. Het was een groot persoon, die dit gebed gebeden heeft. Salomo heeft niet een van de priesters er mee belast of een van de profeten, hij deed het zelf, in tegenwoordigheid van de gehele gemeente Israëls, vers 22.
1. Het was goed dat hij dit doen kon, een teken dat hij een goed gebruik had gemaakt van de vrome opvoeding, die zijn ouders hem hadden gegeven. Bij al zijn geleerdheid schijnt hij ook geleerd te hebben goed te bidden, wist hij zich op voegzame wijze voor God uit te drukken, "pro re nata" als de gelegenheid zich voordeed, zonder een voorgeschreven formule. In het gedrang van al zijn wijsgerige handelingen zijn spreuken en zijn liederen, vergat hij zijn oefeningen van de Godsvrucht niet. Hij heeft veel verkregen op het gebed, Hoofdstuk 3, 11 en verv, en hij heeft er, naar wij kunnen onderstellen, veel gebruik van gemaakt, zodat hij, gelijk wij hier zien, uitmuntte in gave des gebeds.
2. Het was goed dat hij het wilde doen, en niet schroomde om voor zo'n grote vergadering de Goddelijke eredienst te leiden. Verre was het van hem te denken, dat het een verkleining voor hem was zijn eigen kapelaan te zijn, de mond van de vergadering te wezen bij God, en zal dan iemand zich te voornaam achten om die dienst te leiden voor zijn eigen gezin? In al zijn andere heerlijkheid had Salomo niet zo'n groot aanzien als hij nu had, zelfs niet als hij op zijn ivoren troon was gezeten. Voorname mannen behoren aldus de eer van de Godsdienstoefeningen hoog te houden, en aldus God te eren met hun voornaamheid. Salomo was hierin een type van Christus, de groten voorbidder voor allen, over wie Hij heerst.
II. De houding, die hij aannam terwijl hij bad, was zeer eerbiedig, en gaf ootmoed, ernst en vurigheid in het gebed te kennen. Hij stond voor het altaar des Heren, te kennen gevende dat hij de verhoring van zijn gebed verwachtte krachtens het offer dat in de volheid des tijds geofferd zou worden en afgeschaduwd werd door de offers, die op dat altaar geofferd werden. Maar toen hij zich tot bidden begaf:
1. Knielde hij, zoals blijkt uit vers 54, waar gezegd wordt dat hij opstond van het knielen op zijn knieen, vergelijk 2 Kronieken 6:13. Knielen is de voegzaamste houding in het gebed, Efeziers 3:14. De grootste aanzienlijkste mannen moeten het niet beneden zich achten te knielen voor de Here, hun maker. "Knielen", zegt Herbert, "heeft nog nooit zijden kousen bedorven".
2. Hij breidde zijn handen uit naar de hemel en, zoals blijkt uit vers 54, bleef hij in die houding tot aan het einde van zijn gebed, hierdoor zijn verlangen te kennen gevende naar en zijn verwachting van God, als een Vader in de hemel. Hij breidde zijn handen uit, om als het ware zijn gebed van uit een open, verruimd hart aan te bieden, heen te zenden naar de hemel, en ook om de zegen, om welke hij gebeden had, met beide armen vandaar te ontvangen en aan te nemen. Zulke uitwendige uitdrukkingen van standvastigheid en vurigheid van Godsvrucht moeten niet veracht of bespot worden.
III. Het gebed zelf is zeer lang, en misschien was het nog langer dan zoals het hier opgetekend is. Wij hebben vrijheid van spreken voor de troon van de genade, en van die vrijheid behoren wij gebruik te maken. Het zijn niet de lange gebeden, die Christus veroordeelt, maar wel de ijdele waan, dat iemands vroomheid naar de lengte van zijn gebed gekend of beoordeeld kan worden.
In dit voortreffelijk gebed doet Salomo wat wij in ieder gebed behoren te doen.
1. Hij geeft eer aan God. Daar begint hij mee als met de meest gepaste daad van aanbidding. Hij spreekt tot God en noemt Hem de Here, God Israëls, en God in verbond met hen. En:
a. Hij geeft Hem de lof van hetgeen Hij is, in het algemeen in zichzelf het beste van alle wezens: "Er is geen God gelijk Gij, geen van de machten in de hemel of op aarde kan bij U vergeleken worden", en de beste van de meesters voor Zijn volk, "houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten. Gij doet niet slechts naar Uw woord door het verbond te houden, maar meer dan Uw woord door de weldadigheid te houden, datgene voor hen doende, wat Gij hun niet uitdrukkelijk beloofd hebt, mits zij met hun gehele hart voor Uw aangezicht wandelen, ijverig zijn voor U, het oog op U hebben".
b. Hij brengt Hem dank inzonderheid voor hetgeen Hij voor zijn familie gedaan heeft, vers 24. Gij hebt Uw knecht mijn vader David, gehouden, evenals Uw anderen knechte, wat Gij tot hem gesproken hebt. De belofte was een grote gunst jegens hem, zij was zijn steun en zijn blijdschap en nu is de vervulling de kroon er van wat Gij met Uw mond hebt gesproken, hebt Gij met Uw hand vervuld, gelijk het te dezen dage is, Nieuwe ervaringen van de waarheid van Gods beloften sporen aan tot meerdere lof.
2. Hij vraagt om genade en gunst van God.
A. Dat God aan hem en de zijnen de weldadigheid zal houden, die Hij beloofd heeft vers 25, 26. Let er op, hoe dit hier te pas gebracht wordt, dankbaar erkent hij de vervulling van de belofte ten dele, totnutoe is God getrouw geweest aan Zijn woord: "Gij hebt Uw knecht David gehouden wat Gij tot hem gesproken hebt, inzover dat zijn zoon de troon inneemt en de voorgenomen tempel heeft gebouwd, zo laat toch Uw woord waar worden hetwelk Gij nog verder gesproken hebt tot Uw knecht, mijn vader David, en dat nog ter bestemder tijd vervuld moet worden." De ervaringen, die wij hebben van Gods vervulling van Zijn beloften, moeten ons aanmoedigen om er op te steunen en te vertrouwen, er op te pleiten bij God, en zij, die nog verdere weldadigheden verwachten, moeten dankbaar zijn voor vroegere weldadigheden. Tot hiertoe heeft God geholpen, 2 Corinthiers 1:10. Salomo herhaalt de belofte, vers 25, Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op de troon Israëls zitte, de voorwaarde niet weglatende, alleenlijk zo uw zonen hun weg bewaren, want wij kunnen de vervulling van Gods belofte niet verwachten, dan op de vervulling van de voorwaarde. En dan bidt hij ootmoedig: Nu dan, o God Israels, laat toch Uw woord waar worden, vers 26. Gods beloften-wij hebben het dikwijls opgemerkt-moeten de gids zijn van onze begeerten, en de grond van onze hoop en verwachting in het gebed. David had gebeden, 2 Samuël 7:25 :"Here, doe dit woord dat Gij gesproken hebt." Kinderen moeten van hun Godvruchtige ouders leren hoe te bidden, hoe te pleiten in hun gebed.
B. Dat God letten zal op deze tempel waarvan Hij nu bezit genomen heeft, dat Zijn ogen er voortdurend over open mogen zijn vers 29. Dat Hij hem genadiglijk zal erkennen, en aldus eer zal aandoen. Te dien einde begint hij:
a. Met een nederige bewondering van Gods genadige nederbuigendheid, vers 27. "Zou God op de aarde wonen? Kunnen wij ons voorstellen dat een wezen, oneindig hoog, en heilig, en zalig, zich zo laag zal nederbuigen, dat er van Hem gezegd zou worden dat Hij op de aarde woont, en de aardwormen zegent met Zijn tegenwoordigheid? De aarde, die verdorven is en bedekt met zonde! Vervloekt en ten vure bewaard! Here, hoe is dit?"
b. Een nederige erkenning dat het huis, dat hij gebouwd heeft, hoe ruim het ook zij, God toch niet kan bevatten. De hemel van de hemelen kan dat niet, want geen plaats kan Hem bevatten die aan alle plaatsen is, zelfs dit huis is daar te klein toe te gering om de woonstede te zijn van Hem, Die oneindig is in wezen en in heerlijkheid. Als wij voor God het meeste hebben gedaan, dat wij kunnen doen, dan moeten wij de oneindige afstand en de onevenredigheid erkennen tussen onze diensten en Zijn volmaaktheden.
Dit vooraf gesteld zijnde, bidt hij in het algemeen:
Ten eerste. Dat God het gebed, dat hij nu ging bidden, genadig zal horen en verhoren, vers 28. Het was een ootmoedig gebed, het gebed Uws knechts, een vurig gebed een gebed, dat een roepen is, een gebed des geloofs, voor Uw aangezicht als de Here en mijn God. Here, hoor het, geef er acht op, niet als op het gebed van Israëls koning (niemands waardigheid in de wereld of eretitels zal hem Gode aanbevelen), maar als op het gebed Uws knechts.
Ten tweede. Dat God evenzo al de gebeden zal horen en verhoren, die later te eniger tijd gedaan zullen worden in of naar dit huis, dat hij nu gebouwd heeft, en waarvan God gezegd heeft: Mijn naam zal daar zijn, vers 29, zijn eigen gebeden: hoor naar het gebed, hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats, en de gebeden van geheel Israël, en van ieder afzonderlijk Israëliet, vers 30, hoor in de hemel, die in waarheid Uw woonplaats is, en waarvan dit huis slechts een beeld, een afschaduwing is, en als Gij hoort, vergeef de zonde, die scheiding maakt tussen hen en God, ook de ongerechtigheid hunner heilige dingen.
1. Hij onderstelt, dat Gods volk steeds een biddend volk zal zijn, hij besluit om zelf die plicht altijd te vervullen.
2. Hij zegt hun in hun gebeden het oog te richten naar de plaats, alwaar het Gode behaagd heeft Zijn heerlijkheid te openbaren zoals Hij haar nergens anders op aarde heeft geopenbaard. Niemand anders dan priesters mocht in die plaats komen, maar als zij in de voorhoven des tempels aanbaden, dan moesten zij hun ogen daarheen richten, niet als op het voorwerp hunner aanbidding (dat zou afgoderij zijn) maar als het verordineerde middel hunner aanbidding, dat hun geloof te hulp kwam, en een type was van het middelaarschap van Jezus Christus, die de ware tempel is, op wie wij het oog moeten hebben in alles, waarin wij met God te doen hebben. Zij, die op een afstand waren, richtten hun blikken naar Jeruzalem, om de wille des tempels, zelfs toen hij in puin lag, Daniël 6:11.
3. Hij bidt dat God de gebeden zal horen en de zonden zal vergeven, van allen, die derwaarts zullen heenzien in hun gebeden, niet alsof hij dacht dat al de vrome gebeden, tot God opgezonden door hen, die geen kennis van dit huis hadden of er geen acht op gaven, daarom verworpen werden, maar hij begeerde dat de merkbare tekenen van de Goddelijke tegenwoordigheid, waarmee dit huis gezegend was, aan gelovige bidders altijd merkbare vertroosting en bemoediging zouden geven.
Meer in het bijzonder stelt hij hier onderscheiden gevallen of omstandigheden, waarin hij onderstelt dat men zich tot God zou wenden in het gebed in of met het aangezicht naar dit huis des gebeds.
A. Indien op God een beroep werd gedaan door een eed ter beslissing van enigerlei betwist recht tussen man en man, en de eed voor dit altaar was afgelegd, zo bad hij dat God op de een of andere wijze de waarheid aan het licht zou brengen en tussen de strijdende partijen zou oordelen, vers 31, 32. Hij bidt dat in moeilijke zaken deze troon van de genade een troon des gerichts zal zijn, waarvan God recht zou doen aan hen, die onrecht geleden hebben en die er in het geloof een beroep op deden, en hen zou straffen, die het onrecht gedaan hebben en zich driest op God hebben durven beroepen. Het was de gewoonte geworden om bij de tempel en het altaar te zweren, Mattheus 23:16, 18, welke verkeerdheid misschien haar oorsprong genomen heeft in deze onderstelling, hoewel Salomo er alleen van spreekt, dat een eed gedaan werd, niet bij de tempel of het altaar, maar voor of nabij de tempel en het altaar, ter meerdere plechtigheid.
B. Als het volk van Israël zou zuchten onder een nationale ramp of een particulier Israëliet onder een bijzondere ramp, dan wenst hij dat de gebeden, die in of naar dit huis gedaan zouden worden, gehoord en verhoord zullen worden.
a. Ingeval van een algemeen oordeel zoals oorlog, vers 33, gebrek aan regen, vers 35, hongersnood of pestilentie, vers 37, en hij eindigt met enigerlei plaag of ziekte, want geen ramp komt over andere volken, die niet ook over Gods Israël kan komen. Nu onderstelt hij:
Ten eerste. Dat de oorzaak van het oordeel zonde zou zijn, en niets anders, indien zij geslagen zullen worden voor het aangezicht des vijands, indien er geen regen zal zijn, het is omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, dat is het, hetwelk al het kwaad veroorzaakt.
Ten tweede. Dat het gevolg van het oordeel zijn zou, dat zij tot God roepen, in-of naar-dit huis smekingen tot Hem zouden opzenden. Zij, die Hem tevoren veronachtzaamd hadden zouden zich dan met hun gebed tot Hem wenden: Here, in benauwdheid hebben zij U gezocht, als het hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg en ernstig zoeken.
Ten derde. Dat de voorwaarde voor de opheffing van het oordeel in iets meer bestond dan er bloot om te bidden. Hij kon, hij wilde, niet vragen, dat hun gebed verhoord zou worden, tenzij zij zich ook van hun zonde zouden bekeren, vers 35, en zich weer tot God zouden bekeren vers 33, dat is: tenzij zij waarlijk berouw hebben en zich verbeteren. Op geen andere voorwaarden kunnen wij verlossing verwachten in deze wereld of zaligheid in de toekomende wereld. Maar indien zij zich aldus toebereiden om barmhartigheid te verkrijgen dan bidt hij:
1. Dat God zal horen van de hemel, Zijn heilige tempel hierboven, op welke zij door deze tempel moeten heenzien.
2. Dat Hij hun zonde zal vergeven, want oordelen worden dan alleen in genade weggenomen, als de zonde vergeven is.
3. Dat Hij hun door Zijn Geest de goede weg zal leren, waarin zij moeten wandelen, door Zijn Geest, Zijn woord en Zijn profeten, en zij aldus nut en voordeel zullen hebben uit hun benauwdheid (want welgelukzalig is de man, die God tuchtigt en leert), en toebereid zouden zijn voor verlossing, die dan alleen komt in liefde, als zij ons teruggebracht ziet op de goede weg van God en plicht.
4. Dat Hij dan het oordeel zal wegnemen en de grief herstellen, waarin die dan ook moge bestaan, niet alleen het gebed zal aannemen, maar de zegen zal geven om welke gebeden werd.
b. In een geval van persoonlijke beproeving of benauwdheid, vers 38 -40. "Indien enig mens van Uw volk zich in nood bevindt en U zoekt, zo laat hem U vinden, laat hem hier gunst en genade bij U vinden". Hij treedt in geen bijzonderheden, zo talrijk, zo onderscheiden zijn de moeilijkheden van de kinderen van de mensen.
Ten eerste. Hij onderstelt dat de klagers zich zeer bewust zullen zijn van hun last, hun zaak aan God zullen blootleggen, die zij anders voor zich zouden houden zonder er iemand bekend mee te maken. Als zij erkennen een ieder de plaag zijns harten, wat het is, dat hem kwelt en pijnigt, als zij hun handen, dat is hun zaak uitspreiden, zoals Hizkia de brief, naar deze plaats, hetzij de beproeving van lichamelijke of geestelijke aard is, zij zullen haar voorleggen aan God. Innerlijke lasten schijnen inzonderheid bedoeld te zijn, zonde is de plaag van ons hart, ons inwonend bederf is onze geestelijke ziekte, ieder waar Israëliet tracht deze te kennen, opdat hij het bederf kunne doden, en er tegen kunne waken dat het zich weer verheft. Daarover klaagt hij dat is de last, onder welke hij zucht: ik ellendig mens! Dit drijft hem op de knieën, drijft hem heen naar het heiligdom, het betreurende, breidt hij zijn handen uit in het gebed.
Ten tweede. Hij verwijst alle dergelijke gevallen, die daarheen gebracht zullen worden, naar God.
1. Naar Zijn alwetendheid: "Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen, niet slechts de plaag huns harten, hun verschillende noden en lasten", (die kent Hij, maar Hij wil dat wij er Hem bekend mee maken) "maar ook de begeerte en bedoeling des harten, de oprechtheid of de geveinsdheid ervan, Gij weet welk gebed uit het hart komt, en welk gebed alleen van de lippen komt". De harten van koningen zijn voor God niet ondoorgrondelijk.
2. Naar Zijn gerechtigheid: geef een iegelijk naar al zijn wegen, en Hij zal niet falen dit te doen naar de regelen van de genade, niet van de wet, want dan waren wij allen verloren.
3. Naar Zijn genade: hoor, en vergeef, en doe, vers 39, opdat zij U vrezen al de dagen die zij leven zullen, vers 40. Dit gebruik moeten wij maken van Gods genade over ons in Zijn verhoren van onze gebeden en Zijn vergeven van onze zonden, dat wij er door opgewekt en aangespoord worden om Hem te vrezen, zolang als wij leven: vrezende komen tot de Here en tot Zijn goedheid, bij Hem is vergeving, opdat Hij gevreesd wordt.
c. Vervolgens wordt het geval genoemd van de vreemdeling die geen Israëliet is, een proseliet of Jodengenoot, die in de tempel komt om tot de God Israëls te bidden, daar hij overtuigd is van de dwaasheid en goddeloosheid om de goden van zijn land te aanbidden.
Ten eerste. Hij onderstelt dat er velen van de zodanigen zijn zullen, vers 41, 42, dat de roem van Gods grote werken, die Hij gewrocht heeft voor Israël, waarmee Hij zich bewezen heeft te zijn boven al de goden, ja alleen God te zijn, tot verre landen zou doordringen. Zij, die verre zijn, zullen horen van Uw grote naam en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekte arm, en dit zal alle nadenkende mensen er toe leiden om te bidden naar dit huis, opdat zij de gunst verkrijgen van een God, die machtig is hun weldadigheid te doen.
Ten tweede. Hij vraagt dat God het gebed van de proseliet zal aannemen en verhoren, vers 43, doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal. Zo vroeg, zo al oud, waren de aanduidingen van gunst jegens de zondaren uit de heidenen, gelijk er toen reeds "enerlei wet was voor de ingeborene en de vreemdeling," Exodus 12:49, zo was er voor beide ook een Evangelie.
Ten derde. Hierin beoogt hij de heerlijkheid Gods en de verbreiding van Zijn kennis. "Laat de vreemdeling op bijzondere wijze welslagen in zijn roepen tot U, opdat hij een goed gerucht brenge in zijn land van de God Israëls, opdat alle volkeren van de aarde Uw naam kennen om U ie vrezen, ( en, zo zij U recht kennen, zullen zij U vrezen) gelijk Uw volk Israël." Zover is het van Salomo om de kennis en de dienst van God te monopoliseren, en te wensen dat zij alleen tot Israël beperkt bleven, (dat de hartelijke begeerte was van de Joden in de dagen van Christus en Zijn apostelen) dat hij bidt dat alle volkeren God zullen vrezen zoals Israël. Gave God dat al de kinderen van de mensen de aanneming mochten ontvangen en tot Gods kinderen worden gemaakt. Vader, verheerlijk aldus Uw naam.
d. Vervolgens wordt een leger, dat ten strijde uittrekt, door Salomo Gode aanbevolen. Er wordt ondersteld dat een strijdmacht op verre afstand is gelegerd, daar het op Goddelijk bevel tegen de vijand is uitgetrokken, vers 44. "Als zij de strijd gaan aanbinden, en denken aan de gevaren en de onzekere afloop van de krijg, en dan een gebed tot U opzenden om bescherming en voorspoed, met hun oog gericht naar deze stad en deze tempel, hoor dan hun gebed, versterk hun handen, beschut hun hoofd, handhaaf hun zaak, en geef hun alzo de overwinning." Krijgslieden te velde moeten niet denken dat het genoeg is dat zij, die tehuis zijn, voor hen bidden, zij moeten ook zelf bidden, en hier worden zij aangemoedigd om op een gunstrijke verhoring te hopen. Strijden moet altijd met bidden gepaard gaan.
e. Het laatst wordt hier het geval van arme gevangenen genoemd als een geschikt voorwerp van het mededogen Gods.
Ten eerste. Hij onderstelt dat Israël zal zondigen. Hij kende hen, en zichzelf, en de menselijke natuur te goed om te denken dat dit een vreemde onderstelling was, want geen mens is er, die niet zondigt, die niet genoeg doet om God te rechtvaardigen in de strengste straffen van Zijn voorzienigheid, geen mens, die niet in gevaar is van in grove zonde te vallen, en dit ook niet zal doen, indien God hem aan hemzelf overlaat.
Ten tweede. Hij onderstelt dat, wat wel verwacht kan worden, God, indien Israël zondigt, tegen hen vertoornd zal zijn, en hen leveren zal voor het aangezicht huns vijands, om gevankelijk weggevoerd te worden naar een vreemd land vers 46.
Ten derde. Dan onderstelt hij dat zij zich zullen bezinnen, hun wegen zullen overdenken, want beproevingen brengen de mensen tot nadenken en, eenmaal tot nadenken gebracht zijnde, zullen zij berouw hebben, en bidden, hun zonden belijden, en zich verootmoedigen, zeggende: Wij hebben gezondigd en verkeerdelijk gedaan, vers 47, en zich in het land hunner vijanden tot God bekeren, die zij in hun eigen land hadden verlaten.
Ten vierde. Hij onderstelt dat zij bij hun bidden de blik zullen richten naar hun eigen land, het heilige land, naar Jeruzalem, de heilige stad, en de tempel, het heilig huis, en hij zegt hun dit te doen, vers 48, om der wille van Hem, die hun dat land heeft gegeven, die stad heeft verkoren en tot wiens eer dit huis was gebouwd.
Ten vijfde. Hij bidt dat God alsdan hun gebed zal horen, hun zonden zal vergeven, en hun vijanden zal neigen om hun barmhartigheid te betonen, vers 49, 50. God heeft alle harten in Zijn hand, en als het Hem behaagt, kan Hij de sterkste stroom in tegenovergestelde richting leiden, en hen medelijden doen hebben met Zijn volk, die hun wreedste vervolgers zijn geweest. Zie hoe dit gebed verhoord is geworden in Psalm 106:46. "Hij gaf hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden," hetgeen, zo het hen al niet in vrijheid stelde, hun gevangenschap toch verlicht heeft.
Ten zesde. Hij pleit op hun betrekking tot God, en Zijn deel in hen. "Zij zijn Uw volk, dat Gij in Uw verbond hebt opgenomen, zij zijn onder Uw zorg en leiding, zij zijn Uw erfdeel, van hetwelk, meer dan van enig ander volk Uw schatting van eer en heerlijkheid voortkomt, vers 51, dat afgezonderd is van alle volken om dit te zijn, en door onderscheidende gunsten U is toegeëigend," vers 53.
Eindelijk. Na al deze bijzonderheden besluit hij met deze algemene bede, dat God naar al Zijn biddend volk zou horen in al hun roepen tot Hem, vers 52. Thans kan onder het Evangelie geen plaats gedacht worden, door welke gebeden, die er in of er naar gedaan worden, meer welbehaaglijk zouden zijn aan God, zoals dit toen met de tempel was, die was een schaduw, Christus is het wezen, en al wat wij bidden in Zijn naam zal ons gegeven worden.