Psalm 102:24-29
Wij kunnen hier opmerken:
I. Het dreigende gevaar, waarin de Joodse kerk zich bevond, om geheel teniet te gaan in de Babylonische gevangenschap, vers 24. Hij heeft mijne kracht op de weg terneder gedrukt. Zij waren gedurende vele eeuwen op de weg naar de vervulling van de grote belofte, gedaan aan hun vaderen betreffende de Messias, en even sterk er naar verlangende, als ooit een reiziger naar het einde van zijn reis heeft verlangd, de inzettingen van de wet leidden hen op de weg, maar toen de tien stammen verloren gingen in Assyrië, en de twee stemmen bijna verloren waren in Babel, was de kracht van dat volk verzwakt, en naar alle ogenschijn waren hun dagen verkort, want zij zeiden: "Onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden." Ezechiël 37:11. En wat komt er dan van de beloften, dat Silo uit Juda zal voortkomen, de ster zal opgaan uit Jakob, en de Messias uit het geslacht van David zal voortkomen? Indien zij falen, faalt de belofte. Hiervan spreekt de psalmist als in zijn eigen persoon, en het is zeer toepasselijk op twee van de gewone beproevingen van deze tijd:
1. Ziekelijk te zijn, Lichaamskrankheid zal spoedig onze kracht terneder drukken op de weg, de wachters des huizes doen beven, en de sterke mannen zich doen krommen.
2. Om een kort leven te hebben. Waar het eerste gevoeld wordt, wordt dit gevreesd, als naar de loop van de natuur onze kracht verzwakt wordt in het midden onder dagen, wat kunnen wij dan anders verwachten, dan dat het getal van onze maanden in het midden zal worden afgesneden? En wat moeten wij dan anders doen dan dienovereenkomstig onze maatregelen nemen? Wij moeten er Gods hand in erkennen, want in Zijn hand is onze kracht, zijn onze tijden. En wij moeten het in overeenstemming achten met Zijn liefde, want het is dikwijls het lot geweest van hen, die hun kracht goed besteed hebben, dat zij verzwakt werd, en van hen, die zeer slecht gemist konden worden dat hun dagen verkort werden.
II. Een gebed voor de voortduur ervan, vers 25 :Mijn God, neem mij niet weg in het midden mijner dagen, laat deze arme kerk niet afgesneden worden in het midden van de dagen die er voor bestemd zijn door Uwe belofte, laat haar niet afgesneden worden voordat de Messias is gekomen. "Verderf haar niet, want daar is een zegen in," Jesaja 65:8. Zij is een misdadigster, maar om de wille van de zegen, die in haar is, bidt zij om uitstel. Dit is een gebed voor de beproefden, en dat wij, met onderworpenheid aan de wil van God, in het geloof tot God kunnen opzenden, dat God ons niet zal wegnemen in het midden onzer dagen maar dat Hij, zo het goed is in Zijn ogen ons zal sparen om Hem nog verder te dienen en rijper te worden voor de hemel.
III. Een pleitgrond om aan dit gebed kracht bij te zetten, ontleend aan de eeuwigheid van de beloofde Messias, vers 26-28. De apostel haalt deze verzen aan, Hebreeën 1:10-12 en zegt ons: Hij zei dit tot de Zoon, en in die uitlegging hebben wij te berusten. Bij al de veranderingen, die over de kerk komen, en al de gevaren, die haar bedreigen, is het zeer troostrijk dat Jezus Christus dezelfde is gisteren en heden en in der eeuwigheid. Uwe jaren zullen niet geëindigd worden. En evenzo is het troostrijk bij het verval en de dood van ons eigen lichaam en het sterven van onze vrienden, dat God een eeuwig God is, en dat wij daarom in Hem, zo Hij de onze is, eeuwige vertroostingen kunnen hebben. Let in deze pleitgrond erop, hoe de eeuwigheid van de Schepper verduidelijkt of opgehelderd wordt, hij vergelijkt haar bij de veranderlijkheid van het schepsel, want het is alleen Gods kroonrecht om onveranderlijk te zijn.
1. God heeft de wereld gemaakt, en daarom was Hij voor haar in wezen, van eeuwigheid, de Zoon van God, het eeuwige Woord, heeft de wereld gemaakt. Er is uitdrukkelijk gezegd: "Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is," en daarom "was het in den beginne van eeuwigheid, bij God, en was God," Johannes 1:1-3, Coloss. 1:16, Efeziers 3:9, Hebreeën 1:1. Aarde en hemel en het heir van beide omvatten het heelal en zijn volheid, en deze ontlenen hun bestaan aan God door Zijn Zoon, vers 26. "Gij hebt voormaals de aarde gegrond, dat is: gegrond op de zeeen en de rivieren, en toch blijft zij, veel meer nog zal de kerk stand houden, die op een rots gebouwd is. De hemelen zijn het werk Uwer handen en door U worden al hun bewegingen en invloeden geleid en geregeld, derhalve is God de bron, niet alleen van alle bestaan, maar van alle macht en heerschappij. Zie hoe gevoegelijk alle macht aan de grote Verlosser toevertrouwd kon worden beide in hemel en op aarde, daar Hij als Schepper van beide, beide volkomen kent en op beide recht heeft.
2. God zal de wereld weer teniet doen, en daarom zal Hij bestaan tot in eeuwigheid, vers 27, 28. Zij zullen vergaan, want Gij zult ze veranderen door dezelfde almachtige kracht, die ze gemaakt heeft, en daarom zult Gij ongetwijfeld staande blijven, Gij zijt dezelfde. God en de wereld, Christus en het schepsel zijn mededingers naar de eerste en hoogste plaats in de ziel des mensen, de onsterflijke ziel. Nu zou men denken dat hetgeen hier gezegd wordt genoeg is om dit geschil terstond te beslechten voor God en Christus te doen beslissen. Want:
a. Een deel in de wereld, in het schepsel, verwelkt en sterft. Zij zullen vergaan, zij zullen niet zo lang duren als wij, de dag komt wanneer de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden, en wat zal er dan worden van hen, die er hun schat in hebben opgelegd? Hemel en aarde zullen als een kleed verouden, niet door langzaam verval, maar als de bestemde tijd er voor gekomen is, zij zullen ter zijde gelegd worden als een oud kledingstuk, dat wij niet meer nodig hebben. Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn, niet vernietigd, maar veranderd, misschien zodat zij niet meer dezelfde zijn maar nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zullen wezen. Zie Gods soevereine heerschappij over hemel en aarde, Hij kan ze veranderen naar het Hem behaagt, en wanneer het Hem behaagt, en de gestadige veranderingen, waaraan zij onderworpen zijn in de omwentelingen van dag en nacht, zomer en winter, zijn een onderpand van hun laatste verandering, als de hemelen en de tijd niet meer zijn.
b. Een deel in God is blijvend, is eeuwig, Gij zijt dezelfde, aan geen verandering onderhevig, en Uwe jaren zullen niet geëindigd worden, vers 28. Christus zal dezelfde wezen in de volbrenging, die Hij geweest is in de belofte, dezelfde voor Zijn kerk in gevangenschap, die Hij geweest is voor Zijn kerk in vrijheid. Laat de kerk geen verzwakking vrezen voor haar kracht, of verkorting van haar dagen, terwijl Christus zelf haar kracht is en haar leven, Hij is dezelfde, en Hij heeft gezegd: "Omdat Ik leef zult ook gij leven." In de volheid des tijds is Christus gekomen en heeft Zijn koninkrijk opgericht in weerwil van de macht van het Oud-Testamentische Babylon, en Hij zal het in weerwil van het Nieuw-Testamentische Babylon opgericht houden.
IV. Een troostrijke verzekering dat dit gebed verhoord zal worden, vers 29. De kinderen Uwer knechten zullen blijven, daar Christus dezelfde is, zal de kerk blijven van het ene geslacht tot het andere in der eeuwigheid. Van het hoofd kunnen wij de altijddurendheid van het lichaam afleiden, hoewel het dikwijls zwak en ziek is, ja aan de poort des doods schijnt gekomen te zijn. Zij, die hopen "de heiligen des Allerhoogsten af te matten," Daniël 7:25, zullen zich bedrogen zien. Christus' dienstknechten zullen kinderen hebben, deze kinderen zullen een zaad hebben, een opvolging van belijders, de kerk, zowel als de wereld is onder de invloed van die zegen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt. Deze kinderen zullen blijven, niet in hun eigen persoon, want zij zullen sterven, maar in hun zaad, dat voor God bevestigd zal worden, dat is: in Hem en door Zijn genade, zolang de wereld bestaan zal, zal het erfrecht van de Godsdienst niet worden afgesneden, maar als het ene geslacht van Godvruchtigen heengaat, zal een ander opkomen en zo zal de troon van Christus tot in eeuwigheid zijn.