Deuteronomium 33:1-5
Het eerste vers is het opschrift van het hoofdstuk: Het is een zegen. In het vorige hoofdstuk had hij de verschrikkingen des Heeren gedonderd tegen Israël vanwege hun zonde, het was een hoofdstuk als de rol van Ezechiël vol van klaagliederen, en zuchting en wee. Om dit nu te verzachten, en opdat het niet zou schijnen dat hij in toorn van hen scheidde, voegt hij er hier een zegen aan toe, en laat hun zijn vrede, die nederdalen en rusten zou op al diegenen onder hen, die kinderen des vredes waren. Zo was Christus' laatste werk op aarde Zijn discipelen te zegenen, Lukas 24:50, zoals hier Mozes, ten teken van in vriendschap te scheiden. Mozes zegende hen:
1. Als een profeet, een man Gods. Het is een zeer begerenswaardige zaak om deel te hebben in de gebeden van hen, die invloed hebben in de hemel, het is het loon van een profeet. In deze zegen drukt Mozes niet alleen zijn goede wensen uit voor zijn volk, maar voorzegt hij door de geest van de profetie toekomstige dingen betreffende hen.
2. Als een vader van Israël goede vorsten zijn als een vader voor hun onderdanen heeft Jakob op zijn sterfbed zijn zonen gezegend, Genesis 49:1, en naar dit voorbeeld zegent Mozes hier de stammen, die uit hen zijn voortgekomen om te tonen dat, hoe tergend zij ook geweest waren, het erfdeel van die zegen hen niet was ontnomen. Dat hij even vóór zijn dood die zegen over hen uitsprak, zal waarschijnlijk daardoor een diepe indruk bij hen teweegbrengen, en hun ook een blijk wezen van Mozes' welwillende gezindheid jegens hen, daar hij wenste dat zij gelukkig zullen zijn, hoewel hij moet sterven, en dus niet in hun geluk zal delen.
Hij begint zijn zegen met een verheven beschrijving van de heerlijke verschijningen Gods voor hen door hun Zijn wet te geven, en van de grote weldaad, die zij voor hen was.
I. Er was een zichtbare en luisterrijke openbaring van de Goddelijke majesteit, genoeg om atheïsten en ongelovigen te overtuigen en voor altijd tot zwijgen te brengen, de stompzinnigsten en onverschilligsten op te wekken en te ontroeren, en alle verborgen neigingen tot andere goden beschaamd te maken, vers 2.
1. Zijn verschijning was heerlijk, Hij blonk en schitterde als de zon, wanneer zij uitgaat in haar kracht. Zelfs Seïr en Paran, twee bergen op enige afstand, waren verlicht door de Goddelijke heerlijkheid, die op de berg Sinaï verscheen, en er enige stralen van terugkaatste, zo schitterend was de verschijning en zo bijzonder opgemerkt in de aangrenzende landen. Hierop zinspeelt de profeet, om de wonderen van de Goddelijke voorzienigheid te doen uitkomen, Habakuk 3:3, 4, Psalm 18:8-10. De Jeruzalemse Targum geeft een zonderlinge verklaring hiervan, hij zegt: "Toen God neerkwam om de wet te geven, bood Hij haar op het gebergte Seïr de Edomieten aan, maar zij weigerden haar, omdat zij er het gebod in vonden: Gij zult niet doodslaan, toen bood Hij haar de Ismaëlieten aan op de berg Paran maar ook zij wezen haar af, omdat zij er in vonden: Gij zult niet stelen, en toen kwam Hij op de berg Sinaï, en bood haar Israël aan, en zij zeiden: Al wat de Heere zal spreken, zullen wij doen." Ik zou zo'n ongegronde waan niet overgeschreven hebben, als het niet was om zijn hoge oudheid.
2. Hij was luisterrijk vergezeld. Hij kwam met Zijn heilige miriaden, zoals Henoch lang tevoren voorzegd had, dat Hij zou komen om de wereld te oordelen op de laatste dag, Judas: 14. Dezen waren de engelen, die wagens Gods, onder welke de Heere was in deze heilige plaats Psalm 68:18. Zij vergezelden de Goddelijke Majesteit en werden bij de plechtigheden van die dag gebruikt als Zijn dienaren. Vandaar dat gezegd is, dat de wet door bestellingen van de engelen is ontvangen Handelingen 7:53, Hebreeën 2:2.
II. Hij gaf hun zijn wet, welke geroemd is:
1. Een vurige wet, omdat zij hun gegeven was uit het midden des vuurs, Deuteronomium 4:33, en omdat zij als vuur werkt: als zij aangenomen wordt, dan is zij smeltend, verwarmend, reinigend en verbrandt het vuil des verderfs, als zij verworpen wordt, dan verhardt, verschroeit, pijnigt en verderft zij. De Geest daalde neer in verdeelde tongen als van vuur, want ook het Evangelie is een vurige wet.
2. Zij wordt gezegd te zijn aan Zijn rechterhand, hetzij omdat Hij haar op stenen tafelen schreef, of wel omdat het de kracht aanduidt van de wet, de Goddelijke kracht, die er van uitgaat, opdat zij niet leeg weerkeert, of wel, zij kwam als een gave tot hen, en het was een zeer kostelijke gave, een zegen van de rechterhand.
3. Het was een blijk van de bijzondere goedheid, die Hij voor ben had. Immers bemint Hij de volken, vers 3, en daarom wordt gezegd dat de wet, hoewel zij een vurige wet is, aan hen was, vers 2, dat is voor hen, of ten gunste van hen. De wet Gods, geschreven in het hart is een stellig bewijs dat er de liefde Gods in is uitgestort, wij moeten Gods wet als eender gaven van Zijn genade beschouwen. Immers beminde Hij de volken, of legt hen op Zijn hart, zoals de eigenlijke betekenis is van die woorden, hetgeen niet slechts de innigste liefde te kennen geeft, maar ook de tederste en zorgzaamste bescherming. Al Zijn heiligen waren in Zijn hand. Sommigen verstaan dit inzonderheid van Zijn ondersteuning van hen, en dat Hij hen in het leven heeft behouden bij de berg Sinaï, toen de verschrikking zo groot was, dat Mozes zelf beefde en bevreesd was, zij hoorden, de stem Gods en zijn levend gebleven, Hoofdstuk 4:33. Of het geeft te kennen dat Hij hen door Zijn wet tot een volk heeft geformeerd, hen vormde zoals de pottenbakker het leem. Of, zij waren in Zijn hand om bedekt en beschermd te worden, en gebruikt zoals de zeven sterren in de hand van Christus Openbaring 1:16. God heeft al Zijn heiligen in Zijn hand, en hoewel er tienduizenden zijn van Zijn heiligen, vers 2, is toch Zijn hand, waarmee Hij de wateren meet, groot genoeg en sterk genoeg, om ze allen te houden, en wij kunnen er zeker van zijn, dat niemand hen uit Zijn hand zal rukken, Johannes 10:28.
III. Hij neigde hen om de wet te ontvangen die Hij hun gaf. Zij zaten aan Uw voeten als leerlingen aan de voeten van hun meesters ten teken van eerbied in afwachting van, en nederige onderworpenheid aan hetgeen geleerd wordt. Zo zat Israël aan de voet van de berg Sinaï, en beloofde te horen en te doen al wat God zou zeggen. Sommigen lezen het: zij werden geslagen of getroffen aan uw voeten, namelijk door de verschrikkingen van de berg Sinaï, die hen voor het ogenblik zeer verootmoedigden, Exodus 20:19. Iedereen stond toen gereed om Gods woorden te ontvangen, en zij waren dit ook, toen de wet in het openbaar voor hen gelezen werd, zoals Jozua 8:34. Het is een groot voorrecht om, als wij de woorden Gods gehoord hebben, de gelegenheid te krijgen om ze nogmaals te horen, Ik heb hun Uw naam bekend gemaakt, en zal hem bekend maken, Johannes 1-7:26. Zo had Israël niet slechts de wet ontvangen, maar zal haar wederom ontvangen, en nooit zonder onderwijs gelaten worden.
Aan het volk wordt geleerd om, in dankbaarheld voor de wet van God steeds een eerbiedige gedachtenis te bewaren, beide van de wet zelf en van Mozes, door wie zij gegeven werd. Twee van de Chaldeeuwse paraphrasten lezen hier: De kinderen Israëls zeiden: Mozes gebood ons een wet: en de Joden zeggen dat, zodra een kind instaat was te spreken, zijn vader verplicht was het deze woorden te leren: Mozes gebood ons een wet, het erfdeel van de vergadering Jakob's.
1. Hen wordt geleerd met grote eerbied van de wet te spreken, en haar te noemen: het erfdeel van de vergadering Jakob's. Zij beschouwden haar:
a. Als aan hen in het bijzonder gegeven, als hetgeen waardoor zij van andere volken onderscheiden waren, die er noch de kennis van hadden, Psalm 147:20, noch, al hadden zij haar ook, onder de verplichting waren om haar waar te nemen, zoals Israël onder die verplichting was, en daarom, (zegt bisschop Patrick) "hebben de Joden, als zij een land veroverden, niemand gedwongen de wet van Mozes aan te nemen, maar alleen om zich aan de zeven geboden Noach's te onderwerpen."
b. Als een onvervreemdbaar erfgoed aan hen verzekerd, want aldus gaan erfenissen aan het nageslacht over. En:
c. Als hun rijkdom, hun ware schat. Zij, die het woord van God en de middelen van de genade hebben, hebben reden te zeggen: een schone erfenis is ons geworden. Hij is inderdaad rijk, in wie het woord van Christus rijkelijk woont. Misschien wordt de wet hun erfdeel genoemd, omdat zij hun met hun erfdeel gegeven werd, er zo aan was toegevoegd, dat het verlaten van de wet een verbeuren des erfdeels tengevolge zou hebben. Zie Psalm 119:111.
2. Hen wordt geleerd met grote eerbied van Mozes te spreken, en zij waren te meer verplicht zijn naam in ere te houden, omdat hij geen maatregelen had genomen om hem in zijn geslacht te bewaren, zijn nakomelingen zijn nooit de zonen van Mozes genoemd, zoals de priesters de zonen van Aäron genoemd zijn.
a. Zij moeten Mozes erkennen als een groot weldoener van hun volk, doordat hij hun de wet gebood, want, hoewel zij van de hand Gods kwam, ging zij door de hand van Mozes.
b. Hij was koning in Jeschurun. Hun de wet geboden hebbende, heeft hij, zolang als hij leefde, zorg gedragen, dat zij waargenomen en ten uitvoer gelegd werd. En zij waren zeer gelukkig zo'n koning te hebben, die hen regeerde, ten alle tijde voor hen in-en uitging, maar inzonderheid dan een groot aanzien had, als de hoofden des volks vergaderd waren, in parlement als het ware, en Mozes president onder hen was. Sommigen verstaan dit van God zelf, Hij verklaarde zich tot hun Koning, toen Hij hun de wet gaf en Hij bleef dit, zolang zij Jeschurun waren, een oprecht volk, en totdat zij Hem verwierpen, 1 Samuël 12:12. Maar het schijnt veeleer van Mozes verstaan te moeten worden. Een goede regering is een grote zegen voor het volk, waarvoor zij wèl reden hebben dankbaar te zijn, en die staatsregeling is zeer gelukkig, welke zoals die van Israël, en zoals die van ons, de macht verdeelt tussen de koning in Jeschurun en de hoofden van de stammen, als zij tezamen vergaderd zijn.